Terug naar Verhalenoverzicht

DE WONARCHIST  (1980)

ET zou wat moois worden als iedereen maar met zijn lange vingers aan je auto of aan je vrouw mocht zitten.
Daarom stompen wij knokploegers af en toe wat krakers op hun gezicht. Deze asocialen mogen namelijk niet vergeten dat er toevallig nog altijd grenzen zijn, anders kraken ze morgen Paleis Drakensteyn of Kasteel Soestdijk.

Op Kroningsdag moet er 's avonds een bende houtwurmen worden weggeramd uit de Freule Adeltitelschool. Dus om 20 uur naar die gekraakte spuiterstent, wachten op de tochtige hoek, maar wie er ook komen, niet de jongens van de knokploeg. Er staat een witgeschilderde fiets tegen de school. Ook gekraakt natuurlijk. Ik voel helemaal branderig en stink naar gerookte sat. Het traangas zit nog in mijn ogen. Mijn longen geven nog steeds de bleekwatergeur van rookbommen op. Het was namelijk een ontstllend ergerlijke dag. Pis & pisnijdig. Tjonge wat heb ik vandaag een respect gekregen voor de autoriteiten. Een totaal democratisch gebeuren dat volgens de Grondwet in de Nieuwe Kerk hoort te worden uitgevochten kan het niet stellen zonder een complete legermacht - hoe zal Europa dan ooit zonder de Nato kunnen?? Terwijl het zo gezellig kn.

Vanmorgen op de Dam zat ik lekker op een dranghek naast de bushalte waar een oranje hoes overheen getrokken was met de woorden: halte buiten gebruik. De spiegels van de NOS straalverbinding op het Koninklijk Paleis waren ook oranje.

Afijn, halte buiten gebruik of niet, ik zat daar lekker in de touringcar want er kwam heel wat snoepgoed langs, vooral veel meiden met oranjebruin gekleurde haren. Er zat ook een mokkel met een minirok en gespreide, gespierde benen tussen de twee zijwanden van een portiek ingeklemd zodat ze over alles heen kon kijken. Vlak voor haar hing een gitzwarte maan boven het trottoir. Dat was de bovenkant van een politiepet; de agent stond gezellig, zijn hoofd achterover, te praten met de spierkrachtige dame in de lucht. Ze hing eigenwijs sigaretten te roken. Als we maar willen kan de politie onze beste vriend zijn.

Er kwamen drie jongens en drie meisjes voor me staan, allemaal in het oranje. Ik zei: "Net of ik terug ben in mijn kinderjaren, al die vlaggen, grote en kleine dikke en dunne en ouwe en jonge mensen allemaal in feeststemming, zo is het eigenlijk normaal, zo hoort Amsterdam te zijn, jammer van dat handjevol kraakwilligen." En van die oranje geklede jongens gaf me toen een heel raar antwoord: "Deze vertoning provoceert het potentiaal aan onlustgevoelens. Daarom is er steeds meer overmacht nodig die steeds meer verzet uitlokt, net zoals in Rusland." Ik trok mijn wenkbrauwen op en nam hem op vanaf zijn groene plastic kaplaarsjes tot aan zijn verwijfde oorbelletjes.

"Wees jij maar blij dat we niet door de Russen zijn bevrijd!" zette ik hem aan het denken, "anders was er in 1968 niet een Praagse Lente de kop ingedrukt maar een Haagse Lente!" Hij gaf te kennen dat het zo god was als je je onlust afreageerde, anders liep je er mee door. En tot mijn verbijstering rolde toen n van die oranje meisjes - een mager gedrocht met een piepklein gezichtje - het belachelijkste spandoek uit dat ik van mijn leven heb waargenomen. "Trix is ook nix" stond er op maar van de X-en hadden ze hakenkruisen gemaakt. "Als jullie zo oranjegezind zijn," riep ik, "waarom dan zulke flagrante achterklap??" "Omdat Beatrix ons te veel op haar vader lijkt," lachte ze, "en omdat we in dit vrije land onze mening kenbaar mogen maken." Bij deze woorden greep ze naar een portretje dat aan een houten snoer om haar nek hing en toonde mij de gepolijste tronie van Bhagwan Shree Rajneesh. Zeer onwel verwijderde ik mij en moest plotseling onvoorstelbaar sterk denken aan de WC van mijn moeder. Die gooide daar op de gekste momenten een fles bleekwater in leeg en als je er dan op piste vlogen de giftige dampen je als duivels naar je strot.

Oorzaak van deze geur: In haar laatste uren als prinses had Beatrix van Oranje zich op het bordes begeven, voor het tuig reden om van de richel te komen en een rookbom tot explosie te brengen.

Waarom stonden die luidsprekers eigenlijk zo zacht? Het rapalje joelde er doodleuk overheen. Die ouwe en die nieuwe koningin stonden daar op dat bordes te gebaren en te gesticuleren alsof ze de republiek proclameerden maar waarom hoefde ik dat eigenlijk niet te verstaan? En wie gaf het sein aan die scherpschutters op Peek & Kloppenburg om met oranje confettie te gaan schieten? Het ging allemaal buiten me om. Verdomme, ze zaten ook zo'n kabaal te maken in de lucht. Dat rochelende schorre gedrens van aerodynamische machines werd er niet bepaald minder op.

's Middags buitelden die dreundingen als aangespoten insecten rakelings over de daken, afgewisseld met huilerig sirenegeloei, misplaatst vuurwerk en "M.E. - wg ermee!" en daartussendoor hoorde je dan af en toe iets van het parelende Soestdijkaccent door de luidsprekers want Hare Majonaise Koningin Beatrix vertelde in zilveren klanken het n of andere familieverhaal in de Nieuwe Kerk. Dan donderde er weer vlak boven je hoofd een helikopter over de kop, scheerde er weer een onheilspellende zwerm duiven over en kwamen er weer tientallen traliewagens en motoren over de Dam of ving je weer wat op van "het besef dat mensen elkaar nodig hebben" of "met inzet van alle krachten."

Ik vond dat onze nieuwe koningin een mooie uitspraak had. Ze zou dictees kunnen inspreken op de grammofoonplaatjes die mijn zuster gebruikt bij haar stenocursus.

Bij Juliana kon je echt lachen. Als die een toespraak hield dan maakte ze eerst met het hoofd enkele spastische rukken naar links en naar rechts, slikte een paar keer en maakte het geluid van iemand die al wil spreken maar nog gehinderd wordt door oprispingen. Dan zei ze bijvoorbeeld: "Ik wens iedereen toe om iets ten goede te scheppen want het is een uitdaging om er het allerbeste van te maken naar ons allerbeste vermogen." Dat klonk dan heel gespannen - ze grilde van ernst - maar tegelijk frivool en trots en dan trok ze ook steeds haar wenkbrauwen op, deed haar ogen dicht, liet haar mond open hangen en keek zo een tijdje naar het plafond. Dat waren leuke dingen voor de mensen maar al die werkeloze hangzakken die dat daar op de dam allemaal wilden bederven zodat er een hele armada aan politievoertuigen op moet rukken, dat zijn de vlooien in de pruik van Trix.

Godverdomme wat wordt het hier koud. Ik sta nou al een half uur voor de Freule Adeltitelschool. De anderen moeten natuurlijk verschrikkelijk omlopen want op de Antoniebreestraat zitten ze barricaden te bouwen en hier in de buurt is een gemilitariseerde sector. De buitendeur van de school is niet eens op slot. Binnen is een verweerde tegelgang. Ik bereik een ongastvrij claustrofobisch hok met een overspannen kreunende verwarmingsketel. Om de zenuwen van te krijgen. Via nog een deur sta ik oog in oog met een meisjesgezicht. "Wat doet u hier?"

Om hr eruit te smijten heb ik dus vanavond het vuurwerk opgeofferd. "Wat kijkt u boos," zo meent de wilde spin. "Ja, kan de ingang niet vinden. Olie Walm is mijn naam. Ik ga een woningkraakvereniging oprichten en verzamel informatie over het kraakwezen." "Komt u dan maar boven."

Voorbij de kapstokjes en de WC-tjes is het handenarbeidlokaal. Behagelijk warm en licht. Ik kan die meid nu beter zien. Lekker slank. Roodblond haar in een dikke vlecht. Er zitten allerlei ongeschoren baardapen naar Beatrixfilms te staren. "Werd Vuilenstede jullie te link?" vraag ik met een knipoog. Maar dat valt verkeerd. Er was daar namelijk geen plaats meer voor de heren. Dus dan maar een school gekaapt. Hoort u wel, zo gaat dat tegenwoordig. Ze kregen zelfs hulp van het wijkcentrum. "Alle ruiten waren ingegooid," huilt die rooie, "je blijft hier ten eeuwige dage bezig met opknapklussen." Beetje bekakte spraak. Monique heet ze. "Ik zal u even rondleiden."

Wat een zenuwetoestand. Waar blijven de jongens nou. Okee, ik rondgeleid. In klas 4B ligt de vloer vol kranten waarop de bewoonster een fiets wit heeft gekalkt. In de hoek een enorme kolenkachel met een rookgasafvoerpijp uit de tijd dat Zwarte Piet er nog door moest kunnen. Mijn blik blijft hangen op een waterig schilderij van een blote zeemeermin met een parasol. "Impressionistisch," beweert Monique. "Van Peignoir." (Of Renoir, weet ik veel). Er staat wat onder: "The woman shall never never never never be a slave." Ik proest. "Zeg nooit nooit!" waarschuw ik maar. We sjokken naar het smalle hoge kamertje van de bovenmeester, waar een meisje van vijf en een figuur van dertig op hun buik te bed liggen. In het gelige licht van een paar lampionnen wordt voorgelezen uit Donald Duck. Monique wauwelt door over de voordelen van het zogenaamde Centraal Wonen. Bijvoorbeeld dat je niet altijd zelf je eigen kinderen hoeft voor te lezen. Snapt u wel? Complete verwaarlozing. Maar ruzie zal ik straks wel maken als de jongens arriveren. Terwijl we afdruipen hoor ik nog voorlezen: "...maar hoe moesten Knabbel en Babbel zorgen dat de boom waarin ze woonden niet werd omgehakt?"

In de zesde klas woont een student Rechten. Op tafel het Burgerlijk Wetboek, geopend bij de bladzij waar staat dat een getrouwde man zijn vrouw genoeg huishoudgeld moet betalen. "Een woongroep moet zijn eigen identiteit hebben," hoor ik Monique, "zodat hij niet meteen uit elkaar valt als er n bepaalde bewoner vertrekt." Ik knik maar wat. "Positieve sociale controle is opvang," krijg ik te horen, "maar negatieve dat is groepsdwang." Ze sleurt me alle klassen door. Rolpatronen, identiteit, ontplooiing... Ik breek mijn benen over de rondslingerende violen, recorders, klapcamera's, schrijfmachines en gitaren. En hiero hebben we dan een peperdure gasbetonnen tussenmuur, die ze alleen maar konden betalen door hem zelf te metselen en door te leven als geheelonthouders. Bovendien vreten deze profiteurs alleen wormstekige onbespoten groenten van hun eigen tuin. U zult het niet geloven, maar ook dat eigen land dat hebben ze gekraakt. Vraag me alstublief niet hoe. Ik weet alleen hoe je er zo effectief mogelijk een eind aan maakt: met korte metten. Caramba, ik krijg steeds meer de pest in dat de anderen me laten barsten. In de verte hoor ik allerlei geplof daveren. Ze zitten zeker naar het vuurwerk te staren.

Afijn, weer terug in het handenarbeidlokaal ontdekt Monique opeens een fles Cinzano op tafel. Ze stort zich er op, scheurt driftig met de spiraalpunt van een kurketrekker het rode folie van de uitlaat en boort zich in de kurk. En van die langharige vampiers, waarschijnlijk de leukste thuis, geeft als zijn geflipte mening dat "als ooit de hemel gekraakt wordt, dan kan het openspringen van de poort geen bevrijdender, optimistischer geluid veroorzaken dan de kloeke vochtige implosie van een losschietende wijnkurk."

Ziet u nou wel dat het bij deze kippen elke dag Pasen is? "Mag ik eens iets vragen?" zeg ik genteresseerd. "Daar wachten we op," antwoord n van die luizen. Ik drink eerst mijn wijnglas leeg. "Zijn er hier nou ook eh... stelletjes en paren?"

Men knippert met de ogen.

Stelletjes?? Paren?! Of ik mijn mond maar even wil gaan spoelen. Wat dan? Relaties?? Welnee! Liefde!!

Ziet u? Ze zuigen de samenleving uit (voor dat vuurwerk en die gepavoiseerde schepen op TV wordt geen kijkgeld betaald) en ze sturen geslachtsziekten terug. Voor wat hoort wat dacht u niet? "Ergeren jullie je nooit aan elkaar?" vraag ik geprikkeld. "Dat leer je hier gauw genoeg af!" roept een bewoonster met een oranje harembroek. "Als de anderen liever een strijkstok over een viool trekken dan een witkwast over een plafond, dan kijk je nog maar een maandje naar de grond."

Onderwijl monteert ze behendig een flitsapparaat op een spiegelreflexcamera en blitzt drie vier keer achteloos in mijn gezicht. Kraak noch smaak zit er aan. Zachtjes meldt het journaal dat de politie geen brkgas heeft gebruikt, hoewel je de krakers brakend over de Munt ziet rollen.

"Uiteindelijk wordt zo'n karweitje tch wel geklaard," meent de fotografe, "maar veel woongroepen kunnen inderdaad niet zonder n of andere vorm van therapie." Caramba! Dat lijkt wel op gezond verstand! Die therapie zouden we ze vanavond juist komen geven. "Wat gaat u met die foto's doen?" vraag ik gerriteerd. "Afdrukken. Ik ben namelijk redactrice van de Kraakkrant. Uw collega's komen vanavond niet."

Wat nou?? Als de jongens me hebben verlinkt dan maak ik lijken van ze.

Er klost een bewoner de trap op, ene Cor Fee, zijn armen vol huishoudelijke artikelen, geplunderd uit etalages in de Kalverstraat. "We komen er vanavond niet, dame??" Ik ga op de rand van mijn stoel zitten. "De leden van uw knokploeg. Zoals u weet is dit gebouw van de Hervormde Kerk. En die zijn van gedachten veranderd. We mogen hier voorlopig blijven. Ze hebben ons zelfs gewaarschuwd dat ze n van de knokkers niet meer konden afzeggen. Of wij het zlf maar wilden doen. Vandaar deze foto's. De lezers van de Kraakkrant willen ook wel eens een keertje lachen." Opeens weet ik zeker dat ik het kreng de nek om ga draaien, maar ook dat Cor Fee erg dreigend overeind komt.

Stampvoetend vlucht ik de brede marmeren schooltrap af. Met de handen in mijn zakken en tranen in mijn branderige ogen wil ik rechtsaf slaan om me bij de Uilendrecht van de kademuur te storten. "Hee waar gaat meneer naartoe??" Twee broekies van agenten. Willen mijn doorlatingsbewijs. Dit is de demarcatielijn van een gecontroleerde sector, nog steeds wegens Kroningsdag.

Caramba. Waar maak ik me ook eigenlijk druk om?

Nietwaar, al is het leven nog zo snel, de dood die achterhaalt het wel.

WIM HEINS

Terug naar Verhalenoverzicht