Terug naar Verhalenoverzicht

MIJN EERSTE THERAPIE (1986)

E reflexen van mijn huisarts waren in orde.

Reeds dreef hij zijn vulpen over een verwijskaart heen. "Het Psycho-Analytisch Instituut vond me namelijk al te ver heen. Vandaar dat ze me verwijzen naar een instituutje bij hen om de hoek: de Valerius Kliniek. Wat heb ik daaraan?"

Over zijn halve maans brilleglazen heen keek de medicus me aan. "Waarom doe je het dan?" "Omdat ik er gek genoeg voor ben." Hij fronste de wenkbrauwen diagnostisch. "Tja, nja, het lijkt een beetje op de man die bij een aanzoek vraagt Mien weet jij een goede advocaat voor het geval we gaan scheiden. Anders nog iets?" "Nee dokter, ik verheug me in een uitstekende gezondheid." "Komt dat dan nog voor?" We schaterden. Met de verwijskaart in de hand en een grijns op mijn gezicht stapte ik de spreekkamer uit. De patiŽnten achter de deur keken me verwonderd en verwijtend na.

De receptioniste van de afdeling ambulante psychiatrie was een kleine vrouw aan gene zijde van de veertig, ontsierd door plichtsbetrachting op het boze af. Ze tuurde verkrampt op de verwijskaart. "Het telefoonnummer van uw huisarts is onleesbaar." Blindelings greep ik van haar boekenplank het Adresboekje Amsterdamse Geneeskundigen.

Ik nam plaats in de wachtkamer naast een dampend meisje. Er hing een oranje Blijf van m'n Lijf affiche met de tekst: Tu marido o companero te maltrata? Daarnaast een gele met: Abused by husband or boyfriend? Daarnaast een paarse: Kocaniz veya erkek arkadasiniz size kŲtŁ davraniyorsa? Ik begreep niet waarom mannen uit zoveel windstreken vrouwen mishandelen en voelde me ontheemd bij mijn geslacht.

Het meisje naast me stak een nieuwe peuk op en hield ook mij haar munitie voor. "Nee dank je, ik word zo ingeteekt." "Kom je ook voor psychiatrie?" "Ja, voor therapie." Ze keek of ze naar de tandarts moest. "Ik heb heel veel moeite met psychiatrie. Ik ben daar heel erg op tegen." "Waarom doe je het dan?" "Ik ben hierheen gestuurd. Moet jij ook naar dokter Teer?" Ik zocht een vorm van deelname die geen cent energie kostte en zei: "Nee maar als de jouwe Teer heet dan moet die therapie wel slagen. Een goed begin is het halve werk!"

Er verscheen een jongen in een CDA-groene trui met V-hals en dito groene das, die het woord VVD-bal bij me wakker riep. "Meneer Heins? Jansen..." De evenwichtigheid in persoon. "Gaat u mee?" Ik volgde hem de trap op naar een kamertje met knalrode stoeltjes.

"Meneer Heins, tja, bent u eigenlijk wel eens bang?"

"Eerlijk gezegd, dokter Jansen, ben ik er diep van overtuigd dat de zogenaamde popmuziek een uiting is van wanhoop en haat." Hij proefde mijn bewering beleefd. "Popmuziek maakt u onrustig?" "Nee het vergiftigt me terwijl iedereen doet of het bevrijdt." Jansen keek sluw en prevelde: "Hoe voŤlt u zich daarbij?" "Ogenschijnlijk ontworteld en onteerd temidden van krankzinnigen." "Ogenschijnlijk?" "Ja ik weet per slot zelf ook niet wie ik ben." Jansen maakte een notitie. Zijn perkament zat met een papierklem op een kartonnen bodem. Hij wierp een blik op zijn rooster daaronder, keek op zijn horloge, prikte de ballpoint achter het oor en stak me de hand toe. "Goed, u gaat nu naar een collega, die de intake doet. Ik moet nu naar het ziekenhuis. Over twee weken zien wij elkaar terug."

Hij bracht me naar dokter Zeg-maar- Klaas. Geen parmantige kordaatheid en een marmeren blik maar zachtbruine afwezige ogen. Hij bleef dromerig staan zwijgen. "U bedenkt waar we nu weer gaan zitten," gokte ik. "Nee, dat weet ik al. Lust je koffie?" Met gloeiende bekertjes langs trappen en rijen dichte deuren bereikten we een witgekalkt ijskoud souterraingewelfje. Dokter Zeg-maar-Klaas rukte aan de radiatorkraan alsof hij een perceel bouwterrein op moest spuiten. "Wil je soms roken? Zeg het hoor." "Nee, maar ga zelf gerust uw gang." Hij stak een zware van de weduwe aan. "Zeg maar Klaas, ik zeg ook jij." Alsof hij vliegen opjoeg sloeg hij door de wolk boven zijn bureau welke in mijn richting dreigde uit te dijen. "Ben jij al psychiater Klaas?" "Neeee co-assistent. De psychiater dat is De Vries. De grote baas. Zullen we beginnen?"

Terwijl ik een slobbertrui over mijn kop heen worstelde vroeg hij: "Waarom ben je hulp gaan zoeken Wim?" Ik trok mijn hoofd door het gat en antwoordde: "Heer Bommel voelt zich volgens ťťn der verhalen in zijn dagelijks leven steeds meer innerlijk opgesloten; in een parallel tijdsconcept met zeer grote vertraging bevindt hij zich namelijk tegelijkertijd onder een druipsteen, maar kan niet snel genoeg bewegen om aan de lekkende kalk te ontkomen want die werkt weer volgens het normale tempo, wat Bommel dus ervaart alsof hij onder de stalactiet wordt ingemetseld."

"Kun je het toespitsen Wim?" Ik trok mijn mouwen aan. "Nou op het laatste moment bikt iemand de hardgeworden kalk voor Bommels mond weg zodat hij niet stikt." De bruine ogen straalden. "Ja maar, ja maar, wat is je concrete probleem?" "Nou dat al mijn ontwortelde gedachten draaien om de vraag wie ik achter mijn ijzeren gordijntje eigenlijk zelf ben. Er is iets wat zich voortdurend aan me onttrekt, daarom zie ik wel wat het levenstoneel verbeeldt, alleen de voorstelling overtuigt me niet." "Weet je ook wat zich onttrekt?" "Nou als je me zo uithoort dan denk ik verrek het lijkt waarachtig wel of ik besta." "En dus?" "Dus ben ik het zelf die zich aan me onttrekt."

De morgen verliep kameraadschappelijk. Ik stak een pijp op. We paften als jongens bij het huiswerk. "Je oriŽntatie op de realiteit is wel goed," mompelde Klaas, "want je weet natuurlijk welke datum het is?" "Ja twaalf december." "En het jaar, weet je ook?" "Ja." Klaas keek me uitnodigend aan en noteerde mijn score. "Moet je soms ook weten of ik aandrang heb om stront te vreten van mezelf, anderen of dieren?" "O dat vergat ik je nog te vragen." De co-assistent begon te blozen. "Of je ook homosexuele gevoelens hebt." "Wat zijn dat?" "Dan heb je ze niet. Goed, ik lees het nu voor om te kijken of je het eens bent." Ik stopte mijn pijp en Klaas draaide een zware.

"CliŽnt is een slanke 35-jarige Nederlander die halverwege de puberteit proza ging publiceren. Zijn klacht is dat zijn scheppingsdrang is ondergegaan in nacht en nevel. CliŽnt is schrijven gaan beleven als anale productiedwang en als hij een gedicht wil maken voelt hij zich een viool zonder snaren." Ik stak de onderlip naar voren en knikte. "Raak getroffen Klaas!"

"Beschrijving eigen karakter: Heer Bommel onder stalactiet, champagne onder kurk, ziekenfondspatiŽnt met recht op psychische rŲntgenologie." "Ja!" riep ik.

"Tegenwoordige compensaties: obsessie voor software en hardlopen om het IJ heen. Vergiftigingen: ťťn glas bier per dag, ťťn pak pijptabek per maand, ťťn keer per jaar marihuana en volgens cliŽnt ťťn keer per leven een overdosis van nog onbekende drugs."

"Ja dat moest erin!" riep ik.

"Geheugen: in tact. Denken: vorm is coherent. Affect moduleert mee. CliŽnt meent dat leven een clou heeft die zich aan hem onttrekt. Popmuziek en godsdienst geven gevoel niet te mogen bestaan. Hallicunaties: geen."

Terwijl hij sprak begon ik in de co-assistent ineens een notaris te zien die voordroeg uit een testament. Een oordeel over het leven. Met gebogen hoofd liet ik tranen toe. Ik zag schuins dat hij een lontruikende blik op me wierp. "CliŽnt voelt afdruk van God in persoonlijkheid. Het woord van God luidt: Zo spreekt de Heer, het geeft niet dat je een lul bent want Ik ben Zelf ook een lul."

Ik grinnikte. Zijn ogen lachte mee maar het optrekken van ťťn wenkbrauw boodschapte: sapperloot. Ik hield een hand voor de ogen en jankte. "Moet ik ophouden?" Ik schudde met duim en wijsvinger tussen mijn ogen wild neen. "Ik wil best ophouden hoor!" "Tuurlijk niet! Je moet doorgaan!"

Toen het vonnis volledig was voorgelezen sprak ik mijn tevredenheid uit over de formulering en vroeg om een fotokopie. "Vanzelf," zei Klaas, "het is jouw tekst."

Twee weken later op de eerste reguliere sessie schonk therapeut Jansen mij een wijsheid: "Het is in het leven als bij het theater. Als je een sublieme voorstelling verwacht valt het tegen, maar als je weinig verwacht valt het mee." "Is dit nu Rogeriaanse therapie?" informeerde ik. Hij trok licht zijn schouders op. "Tja, die termen betekenen zoveel. Wat is voor uw Rogeriaans?" "Wat is de doelstelling van de therapie precies?" "Wat is de doelstelling voor u?" Het halfuur was om. Twee weken later was Jansen vervangen door een vrouw. Dokter Ephelida. Plooirok, zwarte nylons, sproeten en grote antilope-ogen die van de verkoudheid hemeltergend vochtig glansden. Met twee handen om haar bekertje heen nam ze koffie in en zei op een toon of ze partij voor me koos uitsluitend: "Ngngng, ngngng." Ik vroeg of de fotokopie van dokter Klaas er eigenlijk al was. Ze verwees me hiervoor naar haar opvolger, dokter Strikt. Deze verwees me naar dokter Bloemenveld, een iel meisjesstudentje.

Na oefenmateriaal te hebben geboden aan nog diverse andere stagelopers kreeg ik eindelijk een volwassen man. Dokter Lammergier. Die duwde op de eerste zitting zijn kin in zijn baard en vroeg booskijkend schor: "Wŗt zit u nou eigenlijk precies zo dwŗrs?" "Dat ik met de meetlat van de grote psychiatrie te laag ben ingeschaald: bij een klas gespreksamateurs. Dat ik geen psycho-analyse kreeg. En dat ik steeds wordt doorverwezen voor die fotokopie van mijn intakeverslag. Dat is vandaag al een jaar oud."

Lammergier sprong overeind en rukte aan het raam. "Ach meneer Heins, psycho-analyse, intakeverslag... Komt u eens naast mij staan." Ik trok een extra trui over mijn hoofd. De gouden lier op het Concertgebouw straalde in de zon. Ik ademde vrieswolkjes uit.

"Wat ziet u dokter?"

"De stad!" klonk het perplex, "zonovergoten daken. In de verte een carillon. Hoort u wat het tingelt? Een schone stille nacht..."

Ik keek over de rand en zag beneden een vrachtrijder kerstbomen uitladen voor het ziekenhuis.

"Het leven," zei Lammergier, "speelt zich niet af in het verleden, meneer Heins, maar ginds." Hij wees door het open raam op Amsterdam. "Ginds, in de stad!"

Lammergier sloot weer het raam.

"U krijgt geen fotokopie."

"Maar het zijn mijn woorden, het enige wat me hier heeft ontroerd." "De medische intake is eigendom van de Valerius Kliniek. Wij vinden dat uw verhaal uw genezing belemmert. Dat krijgt u dus niet van ons mee. Het staat vol negativiteit. Dat maakt uw pijn voor de toekomst maar groter, waarna u weer nog negatiever zult denken. Ziezo, meneer Heins, de tijd is om. Tot ziens."

Op Oudejaarsdag heb ik gebruik gemaakt van mijn inzagerecht. "Handgeschreven," zei Lammergier, met een gezicht van zure sherry, en reikte mij het intakeverslag aan van dokter Zeg-maar-Klaas. Ik las tot aan de zin: "Zo spreekt de Heer, het geeft niet dat je een lul bent want Ik ben Zelf ook een lul."

"Wat doet u daar?" vroeg Lammergier. "Ik noteer mijn associaties." Lammergier ging verstoord verzitten. "U mag het niet overschrijven, denkt u er om? De medische gegevens blijven in de status. Ik waarschuw u voor het laatst. Het zijn negatieve impulsen die uw genezing tegengaan. Over vijf minuten wil ik stoppen." "Ik ben nog niet klaar Lammergier. Als u in deze kamer moet werken ga ik wel ergens anders heen."

"Nee dat hoeft niet."

"Bent u bang dat ik ermee wegren?"

"Nee daar gaat het niet om?"

"Waar gaat het dan om?"

"Dat u ook rekening houdt met mijn tijd!"

"We zijn twintig minuten te laat begonnen."

Ik schreef geforceerd ontspannen verder. Bij elke volle bladzij keek Lammergier toorniger. Ineens vroeg hij storend: "Wat zal ik de huisarts over u schrijven?" Moest daar nu over nagedacht worden? Ik was ook eigenlijk net gek. "Luister eens Lammergier, schrijft u maar dat de behandeling van de kleptomanie is stukgelopen toen de patiŽnt wegrende met de tekst van het intake-verslag." Ik stak het werk van Klaas in mijn binnenzak en stond op. Ook Lammergier verhief zich. "Meneer Heins! Houd u zich aan de regels!" Ik rukte de deur open en sprong van de trap. Zijn schorre hoekige stem galmde iets van "levenslang nadeel van". Beneden glipte ik de gang naar het ziekenhuis in en slipte de hoeken om. "Houdt die patiŽnt tegen!" brulde Lammergier.

De hoofdingang van de Valerius Kliniek had automatische glazen deuren. Zou de portier die uit kunnen schakelen?! Buiten op straat trad ik in mijn normale looppas. Toen ik omkeek zag ik dat Lammergier warempel ook naar buiten jogde. Een ogenblik later leek het of hij op me vuurde.

Maar dat was een zevenklapper.

Bij het Concertgebouw had ik hem afgeschud. Ik droom nog steeds dat hij me inhaalt, daar waar het leven zich afspeelt, ginds, in de stad.

WIM HEINS

Terug naar Verhalenoverzicht