Terug naar Dagboekenoverzicht
Onderdeel van Kijkaan.nl

  DE WEG 

 Oorlogs-Dagboek 

  Pieter Oostervink 

1895-1973


DE WEG - OORLOGSDAGBOEK VAN PIETER OOSTERVINK
(laatste vijf maanden Tweede Wereldoorlog)
wonende 1e Disteldwarsstraat 2, Amsterdam-Noord.
(In 1992 door diens kleinzoon Peter Oostervink via WordPerfect verwerkt en in kleine oplage vermenigvuldigd).

INHOUD
Inleiding Hongerwinter
Hongertocht, winter en bijna dood
Schoolmeester in Watergang
Gezinssituatie (razzia)
Hongertochten Voorjaar 1945
Boeren en Hongerwinter
Boeren met een Hart
Begeerd Hondenvoer
Voedselvliegtuigen
5 mei 1945
Vrede
Wraak
Gezin herenigd

 


 


  HONGERWINTER (inleiding)  

Dit is het verhaal der laatste vijf maanden van die verschrikkelijke oorlog, die zovele jaren geduurd heeft.
De laatste vijf maanden waarin de ellende en de smart zich toespitste in een verschrikkelijke hongersnood. Deze laatste vijf maanden waarin het uithoudingsvermogen van de mens op de uiterste proef werd gesteld. Deze laatste vijf maanden waarin de mensen naar buiten gedreven werden op zoek naar voedsel.
En hoevelen van deze mensen hebben de eindstreep niet gehaald. Hoevelen zijn er niet bezweken op die geweldige tochten, die zich vaak tot honderden kilometers uitstrekten. Voortgedreven door de honger, op en met alle mogelijke voertuigen. Belaagd en bestolen door de moffen en hun knechten: de S.S., W.A. en andere aanhangers van dat helse fascisme.


 

Zo werd de weg een obsessie, een lijdensweg, waarover men het liefst niet sprak.
Men ging, door de ontzettende nood daartoe gedwongen. Maar over de weg die men ging werd niet gesproken. Hoe men ook ging, het was altijd een weg vol angsten en gevaren. En velen zijn dan ook op die verschrikkelijke kruisweg bezweken.

 

En al is er in dit verhaal alleen maar sprake van één gezin, dit is het verhaal zoals het was in tienduizend gezinnen.

 

Volledig is dit verhaal niet, want dan had ik bij het begin moeten beginnen. Toen ik, thuiskomende, Moeder in tranen aantrof. Er waren geen aardappelen meer. En het was nog wel Moeders verjaardag, 19 januari 1941.
Zo was het begin voor ons, en zeer zeker ook in duizenden andere gezinnen. En aldoor meer begon er aan de boodschappenlijst te ontbreken. En feller werd de jacht om dit ontbrekende aan te vullen. En aldoor meer werd er van het uithoudingsvermogen gevergd van hen die er op uitgingen dit ontbrekende voedsel te halen. En feller werd de strijd bij het voortschrijden der jaren. En aldoor werd het moeilijker de handlangers van het vervloekte regime te ontlopen. Als ratten loerden zij op hun prooi.
Eenmaal liep ik in de val bij Avenhorn. Ik had wat aardappelen en uien op mijn fiets, toen ik werd aangehouden door zo'n volijverige dienaar van de heilige Hermandad. Deze nobele heer vond het nodig mij mee te nemen en mij van mijn vrachtje te beroven. Prompt volgde daar nog een boete op van vijfenveertig gulden, mij opgelegd door de toenmalige burgemeester van Alkmaar. Bij niet betaling opzending naar een concentratiekamp.
En deze aanhoudende strijd van jaren, waarbij geen gezucht of rumoer gehoord werd, waarbij geen helden en heldinnen op de voorgrond traden, deze ontzettende strijd vond zijn hoogtepunt in de laatste vijf maanden.


  HONGERTOCHT EN BIJNA DOOD  

Eindeloos ligt de weg voor me, triest en verlaten. De vruchtbare bouwgronden, waarin het winterkoren te sluimeren ligt, liggen weggeborgen onder een dikke laag bevroren sneeuw. Mijn dag is niet zonder succes geweest, ondanks de slechte voortekenen in de vroege morgen. Het stuk slang dat als voorband dienst deed, is hopeloos aan flarden. En daar sta ik in de vroege morgen in felle kou met een hopeloze fiets. Maar ik moet verder, heb geen keus. En voorzichtig rijdend, trap ik de troosteloze Beemster in. Mijn maag en die van mijn huisgenoten staan geen enkel uitstel toe. De honger is nijpend en zachtjes aan op het hoogtepunt gekomen.
Fel is de kou en lang is de weg. De gehele omgeving, de wegen, het ondergelopen land, dat nu hard bevroren is, de honger, dat alles is hopeloos en troosteloos. Maar ik ben verder gegaan omdat het moet. En nu ben ik op de terugweg, moe en eenzaam.
Mijn dag is niet slecht geweest. Ik had aardig wat karweitjes opgeknapt bij de boeren. En zo had ik een aardige vracht erwten, bonen en tarwe bij elkaar gewerkt. Solide had ik mijn dertig kilo vracht op mijn meer dan wrakke fiets gebonden, zodat er in geen geval iets van af zou kunnen raken.
Eindeloos ligt de weg voor me, triest en verlaten. Doch het geeft mij altijd een innerlijke vreugde, wanneer ik zulk een kostbare vracht thuis kan brengen. Dan zie ik de blijde gezichten van Moeder en de kinderen voor mij opleven. Zal ik er ook nu mee thuiskomen? Ik weet het niet. Ik ben zo moe, zo ontzettend moe. Ik kan bijna niet verder. Met verlangen kijk ik naar de hofsteden langs de weg. Als ik daar eens woonde of daar, peins ik zo. Daarbinnen is warmte, gezelligheid, geen honger.
Voorzichtig, uiterst voorzichtig stap ik op.
En dan begint een van de zwaarste tochten, die ik in die vijf rampjaren heb meegemaakt. Drie kilometer houd ik het vol, maar dan moet ik afstappen. Ik heb ontzettende kramp in mijn armen en borst. Het bloed bonst in mijn slapen. En versuft blijf ik een ogenblik, steunend op het fietsstuur, staan.
Midden-Beemster, vriendelijk dorpje in de gulden zomer. Wanneer de hoefsmid zijn daverende slagen doet neerdalen op het gloeiende ijzer, met dreunend geluid. En de boeren zich voorthaasten om hun werktuigen bij de smid te laten repareren. Landarbeid duldt geen uitstel. Midden-Beemster met het vriendelijke kerkje en spitse toren en het gezellige koffiehuis; het was altijd mijn eerste en laatste aanleg.
Maar nu is het er eenzaam en verlaten, het doet koud en vijandig aan. De mensen zijn veilig weggeborgen in hun warme huizen en naar mij, de eenzame trekker, kijkt niemand om. Waarom zouden ze ook? Ik zoek beschutting in een hoek van het koffiehuis, waarvan de ruiten hardbevroren zijn. Het koffiehuis zelf is gesloten. Er is toch niets meer te koop. Maar in die hoek sta ik tenminste uit de wind. Vlug eet ik een stuk tarwekoek met suikerbiet. Gelukkig, dat ik dat nog heb. Ik doe zo zuinig mogelijk en berg een stukje weg voor later.
Moeizaam ga ik verder. Nog zes kilometer voordat ik in Purmerend ben.
Onophoudelijk glijdt mijn bandeloze fiets onderuit en heb ik de grootste moeite om hem op de spiegelgladde weg recht te houden. Ik beef van inspanning. Bij het Stoomgemaaltje, een kilometer voor Purmerend, houd ik stil. Ik moet even rusten. Het kan niet lang zijn, want ik transpireer hevig en de kou is fel. Ik draai een sigaret en kijk om me heen. In de snel opkomende duisternis doet alles nog triester, nog hopelozer aan. Over de ijsvlakte van het ondergelopen bouwland hangt een witte waas. Een eenzame vogel wiekt naar onbestemde verte en verdwijnt snel uit het gezicht. Een kat springt uit het vensterloze raam van een scheef gezakte tuinderswoning. De mensen zijn allang vertrokken, alleen de kat is gebleven. Gek dat ik dit alles zo scherp opneem. Alsof ik dit alles voor de eerste maal zie. Mijn sigaret is op en ik ga weer verder. Ik heb nog niet kunnen besluiten of ik in Purmerend blijf slapen of door blijf lopen tot, ja tot hoe ver eigenlijk.
Moeizaam beklim ik de hoge kluft, ga de "Brug der Zuchten" over en strompel Purmerend binnen. Ik ben doodmoe, en toch kan ik er niet toe komen in het stro van een stal te gaan slapen. Met schrik denk ik aan het moment, dat ik in de vroege morgen weer verder moet, nog vijftien kilometer. En in mij leeft zo'n groot verlangen naar thuis, dat ik onwillekeurig maar door blijf lopen. Ik wil zo dicht mogelijk bij huis zijn en in Ilpendam overnachten, dat scheelt zes kilometer.
Strak staar ik over de maanverlichte weg. Aan de ene zijde het kanaal, als een brede zwarte streep, aan de andere zijde het wazig, maanovergoten polderland. Voorzichtig glijdend en schuifelend over de spiegelgladde weg ga ik verder. De hardbevroren sneeuwrichels langs de kanten van de weg zijn niet meer te onderscheiden. Ieder ogenblik glijdt mijn fiets weg en ik heb de grootste moeite om hem recht te houden. Nog voor de spoorbrug slaat mijn fiets om en ik heb de grootste moeite om hem overeind te krijgen. Bij de brug staan twee moffen op wacht. Diep in hun kragen weggedoken benen de twee weldoorvoede zonen van het Herrenvolk, tegen de kou heen en weer. Ik vraag hoe laat het is. "Kwart nach sechs," zegt een der moffen. Kwart over zessen, denk ik. Als ik nu zou kunnen doorlopen zou ik zeker half tien thuis zijn. Ik snak ernaar, maar het is onmogelijk. Om zeven uur moet je al binnen zijn.
In het bleke, koude maanlicht doen de boerderijen langs de weg geheimzinnig aan. De scheiding tussen licht en schaduw is zeer scherp en geven de hofsteden een onwezenlijke vorm. Het zijn spelonken of kastelen, de woonplaatsen van dwergen en kobolds. Ik ben er zeker van ze direct te zien verschijnen om elkaar te bekampen en hun nimmer eindigende vete te beslechten. Dat is hun straf. In mijn overspannen verbeelding zie ik duidelijk gedaanten, die zich uit de schaduwen los maken. Ook over het wazige polderland zweven gedaanten van zonderlinge vorm. Ze maken allerlei gebaren en wijzen in alle richtingen. In gespannen aandacht kijk ik toe. Dan is alles plotseling verdwenen en is het of ik uit een diepe droom ontwaak. Ik bemerk dat ik heb stilgestaan en dat is zeer gevaarlijk. Ik maak me ongerust. Ik moet ondanks alles bij mijn positieven blijven. Ik spreek mezelf moed in en probeer mijn gedachten op de weg te concentreren. Nog twee kilometer dan ben je in Ilpendam, zo spreek ik in mezelf. Vooruit man, daar kun je maffen in de schuur achter de kerk. Vooruit moed houden. Ik let op de tramrail, ik kijk naar landhekken, die me zo goed bekend zijn. Maar dan dwalen mijn gedachten weer af en ik waan me in de poolstreken. Vooruit moed houden, nog twee dagen en dan ben je in het kamp. Wat zullen de kameraden blij zijn. Als ze nog maar in leven zijn. Vooruit wolf trekken. Toch een beste hond. Een vreemde kan hem niet benaderen, maar ik kan alles met hem doen. Wat doe ik eigenlijk in de poolstreken? Ik begrijp maar niet hoe ik daar gekomen ben. Droom ik soms? Lekker gaat het zo. Wacht ik zal op de slee springen. Met een slag lig ik op de hardbevroren weg. Mijn fiets ligt in de grasberm van het kanaal. Een ogenblik blijf ik languit liggen. Ik druk mijn gezicht in de kromming van mijn armen. Ik ben moe, zo ontzettend moe. Ik voel een scherpe pijn in mijn ellebogen. Het is de kou, die langs mijn blote handen naar boven trekt. Moeilijk sta ik op en versuft blijf ik een ogenblik staan. Dan trek ik mijn fiets op de weg en strompel verder.
Ilpendam ligt in een diepe schaduw. Neen, hier blijf ik niet. Ik loop door naar Watergang, dat scheelt weer twee kilometer. Ik ben te versuft om over de gevolgen na te denken. Ik weet niet eens of daar wel onderdak te krijgen is. Ik loop en blijf maar doorlopen. Het is het onbewuste verlangen naar huis, dat me voortdrijft. Naar huis met mijn kostbare vracht. Even komt er een gevoel van voldoening over me. Maar dit flauw opvlammende bewustzijn verdwijnt spoedig. Ik blijf strak voor me uit staren.
Dan zie ik zeer duidelijk het druk beweeg van handkarren en fietsers. Allen etenhalers. Ik begrijp er niets van. Ik loop zo hard als ik kan. Ik zal er een inhalen, dat is gezelliger. Ik schreeuw zo hard ik kan, maar niemand kijkt om. Ik loop en glijd zo vlug mogelijk, maar ik vorder niet. Een stekende pijn in mijn borst doet me stilstaan en tot bezinning komen. Het visioen is verdwenen. Een ogenblik sta ik stil. Mijn hart klopt als een stoomhamer. Dan ga ik weer verder. Een eenzaam mens in de kille wereld.
Met moeite sleep ik mijn fiets het bruggetje over en strompel Watergang binnen. Hier zal ik wel onderdak vinden. Natuurlijk zal ik dat. Daar ben ik van overtuigd. Wie zal mij in de ijzige kou buitensluiten? Niemand toch?
De huizen zijn goed verduisterd. Geen straaltje licht schijnt naar buiten. Ja toch, ik zie een kiertje en tuur naar binnen. Ik zie een vrouw en een man. De vrouw loopt in haar nachtjapon en de man in zijn ondergoed. Ik tik tegen de ruiten en zie een schriktrek op het gelaat van de vrouw komen. De man loopt naar het raam en vraagt wat er is.
"Geef me onderdak voor de nacht", vraag ik, "ik kan niet meer."
"Hier kunnen we niemand hebben", zegt de man, "maar loop nog een stukje door, dan zie je een school, daar kun je onderdak krijgen."
Een gevoel van doffe wanhoop komt over me en langzaam zink ik weg in het onderbewuste. Ik lig op mijn rug en staar naar de sterren. Een heerlijk gevoel van rust en warmte komt er over me. De zacht fluwelen hemel is bezaaid met miljoenen sterren. Het kille maanlicht heeft daar geen invloed op. Ik zie ze duidelijk. Ik kijk er strak naar. Ik kan mijn ogen er niet vanaf houden. Dan krijg ik een vreemde gewaarwording. Ik waan mij liggend in een bakfiets, die met grote snelheid langs de weg wordt voortbewogen. Het geschommel houdt niet op. Ik ga rechtop zitten en wil vragen waarom het zo hard gaat.

  SCHOOLMEESTER WATERGANG  

En dan dringt het langzaam tot mij door, dat er iemand aan mijn armen staat te trekken. Het geluid van een stem, die mij roept doet me geheel tot bewustzijn komen. "Sta op kerel, je bevriest hier." En de man blijft doorgaan met trekken en duwen. Moeilijk rijs ik overeind.
"Loop nu nog tweehonderd meter", zegt de man bemoedigend, "dan zie je een school en daar is onderdak voor trekkers." Hij duwt mijn fiets tegen me aan en legt mijn handen op het stuur.
"Vooruit nou", zegt hij bars, "en niet meer gaan zitten, dat is je dood."
Hij klopt eens op mijn schouder en geeft mij een duwtje. Moeilijk strompel ik de weg weer op. Ik dwing mezelf tot scherp opletten, maar het is een hopeloze taak. Alle gebouwen zijn één van vorm in het kille maanlicht.
Wanneer ik voor de zoveelste maal een dam of bruggetje overgelopen ben, bemerk ik, dat ik eindelijk voor de school sta. De heldere klank van de trekbel is muziek in mijn oren. En als de vriendelijke stem van een dame mij vraagt wat ik wens, weet ik dat ik voor de nacht geborgen ben. "Kom binnen," zegt een gulle mannenstem. Wankelend ga ik de treden van de stoep op en sta in de schoolgang.
"Heb je niets bij je?" vraagt de man. "Ben je op een fiets of met een kar?"
Versuft staar ik naar de man, die nauwelijks te zien is bij het vage schijnsel van een walmend oliepitje. Dan dringt het tot me door dat ik een fiets gehad moet hebben.
"Nou", zegt de man, "wat zullen we hebben?"
"Een fiets", zeg ik, "maar die zal nog wel voor de school staan. Ik zal hem even halen."
"Welnee", zegt de man, "dat zal ik wel doen. Ga daar maar naar binnen." In het schoolkamertje staat een grote kachel lekker te branden. Het is er zalig warm."
Iemand zet een stoel voor me neer, waarop ik neerval. Er hangt een waas voor mijn ogen en ik kan niets duidelijk onderscheiden. Iemand naast mij vraagt: "Ben je moe, meester?"
Ik knik alleen maar van ja. Een vriendelijke beschaafde stem vraagt of ik iets te drinken wil hebben en geeft mij een beker met hete thee. Langzaam ontdooi ik, de mist voor mijn ogen trekt op. En ik begin mijn omgeving duidelijker te onderscheiden. Weer klinkt de beschaafde stem. Het is de stem van de Meester.
"Dat zal smaken," zegt hij en hij geeft me een vlug opgewarmd hapje eten.
"Dat smaakt wel", zegt hij nog eens. "Je komt zeker van ver, is het niet? Gelukkig dat ik toestemming heb gekregen om een lokaal voor trekkers in te richten."
De Meester praat door. "Hier, deze twee mensen komen helemaal uit Rotterdam."
Ik kijk op. Ik krijg weer belangstelling in mijn omgeving. Buiten mij zijn er nog vier andere mensen. Een jongeman en een jonge vrouw, een oudachtige man, die voorover zit te dutten en naast mij een lange, buitengewoon magere man. Hij heeft mij een sigaret gegeven. Het jonge vrouwtje vertelt: "We komen helemaal uit Rotterdam. Daar is het zo slecht, veel slechter dan in Amsterdam. We gaan naar Medemblik, naar familie."
"Ja", zegt de jongeman, "de fietsen zijn zo slecht, dat je nooit vooruit kunt zeggen of je er wel komt."
Dan herinner ik mij. "Mijn fiets, waar is die?"
"Maak je maar niet ongerust", zegt de man met de gulle stem, "die staat al in de gang. Een beste vracht heb je. Allemaal bonen?"
"Nee", zeg ik, "ook tarwe en twee kolen."
"Je hebt een goede reis gemaakt meester, zeker geruild hè?"
Ik vertel van mijn werken bij de boeren. En van mijn reizen en zorgen en van mijn hopeloze fiets. De mensen luisteren zwijgend. Ze kennen de ellende en hebben dezelfde zorgen.
De man met de gulle stem is de schoolwacht. Hij stookt de kachel en verzorgt de trekkers. En hij doet dat met hartelijke gulheid. Hij vertelt:
"Zo maakte ik eens een reis naar de Wieringermeer, die me nog lang zal heugen. We waren met z'n drieën. We trokken aan één stuk door naar Hoorn met een kar. En een weer, mensen, de regen was niet van de lucht. Gelukkig kregen we in Hoorn van de gaarkeuken een hap eten. En het eten was daar best. Daar zat zelfs nog vlees in. Maar we moesten onderdak hebben voor de nacht."
Hij vertelde verder en gezellig klonk zijn stem in het kleine kamertje. Langzaam doezel ik weg en vaag dringen brokstukken van z'n verhaal tot me door.
Iemand stoot me aan en met een schok ontwaak ik.
"We moeten gaan slapen mensen", zegt de schoolwacht, "De kachel kan niet langer blijven branden en in het gymlokaal ligt stro."
Moeilijk en met tegenzin sta ik op. Als ik in de gang kom lijkt het of ik in een ijskelder loop. In het gymlokaal vriest het net zo hard als buiten en het stro is ijzig koud. Ik graaf me diep in en gooi mijn jekker over me heen. De ijzige kou van het stro dringt door mijn kleren heen tot op mijn lichaam en mijn nat bezwete ondergoed bedekt mij als een pak ijs. In de stille nacht hoor ik zachte fluisterstemmen:
"Lig je wel warm, Truus?"
"Gaat wel", zegt het jonge vrouwtje. "Zouden we het morgen wel halen, het is nog zo ver."
"O ja, als we bij tante zijn is het leed vergeten," fluistert de jongeman. Dan het zachte geluid van een kus.
Langzaam lig ik te verstijven. Door allerlei bewegingen tracht ik mijn bloedsomloop te versnellen. Dan ontfermt de slaap zich over mij.
Vijf uur in de morgen. Het vriest hard. Moeilijk sleep ik me voort langs de spiegelgladde weg. Ik voel me ziek en moet na iedere twintig passen stilstaan. Ik ben slap van de honger. Bij de zak met tarwe kan ik niet komen zonder eerst alles af te binden en daar ben ik niet toe in staat. Maar op mijn stuur hangt het zakje met de twee rode kolen. Door een gat in de zak trek ik een blad van een kool en ga erop kauwen. Het smaakt bitter, maar als ik door blijf kauwen wordt de smaak vanzelf beter en langzaam eet ik het rauwe koolblad geheel op.
"Meneer", klinkt een zachte stem, "zou u misschien even willen helpen?"
Het zijn twee meisjes met een trekkarretje waarop een paar gevulde zakken liggen. Er is een wieltje losgeraakt en ze zien geen kans het er weer aan te zetten. Ik luister niet eens, maar blijf doorlopen. Het is De Weg die mij beet heeft. De Weg, waarop een ieder voor zichzelf vecht en niet omziet naar een ander.
De weg is volkomen veilig. Geen Groenen of Zwarten of andere dieven. Het zal de heren te vroeg of te koud zijn. Ze hebben trouwens nog de gehele dag om te roven. Dicht bij huis zet ik mijn fiets tegen een muur en blijf even rusten. Ik wil trachten er zo goed mogelijk uit te zien, opdat Moeder omtrent mij geen meerdere zorgen zal hebben.


  GEZINSSITUATIE (en razzia's)  

De dagen glijden voort in troosteloze droefheid. De rantsoenen zijn precies afgepast. Moeder heeft overal de maat voor en wij vinden het allang goed. Ik vraag nooit hoe het met de voorraad staat. Ik verschuil me maar achter Moeder. Als er weer gehaald moet worden hoor ik het wel.
Triest zijn de dagen. Wim is iedere dag ijverig in de weer. Piet en de meisjes gaan naar hun werk en zwijgen. Ze verdragen de toestand geduldig. Alleen Wim werkt niet. Het is te gevaarlijk met de razzia's. Piet houdt nog vol, maar is ieder ogenblik gereed om te verdwijnen. In de vroege morgen trekt Wim erop uit. Hout halen in de parken. Het is natuurlijk streng verboden, maar het noodfornuisje moet blijven branden, hoe dan ook. Ook het schrapen en raspen van de suikerbieten is een werkje voor Wim. Hij schraapt en raspt en kookt de bieten, maakt stroop van het bietenwater, schilt de aardappelen als er zijn, stookt het fornuisje en is voor ons in alle dingen onmisbaar.
"RAZZIA." Verschrikkelijke kreet. De angst kruipt ons naar de keel. "RAZZIA, Wim verberg je. De groene ploerten zetten de buurt af."
Wim rent naar boven, naar het gat in de muur. Moeder en ik turen naar buiten. Op gestolen fietsen komt het geboefte aanrijden. Rijden voorbij. Goddank, nog zijn wij niet aan de beurt. Angst, elke dag opnieuw.
Stil beweegt Moeder zich door het huis. Ze wil dapper zijn en houdt zich goed. Ze is erg vermagerd. Ze is onze moeder, ze is onze spil waar alles om draait, ze regelt alles en wij helpen. De avond brengt ons allen bij elkaar. We eten wat er is en slikken het walgelijke voedsel van de centrale keuken. Het is nog te slecht voor de honden. We eten zwijgend. Er wordt zo goed als geen woord meer gesproken. Geen druk en vrolijk gepraat of gezang of geredetwist. Alleen een somber stilzwijgen. Piet, de ondernemende, laat zijn hoofd in beide handen rusten en zwijgt of maakt een korte korzelige opmerking. Wim, de vrolijke zanger, de grapjas, zwijgt. De meisjes zitten stil bij elkaar, hebben geen lust in enigerlei werk. De fut is er uit en niemand heeft nog lust de carbidlamp schoon te maken. We branden een theelichtje gevuld met dieselolie. Een somber irritant licht. Zo gaan de avonden voorbij in troosteloze droefheid en drukkende stilte. Buiten klinken soms schoten.

Piet is weggegaan. Hij vindt het voor ons een verlichting. Moeder en ik hebben daar nog niet aan gedacht. We delen wat er is, zonder meer. Ik voel het als een verlies. Een jonge kracht de deur uit. Hij zorgde toch ook, zoveel hij kon. Zorgde voor de verlichting en probeerde verbeteringen aan te brengen. Maar nu is hij weg. De directeur van het bedrijf waar hij werkzaam was, heeft hem een tip gegeven. En hij is gegaan. Wil nu proberen over de IJssel te komen. God zij met hem.
Het leven gaat voort. De mensen bewegen zich traag en loom. Geen druk gehaast van zich vlug voortbewegende mannen of vrouwen. Geen juichende en spelende kinderen op de straten. Het zijn net beelden uit een vertraagde film. De honger tekent zich scherp op de gezichten af. De ruggen zijn gebogen. Ik kijk naar Wim en Lien. Wim loopt allang niet meer rechtop. Als hij de deur uitgaat met zijn zak op de rug en bijl om hout te hakken, kijk ik hem na. Hij is smaller geworden. Lien heeft donkere kringen onder haar ogen. Ze ziet wit. Ik maak me bezorgd om die twee. Maar wat kan ik nog doen? Ik heb totaal geen kracht meer. Ik word iedere dag zwakker. Ik ben niet meer in staat een houtje te hakken. Ik probeer het nog wel, maar moet het direct opgeven. Mijn armen zijn volkomen krachteloos. Ik ben al eens naar de dokter geweest. Maar wat kan een dokter nog adviseren. Hij kan immers totaal niets voorschrijven. Medicijnen zijn er niet meer. Het is genezen uit jezelf, of sterven. En er sterven dagelijks tientallen mensen de hongerdood. Er zijn zoveel doden dat ze niet alle begraven kunnen worden. Hout voor kisten is er niet meer. De lijken worden opgebaard in de kerken of blijven liggen waar ze gestorven zijn. En de riolen in de straten van de grote stad borrelen over en versprijden een verpestende stank.
Ik tuur naar buiten. De bakker op de hoek heeft zijn ramen gebarricadeerd met zware luiken. De gemeenteklok op het plein staat al lang stil en wijst hardnekkig kwart over tien aan.
We hebben zojuist ons eerste doodsbericht gehad. Spoedig gevolgd door een tweede. Beide uit Weesp. Onbereikbaar voor ons.
Langzaam daalt de avond over het plein, dat volkomen verlaten ligt. De sterren twinkelen aan de heldere vrieshemel. En van hun enorme hoogte kijken ze uit over de bloedende aarde. Stil komt Moeder bij me staan. Onze gedachten doorzweven de kamer en voegen zich samen. Moeder spreekt het uit: "Waar zal onze jongen zijn?"
We schrikken op, een horde groenen komt uit een der straten het plein overgereden. Ze rijden verder. De hardbevroren sneeuw knistert onder hun banden. Goddank, ze rijden door. Wim zet de verduistering voor de ramen. Het is eigenlijk niet eens meer nodig. We zouden de overgordijnen ook wel zo toe kunnen schuiven. We doen het uit gewoonte. En bij het sombere oliepitje zitten we stil bij elkaar.
Een vrouwengil klinkt luid op. Stemmenrumoer dringt tot ons door. Dan is het even stil. We horen duidelijk het zware schoengestamp en de kort afgebeten commando's der groene bandieten, die hun jonge slachtoffers wegvoeren naar het Germaanse Inferno. Dan klinkt weer luid op: het gillen van de vrouw.

Ik ben ziek geworden. Het is eindelijk zo ver gekomen. Een ontzettende moeheid is over me gekomen. Ik val neer op mijn bed, niet in staat meer om op te staan. Ik wil me verzetten, maar kan niet. In razende woede gil en schreeuw ik het uit. Wanneer ik tot bezinning kom merk ik dat Moeder mijn hand vasthoudt. Ze spreekt woorden van troost. Ik luister er stil naar als een kind. Er is grote kracht in Moeder en haar geloof.
De dagen gaan verder. Het leven gaat langs mij heen. Het is net of ik er geen deel meer aan heb. Wim doet zijn werk van alledag. Hij heeft nu gelukkig een vriend die hem helpt met houthakken. Moeder doet stil haar dagelijkse bedoening. Immy en Marie komen en gaan stil, heel stil. Lien haalt haar dagelijkse schoolmaaltijd. Ze zegt er niet veel van. Maar soms wordt het haar te machtig. Dan rilt ze ervan.
De dominee is ons komen opzoeken. Hij is vriendelijk en praat gezellig. Maar hij kan de toestand ook niet veranderen. En toch wil hij helpen. En hij doet het ook. De meisjes krijgen door zijn bemiddeling een betrekking in het tehuis voor ouden van dagen.
Ze zijn gegaan, alle twee. Immy met haar pijnlijk, zwerende vinger, die maar niet genezen wil. En Marie, het woelige, altijd drukke meisje met grote schrikogen. We voelen het als een pijn. We kunnen ze niet missen. Ze vragen of ze weer thuis mogen komen als er genoeg te eten is. Wanneer zal dat zijn? De oorlog zal wel niet eeuwig duren, maar zal ik dat einde nog beleven?
Het is nu stiller in huis. Maar nu de meisjes weg zijn, verlicht ons dat wel. We zijn nu nog met z'n vieren. De rantsoenen die Moeder ons voorzet zijn iets ruimer. Het is nu geen theeschoteltje, maar een ontbijtbordje met groene erwten, dat Moeder ons 's morgens voorzet. Maar dat zal wel minder worden als mijn ziekte niet vordert.
Buiten ligt de, nu vergoorde, hardbevroren sneeuw over het wegdek. Het is bitter koud buiten. We hebben alles opgestookt, wat we maar kunnen missen. Het noodkacheltje moet blijven branden, hoe dan ook.
De schoorsteen van de bakker heeft gerookt. Dus morgen is er brood verkrijgbaar. Een half brood per hoofd per week. Vijf uur in de morgen staan de eerste mensen voor de deur van de bakker. Vijf uur in de morgen vormen de eerste mensen, uitgehongerd en verkleumd al een rij voor de deur van de bakker. Met het voortschrijden van de tijd wordt de rij langer. Mannen, vrouwen en kinderen; zij wachten tot de deur open zal gaan, stil en zwijgend. In de felle kou wachten zij op het half brood per hoofd per week. Ook Moeder staat in de rij en Wim. Een groot medelijden met Moeder en Wim komt in me op. Ik kan ze zien staan. Mijn hart breekt. Dat gaat niet langer zo. Ik ga rechtop zitten en laat me op de vloer glijden. Ik houd me aan de tafel vast. Alles in de kamer draait en zwaait om me heen. Toch blijf ik staan en schuifel langzaam de kamer rond. Dat was een hele inspanning, maar het ging. Dan wordt er geklopt. Ik trek mijn jas aan en open de deur en voor me staat een kind. Het kind kijkt me vragend aan. In die lichte, grijze ogen lees ik al het leed en verkommering van deze verschrikkelijke tijd. Langzaam schud ik mijn hoofd. "Ik heb niet kind," zeg ik moeilijk. Zwijgend gaat het kind verder. En Moeder en Wim staan in de ijzige kou in de rij. Een half brood per hoofd per week.
Verkleumd komen Moeder en Wim binnen. Moeder gaat bij het fornuis zitten; ze moet bijkomen. Wim is alweer in de weer. Hij maakt stroop van bietenwater.


  HONGERTOCHTEN VOORJAAR 1945  

Het voorjaar zet vroeg in. De zon krijgt al kracht. Het water van de smeltende sneeuw vormt kleine beekjes en meertjes, die langzaam worden afgevoerd naar de putten. Het wegdek komt weer vrij. Het lijkt wel of er bij het ontwaken van het nieuwe leven in de natuur in mij ook nieuwe kracht is gegeven. Ik voel me veel beter. Een groot verlangen naar buiten leeft in me en maakt me onrustig. Er moet voedsel gehaald worden, hoe dan ook. Er komen karrijders voorbij. Het geratel van de karrewielen komt al van verre tot me. En ik weet wat dat betekent. Naar Hoorn, Medemblik, de Wieringermeer in. Tochten vol van ellende en ontbering. Tochten waarbij doden vallen. Mijn gedachten gaan onwillekeurig naar Piet. Eenmaal hebben wij gedrieën, Wim was er ook bij, zo'n tocht gemaakt met een handkar. Aardappelen halen onder Avenhorn. Alles ging goed gelukkig. De jongens stapten stevig door en spaarden mij zoveel mogelijk. Ik vond dat fijn. Maar zij wisten niet van het gevaar dat hun bedreigde in de vorm van groene demonen of zwarte satans. Zij wisten niet van de angst die ik uitstond toen wij opgesloten lagen in vunzige stal en gingen slapen in het veelgebruikte stro vol ongedierte. Het was de verjaardag van Piet en dit was zijn feestdag. Waar zou hij nu zijn?
In de verte klinkt het gerommel, als van een zwaar onweer. Het nadert en zwelt aan. En honderden vliegtuigen gaan over ons heen. Bestuurd door de zonen van machtige volken van over de zee. Zou dit de bevrijding zijn?
De sneeuw is nu geheel gesmolten. De straten zijn schoon. De onrust in mij wordt sterker. Ik verlang naar buiten. De dokter heeft het mij sterk afgeraden, maar het gevoel in mij is sterker dan de raad van de dokter. En het is noodzakelijk ook dat ik ga. Er is zo goed als niets meer in huis. In huis doe ik wat lichte werkjes. Ik stook het noodkacheltje of probeer wat hout te hakken, hetgeen me nog zeer zwaar valt. Ook ben ik naar de centrale keuken geweest voor ons rantsoen schillensoep.
Immy en Marie zijn thuis geweest. Immy stil en gelaten. Haar pijnlijke vinger in dik verband. Marie gejaagd en onrustig. Ze heeft de dood van dichtbij gezien. Ze heeft het sterven gezien van de ouden van dagen. En er sterven er dagelijks velen. Dat heeft haar aangegrepen. In haar slaap is zij onrustig en wordt gillend wakker. Ze wil het leven zien en niet de dood. Hun hart gaat uit naar hun verloofden Herman en Jan, die nu ondergedoken zijn.
De kreet razzia wordt veel gehoord. Moeder heeft voor Wim een pakje klaar liggen met ondergoed en kleding. Ze heeft de strijd opgegeven. Ze is murw, zoals duizenden andere moeders. Gebroken door de altijd wederkerende kreet: RAZZIA. Ze wil Wim meegeven wanneer ze komen; de groene schurken. Het pakje met kleren ligt klaar op een stoel. Ik kijk er naar. In gedachten zie ik Wim het huis uit gaan, het pakje onder de arm, zich voegend in de rij van de jonge slachtoffers. Voortgedreven door het groene tuig. En dan weet ik ook dat dit nooit zal gebeuren, maar ik zeg er niets van. Dit pakje is voor Moeder een troost. Zij weet dan dat hij tenminste warme kleding bij zich heeft als het zover komt. Zo zijn moeders.

Ik ben bang voor de weg. Ik heb geen moed meer. En toch weet ik dat ik gaan zal, gaan moet. Als een film trekken de beelden der voorbij gegane tijden langs me heen. Weer lig ik weggedoken in het hoge gras, langs de waterkant bij Ilpendam. Mijn fiets naast me, beladen met levensmiddelen. De groenen zijn in het dorp en houden zich onledig met fietsen roven. Alle wegen zijn afgezet en ik zit in de val. Er liggen nog twee personen naast mij. Een jonge man en een bejaarde man. Hun fietsen liggen naast de mijne en wij wachten. De jongeman is rumoerig. Vloekt en schettert op de groenen. En vertelt met veel omhaal van woorden dat hij in Duitsland is geweest en gewerkt heeft. De bejaarde man zegt geen woord. Ik trouwens ook niet. Wat valt er te zeggen. De jongeman steekt een sigaret op. Ook ik hunker naar een trekje maar toch zeg ik het roken te laten. De jongeman geeft er geen acht op en rookt rustig verder. Rookwolkjes kringelen boven het riet uit. Het is te gevaarlijk, we liggen vlak bij de brug. Ik hef mijn hand op en sla met een klap de sigaret uit zijn mond, hem daarbij hardhandig rakend hetgeen niet mijn bedoeling was. Even leek het of de jongeman zich wilde verzetten maar bedacht zich blijkbaar. De uren verstrijken en wij wachten. Ik voel het water van de vochtige bodem door mijn kleren dringen. Duizenden vliegen dwarrelen om ons heen en wij wachten uren lang. Dan trekt een stoet van zestig groene dieven de brug over. Zittend op een fiets en een aan de hand meevoerend. Voorzichtig, goed uitkijkend, de weg als het ware aftastend, zijn we verder gegaan. Het is altijd weer die weg, die ontzettend lange weg, die je te pakken neemt. Het altijd bedacht moeten zijn op zelfbehoud, die je de ellende van andere niet doet zien.
Vier uur in de middag. Twaalf lange uren was ik nu al in beweging, zonder ophouden, zonder rust. Nu rijd ik langs de zeedijk bij Hoorn, 39 kilometer van huis. Het is eigenlijk geen rijden te noemen. Het is een langzaam vooruit strompelen, zittend op een wrakke fiets, beladen met moeilijk verkregen voedsel. Turend de weg af, altijd maar recht uit. Nog 39 kilometer dan zou ik thuis zijn. Suf bereken ik dat ik daar zeker nog vijf uur over zal doen. Dus slaap ik niet thuis. Er staat een straffe wind, schuin over de dijk. Het bloed gonst in mijn oren van inspanning en moeilijk trap ik verder op mijn meer dan wrakke fiets. Dan roept een kind mij aan. Ik kijk op. Langs de weg ligt een vrouw. Ze heeft geen schoenen of kousen aan. Naast haar liggen een paar plankjes waarop ze gelopen heeft. Maar ze zijn finaal doorgesleten en de banden zijn gebroken. Haar voeten zijn vol blaren en bebloed.
"Wat wilt u," vraag ik nors.
"Moeder kan niet meer lopen", zegt het kind, "haar sandalen zijn geheel kapot gelopen en toen is zij op haar kousen gaan lopen."
Het meisje begint zacht te snikken. De vrouw zegt niets, maar kijkt mij zo smartelijk smekend aan, dat ik er werkelijk even door bewogen word.
"Ik kan u niet helpen", zeg ik zo vriendelijk mogelijk, "ik ben zelf lam vermoeid."
En meteen stap ik op, nagestaard door het kind en haar hulpeloze moeder.
Als afgerukte bladeren in de herfststorm dwarrelen de gedachten om mij heen. Hopen zich op, om weer uiteengeblazen te worden. Weer hoor ik die zachte moedeloze stem: Ik ben zo moe. En de tragiek van die dag trekt langs mij heen als een beeld uit een gruwelfilm.
De regen viel bij stromen uit een loodgrauwe hemel. De storm zwiepte de kale bomen, waarvan de naakte takken zich over de weg uitstrekte, in wilde beweging. Vooruit moest ik, naar huis. Altijd maar rechtuit. Vooruit tegen de storm in, terwijl de regen in gonzende stralen naar beneden gutste. Vooruit, met een zware bakfiets waarin honderd kilo aardappelen. We waren met z'n beiden. Mijn jonge metgezel en ik. Om beurten de bakfiets trappend, of zittend op mijn wrakke fiets met stukken slang als banden. Boven Hoorn vertoonde mijn jonge vriend tekenen van vermoeidheid. En op de terugtocht, nog ver voor het verstrijken van de dag, was de jongeman volkomen uitgeput. De weg van Hoorn naar Oosthuizen heb ik de bakfiets gereden. De wind stak op, werd sterker en de regen viel bij stromen. Ik kon het niet volhouden. Soms keek ik op en dan zagen mijn ogen het bleke, van inspanning vertrokken gezicht van mijn jonge vriend, trappend op een wrakke fiets. Maar dan vervaagde iedere gedachte aan mijn metgezel en ik trapte door, gebeukt door storm en regen. Langzaam, heel langzaam vorderde ik en naderde Ilpendam.
En altijd maar door gonsde de regen en gierde de storm over de nu nachtzwarte weg. Dan hoorde ik een stem naast mij: "Ik ben zo moe". Ik heb geen belangstelling in de moeheid van een ander. Ik heb geen gevoel meer. En voorovergebogen trap ik door. "Ik ben zo moe," zegt de stem nogmaals. En dan kijk ik op en staar in het gelaat van een man, dat zich als een bleke vlek in het zwarte van de nacht aftekent. Nu moet ik iets zeggen. En ik vraag waar hij dan wel vandaan komt.
"Van boven Alkmaar," zegt de man mat.
Nu kijk ik hem goed aan. De man loopt in zijn colbertjasje, zijn schoenen zijn met touwen om zijn voeten gebonden en maken bij iedere stap een soppend geluid. Dan vraag ik waarom hij geen jas aan heeft.
"Heb je er soms geen?" vraag ik en probeer de bakfiets wat meer gang te geven.
"Jawel", zegt de man, "maar het was goed weer toen we op stap gingen."
Ik vind het knap stom, maar dan krijgt mijn nieuwsgierigheid de overhand en ik vraag: "Wat moest je nu boven Alkmaar doen? Je hebt toch niets bij je."
"Ik heb aardappelen en kool. Daar rijdt mijn broer."
En voor mij uit, vaag te onderscheiden in de zwarte duisternis, loopt een man, een handkar voortduwend. Voortduwend over de nachtzwarte weg bij stromende regen en gierende wind.
Voorbij Watergang breekt mijn trapas. Dan loop ik duwend verder, voorover gebogen. Langzaam verglijdt de weg onder mij. Ik stap in diepe plassen, ik voel het niet. De stromende regen heeft mij doorweekt. Naar huis, altijd maar rechtuit, naar huis, gonst het in mijn moede, overspannen hersenen.
Op de Leeuwarderweg verlies ik mijn linker schoen. Bij de eerste stappen bemerk ik het niet. Dan sta ik stil en over de weg tastend vind ik mijn schoen. Mijn jonge metgezel, die moeizaam voorttrappend mij voorbij rijdt, stopt. Samen duwen we de bakfiets verder tot aan huis. Ik heb geen kracht meer de bakfiets af te laden en de vijftig kilo, die mij toekomen, naar binnen te brengen.
Moeder kleedt mij uit. Eten kan ik niet. Wanneer ik in bed lig val ik in een diepe, loodzware slaap. En weer bevind ik mij op de weg. Ik probeer de bakfiets vooruit te krijgen, maar kan hem niet van zijn plek krijgen. Ik trap en trap en stel wilde pogingen in het werk om vooruit te komen. Dan zie ik Wim aankomen. Hij wil helpen, maar komt niet dichterbij. Ik schreeuw naar hem, maar hoor geen geluid. De groenen jagen achter hem aan.
Wanneer ik de ogen opsla staat Moeder naast me. Haar hand ligt op mijn voorhoofd.

Langzaam valt de avond over het plein, dat geheel verlaten ligt. Ik weet dat ik eentonig word, maar zij die met mij de zware strijd om het voedsel gestreden hebben, weten wat mijn gevoelens zijn en ik ken de hunne. Dat optrekken in de vroege morgen in een dichte drom op allerlei voertuigen, waarvan de meeste zeer wrak. Een concert van fietsen zonder banden, krakende bakfietsen en rammelende handkarren. Het geschreeuw van de tegenliggers in de duisternis: "Rechts houden." En altijd maar rechtuit, naar het noorden. Niemand heeft aandacht voor iemand. In alle gezichten dezelfde strakke lijnen, dezelfde gespannen verwachting: voedsel, kostelijk voedsel is het waarop gejaagd wordt.


Er zijn er die hun hele voorraad linnengoed met zich meevoeren. De meest uiteenlopende goederen worden meegevoerd. Ruilen, altijd maar ruilen. Ze geven het kostbaarste en het liefste wat ze bezitten in ruil voor voedsel. En de boeren grijpen gretig toe. In hun hebzucht zien zij niet het stempel der ellende dat op de gezichten der mensen gebeiteld staat. Zij eisen aldoor meer voor hun pondje tarwe of bonen. Altijd meer willen zij hebben in hun egoïstische hebzucht.
Maar zo zijn niet alle boeren. God zij dank niet. Er zijn ook boeren met een mensenhart. Die ondanks de verschrikkelijke oorlog mens gebleven zijn. Bij wie niet de hebzucht maar de liefde voor hun land, hun behuizing, hun omgeving uit de ogen straalt.
"Ruilen man, ruilen zeg je. Moet je niet bij mij wezen. Daar doe ik niet aan."
Hard klinkt de stem van de boer in de warme stal.
"Wat dacht je nou, dat ik van de hongerlijders nog iets wou hebben. Ik zou het niet kunnen aannemen. Ik heb niets nodig. Nee, ik zeg maar, na deze tijd komt een andere. Maar als je een boterham wil hebben, kan je 'm krijgen. Ga maar naar binnen."
De vrouw bracht vier dikke sneden met boter en kaas en een groot glas verse melk.
"Smaakt het," buldert de boer. Ik knik zwijgend van ja. Veel heb ik nog niet gezegd. Kreeg er tot nu geen kans voor.
"Ja", zeg ik dan, "het smaakt mij best. Maar wat geeft het of ik me nu dik zit te eten en thuis hebben ze niets. Daar ga ik niet voor op stap. Zolang ik weg ben, zitten ze thuis in spanning te wachten op het ogenblik dat ik weer terug ben. Dan is er feest. We zijn met z'n zevenen weet je. En daar komt wat voor kijken. Jullie weten niet wat het zeggen wil, geen eten meer in huis hebben, dagelijks te moeten leven van uiterst kleine rantsoenen. Op te staan met honger en naar bed te gaan met honger."
"Ja", zegt de boerin, "het is erg, meer dan erg."
"Wat ben je eigenlijk van je vak?" vraagt de boer.
"Loodgieter", zeg ik, "en daar kwam ik voor. Ik vroeg niet om te ruilen, maar of er wat te repareren was."
De boer heeft werk, maar informeert eerst naar de prijs. Wanneer ik een normale prijs opgeef, knikt hij tevreden en zegt: "Dan zal ik je tegen normale prijs in erwten uitbetalen."
Wanneer ik afscheid neem, kan ik een flinke zak erwten opladen. Nadien ben ik nog vele malen bij hem geweest.

Moeder heeft al enige malen gevraagd of we niet zullen gaan verduisteren en eten. Ik kan niet voor het raam wegkomen. Ik zit gevangen in mijn gedachten. Wirrel, warrelend, trekken de beelden van de voorbij gegane jaren langs mij heen.
Het was altijd een strijd tegen ontbrekend voedsel, iedere week opnieuw. Maar zoals het nu is, deze winter, dat had niemand, maar dan ook niemand, zich in zijn ontzettendste angstdromen kunnen voorstellen.
Neen, ik wil niet verder denken. Wat geeft het allemaal. Er zal een eind aan komen, want God verlaat de zijnen niet. Wie zei me dat ook weer. O ja, nu weet ik het weer. Dat zei het oude moedertje op het kleine boerderijtje in de Beemster. Toch zulke goede boeren mensen. Toen ik er de laatste keer langs kwam beukte het water, opgezweept door een harde noord-wester, tegen de behuizing en de stallen. De loshangende luiken zwiepten slingerend en krakend tegen de vensterloze raamkozijnen. Het sierlijke ijzeren hek met de vergulde punten hing scheef weggezakt, half in het water.
Aan die goede vriendelijke mensen moet ik denken. Hoevele malen heb ik in die gezellige kamerkeuken gezeten, de melk drinkend, die het moedertje met gulle hand inschonk. Dan kwam de boer binnen, altijd zo kalm en stil. Het was geen man van veel woorden. Met hart en ziel leefde hij voor zijn dieren en land. En zijn vrouwtje hielp hem daarbij met evenveel genegenheid.
Ze hadden maar één kind, een dochter. Ze was getrouwd en had twee kinderen. Maar bij het bombardement was een van haar kinderen gedood. De man was later zwaar gewond opgenomen. Ik vroeg aan het moedertje bij welk bombardement dat dan wel gebeurd was. Want ik dacht aan het bombardement van zeventien juli '43, waarbij Moeder en Lien zo wonderlijk aan de dood ontkomen waren.
"Dat was bij het bombardement van Rotterdam," zei het moedertje.
Dan hing er een stilte. Het verwijderende geluid van ontploffende bommen drong tot ons door. De luchtverplaatsing deed de ruiten trillen. Het moedertje zat stil, met gevouwen handen.

Het is volkomen duister. Ik ga voor het raam weg en bij het fornuisje zitten, dat lichtplekken op de vloer tovert. We kunnen wat royaler zijn dan anders, want Wim heeft een halve boomstam meegesleept in de vroege morgen. En ik ben er met de buurman op uitgegaan en heb een dwarsligger onder de spoorrail weggegraven, die we samen gedeeld hebben. De verduisteringsvodden zetten we maar niet meer voor de ramen. Het armzalige oliepitje straalt toch geen licht naar buiten. We kunnen volstaan met het dicht schuiven van de gordijnen. Stil zitten we bij elkaar. Zwijgend en wachtend. In de jonge hersenen van Wim en Lien ligt het hunkerend verlangen besloten naar lekker eten. Hun gedachten gaan naar niets anders meer uit. Vaak wordt het hun te machtig en moeten ze erover praten. Het is bijna niet aan te horen.
"Griesmeelpudding met abrikozen," zegt Lien. En er ligt zo'n ontzettend groot verlangen in de klank van haar stem, dat ik er beroerd van word.
"Nou", zegt Wim, "geef mij maar twee broden van een week oud, de schimmel schraap ik er dan wel af."
"Weet je wel Wim", zegt Lien, "Bananen."
"O ja", zegt Wim, "dat zijn van die kromme dingen aan een stam, maar als je nou bananen wilt hebben moet je eerst de schillen inleveren."
Het hout in het fornuisje knapt en knettert, overigens is het verder doodstil in de kamer. Wim en Lien gaan verder met hun hongerfantasiën. Ze stapelen de ene lekkernij op de andere en er komt geen eind aan.
Het oliepitje is op de een of andere geheimzinnige manier uitgetocht, zodat we in volslagen duisternis bij elkaar zitten. Het deert ons niet. We zijn te moe en te versuft om daar nog notitie van te nemen. Alles is toch immers zwart om ons heen.
In de vroege morgen sta ik weer in de rij voor de deur van de bakker. Wim staat even voor mij. Kwart voor vijf ging Wim al staan, even later ik. Er wordt slechts een half brood verstrekt, zodat we met een beetje geluk een heel brood machtig kunnen worden. We hadden trouwens maar twee bonnen. Bij het voortglijden van de tijd wordt de rij langer en langer. En nog voordat de winkel opengaat staan er honderden mensen te wachten.
Naast mij staat een kleine jongen. Zijn blote voeten steken in een paar versleten klompen. Zijn magere lichaam schemert door zijn tot op de draad versleten kleren. Het jochie kan niet meer stilstaan van het beven. Het is een frisse morgen. Nog voordat de deur van de bakker opengaat, valt hij flauw. En dat gebeurt met tientallen mensen, mannen, vrouwen en kinderen.
Er is een ongewone spanning in de rij. Het gerucht heeft zich verspreid dat de groenen in aantocht zijn. Ik let scherp op. Uit de richting van de pont komen mensen snel aan lopen en weldra hebben we zekerheid. De groenen zijn overgestoken en rijden nu snel in de richting van het Mosplein. Ik zie ze komen en roep Wim toe te verdwijnen. Maar het is al te laat. Wim laat zich zakken en verschuilt zich achter de vrouwen, die om hem heen staan.
De jonge mensen rennen de rij uit en verspreiden zich in alle richtingen. Hatelijk grijnslachend rijdt het groene geboefte zonder af te stappen ons voorbij. De blonde krullebol van Wim verrijst weer aan de oppervlakte. De gehele dag blijft het onrustig. De groenen moeten terugkomen, dus is oppassen de boodschap. En in de namiddag keren ze terug. Voor zich uit drijven ze een honderdtal jonge mannen. Zelf zit het tuig op de fiets en rijden om de voortmarcherende colonne heen, de revolver in de hand.
De spanning wil niet wijken. In de avond gaat weer het gefluisterd gerucht: "De groenen komen." In gespannen aandacht turen we naar buiten en luisteren naar elk gerucht. We kunnen niets zien, want het is aarde donker.
"Wanneer ze nu komen moet Wim maar meegaan," zegt Moeder. Maar ze is meer tranen dan stem.
"Ja", zegt Wim, "zo is het ook niet meer uit te houden. Iedere dag opgejaagd en altijd weer verstoppen. Wanneer je nog op straat komt altijd achter je kijken. Nee, het is niet langer te doen." Moedeloos schudt hij zijn blonde kop.
"Wie weet wat ze met Piet gedaan hebben", snikt Moeder. "We hebben toch maar niets meer van hem gehoord."
Dat is de hele tactiek van de moffen. Opjagen, angst aanjagen, verhongeren, murw beuken, dan komen ze wel. Ik tracht Moeder gerust te stellen, maar ben zelf wild van opwinding. Wim meegeven doe ik vast niet. Hij gaat het gat in al zou er ik weet niet wat moeten gebeuren.
Om de groenen te misleiden hebben Moeder en ik geruime tijd geleden een plan opgemaakt. Op het buffet staan twee portretten, een van Piet uit zijn voormalige arbeidsdienst tijd en een van een vreemde jongen uit dezelfde tijd. Die vreemde jongen moet ook voor onze zoon doorgaan, zodat we kunnen zeggen dat onze beide jongens in de arbeidsdienst zijn.
"Als ze het nu maar geloven," snikt Moeder.
"Laat het nu maar aan mij over Moeder, dan komt het wel in orde," zeg ik zo rustig mogelijk.
Geen gerucht verstoort de zwartheid van de nacht. Ik houd het niet langer uit. De spanning wordt me te machtig.
"Ik ga buiten kijken of het wel waar is," zeg ik.
"Doe het niet", smeekt Moeder. "Ze schieten je dood wanneer ze je snappen."
In de Van de Pekstraat blijf ik tegen een huisgevel geleund doodstil staan. Ik ben één met de nacht en onzichtbaar. Voetstappen naderen. Het is een vrouw met een kind aan de hand. Ik hoest even zacht en vraag of ze van de pont komen.
"Ja," zegt ze. Neen, groenen heeft ze niet gezien. Er waren maar een paar mensen op de pont. Voorzichtig sluip ik weer naar huis toe. In het voorbij gaan trek ik één van de gehate pamfletten van de muur, die bij tientallen op de muren geplakt zitten.
In moedeloze stemming gaat de avond voorbij. We luisteren en wachten. Door de zijmuur van onze woning kunnen we het gekreun van de verhongerde mensen in de woning naast ons horen. Wie heeft er nu nog wat te geven? Niemand die maar iets te missen heeft in dit allergrootste concentratiekamp van Europa, West-Nederland.

Ik moet nu weer gaan. De fiets is al gereed gemaakt en staat met de gereedschappen goed opgebonden klaar voor de start in de keuken. De fiets heb ik in bruikleen van buurman Koorn. Ik heb beloofd wat mee te geven, wanneer ik tenminste wat eten meebreng. Het is nog niet eens zo'n slechte fiets. Er zitten nog vrij goede massieve banden om de velgen en een klein bagagedragertje voorop.
Bij het opbinden en vasthouden van de fiets heb ik wel gemerkt dat mijn spieren nog maar heel zwak en slap waren. Het kost me teveel moeite de fiets recht te houden. Wat dat morgen moet worden? Ik zeg echter niets en doe gewoon. Maar in mijn binnenste heb ik het gevoel van een ter dood veroordeelde die op weg is naar de galg.
Rusteloos gaat de nacht voorbij. Eindeloze wegen strekken zich voor me uit. De wegen rekken zich uit tot in het oneindige. Mijn fiets zakt in elkaar. Dan ben ik mijn bagage kwijt. Achtervolgd word ik. Langs de weg liggen mensen, niet in staat meer verder te gaan.
Vermoeid ontwaak ik. Het is niet zo vroeg meer. De zon schijnt tenminste al de huiskamer in. Met een gevoel van diepe wanhoop pak ik de fiets en rijd hem naar buiten. Ik ga nog even naar binnen en zeg gedag. Ze moeten maar niet ongerust zijn, wanneer ik voor de avond niet thuiskom.
"Ik zal wel onderdak vinden. En vriezen doet het niet meer," zeg ik troostend tegen Moeder. Moeder knikt van ja.
"Ik heb voor je gebeden," zegt ze stil.
Ik ga nu maar, anders wordt het me te machtig. Neen, voor de deur stap ik niet op. Ze kijken me na, weet ik. Met inspanning duw ik de fiets tot uit het zicht van mijn woning en stap dan voorzichtig op. Het gaat nog niet eens zo slecht. In het begin slinger ik wel van de ene zijde van de weg naar de andere, maar al gauw heb ik de zaak in bedwang. Bij de Spiegel moet ik afstappen. De brug staat open. Een flottielje moffenschepen moet passeren. Het zijn lange, smalle boten, opgetuigd met masten en antennes. In stilte hoop ik dat er een van de schepen bij het nemen van de scherpe bocht op de kant zal stoten en zo zijn schroef zal breken, maar er gebeurt niets. Met een hoop lawaai en moffengeschreeuw passeert de zaak de smalle sluis.
Langzaam rijd ik verder. Het valt me niet mee. De fiets is zo zwaar en mijn rug doet pijn. Traag gaan mijn benen op en neer. Ik had graag terug gegaan, maar doe het niet. Het beste is om maar nergens aan te denken. Anderen rijden mij voorbij. Ze gaan dezelfde weg als ik. Ik doe geen moeite met een van hen op te rijden. Ze gaan me te hard. Ik snak naar een sigaret. Die paar peuken die ik in de vroege morgen bij elkaar gescharreld heb, zijn al opgerookt. Ik wil er niet teveel aan denken, maar het valt niet mee.
Eigenlijk mag ik nog van geluk spreken dat ik weer op een fiets zit. Twee gewone fietsen en een transportfiets heb ik nu al in elkaar gereden. En nu rijd ik toch weer, dankzij buurman Koorn.
Steentjes springen op, losgepeuterd door de keiharde massieve banden van de fiets. Ik begin er aardigheid in te krijgen. Het weer is buitengewoon mooi. Er is totaal geen wind. Het water van het kanaal ligt spiegelglad zonder een enkel rimpeltje. Meeuwen scheren over het water, stijgen op, vallen bliksemsnel en weer is een vis uit zijn lijden. Handige knapen. De gehele natuur is vervuld van krachtig nieuw leven.
Onder het verdorde, niet afgemaaide gras van het vorige jaar, groent het alweer. Vogels vliegen af en aan, ijverig pikkend in het groenende land. Vanuit de hoge hemel klinkt het lied van de leeuwerik. De gehele natuur is opgewekt tot krachtig nieuw leven.
Bij het Kruithuis moet ik afstappen. Er staan tot mijn verwondering geen moffen, maar twee Hollandse S.S.-lieden op post. Ik schrijf Hollandse, omdat het in Holland geboren individuen zijn en dus onze taal spreken, maar of ze uit vrouwen geboren zijn is voor deze onmensen niet aan te nemen.
"Je persoonsbewijs," beveelt een der schurken.
"Ga je naar toe."
"Naar Purmerend," zeg ik.
"Wat doen."
"Werken," antwoord ik.
Na mijn bagage bevoeld te hebben, klinkt het koud:
"Doorrijden."
Nu schijnt voor mij de zon niet zo mooi meer. Het is net of alles wat verdonkerd is. Wat had ik ook te letten op de schoonheid der natuur. Voor een ogenblik was ik de ganse ellende vergeten en was ik weer even mens geweest. Die twee zwarte duivels hebben me wakker gemaakt. Zo ver is het nog niet.
Moeilijk rijd ik verder. Een haast niet te overkomen tegenzin om verder te gaan komt in me op. Die ontzettend, lange weg maakt me bang, maar er ontwaakt ook een geest van verzet in me. Ga ik nu terug dan zijn we verloren en verhongeren we en dat zou de moffen zeer naar de zin zijn. Ik gun ze de pret niet. Leven wil ik en de totale aftakeling meemaken van dit verwaten Herrenvolk.
Bij Watergang stap ik af en ga op het stenen muurtje voor het café zitten. Even komt de gedachte bij mij op om bij de Meester van de school aan te gaan om hem mijn erkentelijkheid te tonen. Want eigenlijk heeft die Meester mij het leven gered, al weet hij dat zelf niet. En ook de dame met de vriendelijke stem zou ik weleens willen zien en bedanken. Maar nee, ik doe het toch maar niet. Misschien later.
Een troep trekkers rijdt langs mij heen. Hun blikken strak gespannen, gericht naar het noorden. Er komen er ook terug, waarvan er enigen mij vanmorgen voorbij gereden zijn. Hun fietsen liggen hopeloos in elkaar. De gezichten van die mensen staan moedeloos. Voor hen is de kans op voedsel verkeken. Tenminste voor vandaag. Enigszins voorover gebogen duwen zij hun fietswrakken weer in de richting van de stad. Ik heb gemerkt dat ik zelf ook voorover loop. Ik weet nu wel hoe dat komt. Door de maag wat in te drukken voelt men de honger niet zo en heeft men niet zoveel last van hongerkramp.
Een troep vrouwen en kinderen komt naderbij. In kinderwagens en op primitief getimmerde karretjes vervoeren zij zakken aardappelschillen. Moeizaam bijeen gebedeld. De vrouwen zijn moede, afgetobde wezens met zorgelijke gezichten. Velen van de kinderen lopen op blote voeten. De ogen groot in de bleek magere gezichten. Ze gaan de schillen ruilen bij de een of andere boer, die wel zo vriendelijk zou willen zijn hun daar een hele of halve liter melk voor in ruil te geven. Ze sjokken voort van de ene boer naar de andere, uren lang.
Weer komt dat moedeloze gevoel over mij. Ik kijk in de richting van de stad. De noordelijke grens strekt zich uit van oost naar west. In het oosten verliest de rand van de stad zich in het wazig verschiet van het polderland. In het westen zie ik de machtige schoorsteenpijpen van de centrale en de vuilverbranding. Als verstijfde vingers van een dode hand tekenen de pijpen zich af tegen de heldere hemel. Geen machtige rookwolken kronkelen omhoog. Geen gesnor van machtige machines, die licht en leven brengen in de huizen van de mensen. Geen geweldige vuren, die het afval van de grote stad met grimmige kaken verslinden. Alles is dood, doodgetrapt onder de spijkerlaarzen der moffen. Zoals zij alles doodtrappen en vernietigen wat het leven nog enige vreugde zou kunnen geven. Achter die wazige noordergrens ligt de grote stad, een stad van honger en ellende.
Riolen lopen over, het huisvuil hoopt zich op tot enorme bergen en verspreidt een ontzettende weeë stank. Een paradijs voor ratten. De zwarte handel tiert. En de moffen pijpen hun macabere dodendans, met in hun gevolg terreur, vervolging, moord en roof. Terwijl de honger zijn sinistere trommel beukt.
Een colonne, door Duitsers bestuurde, auto's rijdt voorbij. Boven op de wagenkappen zijn rode kruisen geschilderd. Dit is de vlag die de lading moet dekken. De wagens zijn afgeladen met kisten, zakken en balen. Ze hebben weer hun best gedaan, denk ik zo. Spiedend tuur ik de lucht af. Er zijn geen Tommy's in het zicht, want dan zou het zaak zijn zo spoedig mogelijk een veilige schuilplaats op te zoeken.
Er komt een man aansloffen, want lopen kun je het niet noemen. Hij loopt enigszins voorover en houdt de ogen strak op de weg gericht. Vlak bij mij blijft hij stilstaan en kijkt de zojuist gepasseerde auto's na. In zichzelf mompelend blijft hij zo een ogenblik staan en spuwt op de weg.
"Is er wat van je bij, makker," vraag ik gemoedelijk.
Dan kijkt hij me aan. En ik staar in verbitterde gelaat van een man die veel leed geleden heeft. Zijn rood omrande ogen vertolken de felle haat die hem beheerst.
"Wat van me bij", zegt hij afwezig, "Ja, zeker is er wat van me bij. Maar van jou ook en van die daar ook."
En hij wijst in de richting van de stad. "Van ons allemaal", schreeuwt hij dan luid. "Van ons allemaal. Ze roven maar raak en laten niets voor ons over. Me oudje ligt al vier weken te bed met de hongerziekte. We hebben allebei de dysenterie, we lopen leeg en vreten doen we niet. We hebben het niet, weet je. Mijn oudste zoon hebben ze weggesleept."
Dan komt hij vlak bij me staan en zegt met zijn gezicht vlak bij het mijne:
"Weet je wat ik weleens zou willen doen? Ik zou zo'n vette mof weleens willen opensnijden, opensnijden zeg ik je. Ik kan hun bloed wel drinken."
Na deze uitbarsting kijkt hij mij een ogenblik strak aan, knikt nog eens nadrukkelijk als om zijn woorden te bevestigen en gaat dan heen, zonder groet.
Met een zucht laat ik me van het muurtje glijden. Dat zuchten schijnt ook al in verband te staan met de lichamelijke uitputting, want overal zucht ik bij. Zelfs als ik in bed stap. Ik kan het niet meer laten.
Ik vind het niet de moeite waard om in Purmerend af te stappen. Er is toch niets behoorlijks te koop. In de Hoofdstraat is een kringhuis van de N.S.B. Er hangt een groot bord voor het raam, waarop met krijt de namen staan geschreven van hen die de partij verlaten hebben. Ik stap af. Die namen wil ik nu eens op mijn gemak lezen. Er staan meer mensen voor het raam. Binnensmonds wordt er zacht gemompeld en gegrinnikt. Aan de andere zijde van de ruit zitten een paar leden van het nobele gilde ons met verstarde gezichten aan te staren. Oppassen is nog altijd de boodschap. We doen dus net of we met volle aandacht de berichten lezen en gaan dan grinnikend verder. De ratten verlaten het zinkend schip.
Bij de brug naar de Beemster staat de Grüne Polizei. Ze zijn bezig met de mensen te beroven, die na dagen en nachten zwerven weer naar huis toe gaan. Blij met voedsel, dat zij zo moeilijk en vaak na grote offers, bijeen gescharreld hebben. Onbewogen doen deze groenen hun misdadige werk. Het is een trieste aanblik, die magere, wanhopige mensen, die volkomen uitgeputte mensen bij hun leeg gestolen karren of fietsen te zien staan. Hoe is het mogelijk dat zo iets bestaan kan?
De brug is versperd, zodat ik af moet stappen. Met hun krijsende schreeuwstemmen houden zij een ieder aan, die een vrachtje vervoert. Ze zijn zeker plotseling gekomen, zodat de eerst aankomende etenhalers in de val gelopen zijn. Het gefluisterde bericht van het gevaar heeft hen dus niet kunnen bereiken. Maar dan klinkt het lied der aanstaande bevrijding. Uit de hoogste hemel komt het tot ons. Eerst zacht, als een ver verwijderd onweer, allengs aanzwellend tot een machtig geluid van honderden vliegtuigen. Ze vliegen over in geweldige golven. Als glinsterende vogels glijden zij langs de heldere hemel. We kijken ze na, vol verlangen. In stilte zingen we ze toe. Openlijke vreugde zou zeer gevaarlijk zijn. De "zeven-stuivers-mannen" zijn waakzaam en brengen je graag voor een kleinigheid aan. Maar het zingt en het juicht in ons. De vrijheid komt, de vrijheid komt.
Zonnelichtjes dansen over het vlakke water van het ondergelopen Beemsterland. In de verte wenkt het spitse torentje van Midden-Beemster. Een ogenblik sta ik te overleggen welke richting ik uit zal gaan. Dan ga ik verder en rijd recht op mijn doel af. Wanneer ik bij de eerste boer het erf oprij, voel ik dat mijn zenuwen gespannen zijn. De eerste boer moet ook mijn eerste klant zijn. Mijn maag kramt van de honger. Daar heb ik de laatste tijd veel last van. Ook van kramp in mijn benen. Hongerkrampen. Ik heb er nog niets van tegen Moeder gezegd.
De boer komt naar buiten en zegt: "Nou dat treft, ik heb juist zo het een en ander voor je te doen. Ben je ziek geweest, je ziet zo slap."
"Ja", zeg ik, "en ik ben nog lang niet de oude, maar moet wel weer. Je snapt wel hè, het gaat om het eten."
De boer zegt dat hij het snapt en voegt er aan toe: "Drink maar eerst een beker melk."
En hij zet een pan vol melk bij mij neer, zo onder de koe vandaan. En in mijn maag ligt de lauw warme, vette melk als een medicijn.
De boer en de boerin zijn nog jonge mensen. Ze hebben een kind. Een kleine dreumes van naar schatting twee jaar oud. De boerin komt naar mij kijken terwijl ik aan het werk ben. Eerst zegt ze niets, maar dan vraagt ze schichtig of ik ook een klein potje zou kunnen leveren. Ik vraag wat voor een potje.
"Nou", zegt de boerin, "het is voor het kind, maar het moet van ijzer zijn. Een stenen breekt zo gauw."
"O", zeg ik, "u bedoelt een piemelpotje." Waarop ze verlegen lachend van ja knikt. Eigenaardig is dat. Zonder blikken of blozen zal ze bij het dekken van een paard of het kalven van een koe aanwezig zijn, maar het vragen naar een doodgewoon huishoudelijk artikel doet haar blozen.
De boer vraagt naar hoefnagels. Ik zeg te zullen proberen het potje en de hoefnagels te verkrijgen.
Opgewekt, door het goede voedsel, doe ik mijn werk. Wanneer ik met mijn werk gereed ben en het overeengekomen voedsel in ontvangst heb genomen, ga ik verder. Ik heb geluk die dag. Bijna op iedere boerderij vind ik werk. Ik verricht werkzaamheden en neem bestellingen in de vorm van gereedschappen en dingen van huishoudelijke aard in ontvangst. Ik ben nu niet meer alleen loodgieter en koperslager, maar ook koopman en leverancier van alles.
Nog even voor het verstrijken van de dag heb ik genoeg en kan niet meer bijladen. Ik ga naar huis, naar Moeder, Wim en Lien. Wat zullen ze blij zijn. Het is het eerste goede voedsel na weken van gebrek dat ik hun breng.
Weer ligt de weg voor me, maar nu is het geen hopeloze weg, geen trieste en verlaten weg. Het is een van zon overgoten weg, waarop het prettig is te rijden. De vracht is nu wel zwaar, vele kilo's zwaarder dan vanmorgen, maar zelf ben ik zo opgewekt, dat ik er maar bij ga zingen. En het mooiste is: de weg is volkomen veilig. Langzaam rijd ik verder. In de verte zie ik de contouren van de stad. De zon zakt weg in het westen, als een gouden bal. Witte en roze gekleurde wolkjes schuiven voor de zon, als een licht doorgevend gordijn. De avond daalt. Het zou vrede kunnen zijn.
Maar door de stille avondlucht gedragen, klinkt de dreuning der uiteengebarsten reuzegranaten.
Met het gezicht tegen de ruiten gedrukt, zitten Wim en Lien naar me uit te kijken. Ik zie ze al vanuit de verte. Ik verkneukel me kinderlijk. Wanneer ik binnenstap zal ik zeggen: "Pak af de fiets en eet je dik." Net of dik eten de gewoonste zaak van de wereld is. Ik zal zeggen: "Neen, ik eet niet mee, ik heb het best gehad vandaag."
Grinnikend van binnenpret stap ik de kamer binnen. Er ligt een geweldig verlangen en een grote vraag in de gezichten van Moeder en de kinderen. Ik laat ze niet in het onzekere, dat zou te hard zijn.
"Ja, ja", zeg ik, "het is in orde."
En ik zet met een breed gebaar twee flessen heerlijk zoete melk op tafel. Wim bindt de vracht al af en legt het kostelijke voedsel op tafel. Er is ook een stuk kaas bij. Het is feest die avond en Moeder kan weer verdelen.

Een vreemd volk trekt er langs de weg. Vreemd, stil en geheimzinnig. De gele gezichten als een masker, waaronder zwarte ogen recht vooruit de weg afturen. Zij lopen geweldige afstanden zonder rust. Of zouden de afstanden, vergeleken met de afstanden in hun enorme vaderland voor hen niet van betekenis zijn? Vaak heb ik me afgevraagd wat voor geheimzinnigs zij toch wel met zich meevoeren in hun leren koffers. Wanneer zij na dagen zwerven naar huis toe gaan zijn hun karren volgeladen met levensmiddelen. Naar hun stemklanken heb ik liggen luisteren, wanneer ik naast hen lag in het vunze stro van een slaapstal. Geen woord of zelfs maar een letter heb ik kunnen vormen van hun zangerig keelgeluid. Eenmaal zag ik een Duits officier de achterkant van het Centraal Station uitkomen. Hij stond even stil, boog zich voorover naar een op de stoep zittende chinees en wisselde enige woorden met hem. Deze gele broeder was een spion. Vanaf die tijd wantrouw ik deze strakke gele maskers.

De vervolging en de terreur nemen verschrikkelijke afmetingen aan. In het gezicht van hun volkomen nederlaag en vernietiging moorden zij met sadistische wellust. Onophoudelijk vloeit het bloed der onschuldige slachtoffers. Wee hen, die in hun handen vallen.
De honger in de stad is ontzettend. Het noodgeschrei van de hongerende massa stijgt ten hemel. Zij die nooit gebeden hebben, bidden nu.
"Heer geef uitkomst, wij vergaan."
De ogen van de hele wereld zijn op ons gevestigd. Op ons, de opgeslotenen in Europa's grootste concentratiekamp: West-Nederland. De neutrale landen roeren zich. Wij krijgen brood uit Zweden. Het is bijna niet te geloven. Een heel brood, echt wit brood. Zijn ze daar rijk, dat ze zo maar brood kunnen sturen. Met diepe ontroering bekijken we dit brood en de grote klomp boter. Dat hebben de moffen ons dus niet durven ontstelen. De ogen der ganse wereld waren op hun roofgierige klauwen gevestigd. Er is op dit ogenblik geen haat in ons. Wij zijn dankbaar. Ik kijk naar de smalle gezichten van Wim en Lien.
"Mogen wij dit hele brood zelf opeten?" vragen ze schuchter. Ik knik van ja. Moeder vouwt haar handen. Een traan drupt van achter haar glinsterende brilleglazen en valt op haar hand. En zij bidt: "Vader, die in de hemelen zijt..." Dan eten wij het brood uit Zweden.
Zweden, nimmer zult gij begrijpen dat door deze gave onze hoop op een betere wereld weer versterkt is geworden. Door uw gave wisten wij ons verwant aan een broedervolk. Een volk dat meeleeft met onder Duitse laarzen vertrapte naties. Een volk dat van zijn tafel gaf met gulle hand. Volk van Zweden, moge God u en uw land behoeden voor de verschrikkelijkste aller rampen: de oorlog. Moge uw kinderen en uw kinds kinderen opgroeien in vrede, tot in lengte van dagen.

De schemering van de vroege lente ochtend ligt nog over de weg. Over het wijde polderland hangt een witte ondoorzichtige waas. De oostelijke hemel vertoont een zacht roze gloed. In het water en in het riet langs het kanaal is het een en al beweging van kleine nachtdieren. De snoek is op jacht en de ratten en de otter. Zij jagen uit noodzaak en tot instandhouding van hun soort. Zij jagen en doden niet uit wellust, zoals de moffen. Nu niet verder gaan. Altijd concentreren mijn gedachten zich op onze beulen. En daar kun je snoeken, ratten en otters niet mee vergelijken. Dat zou een belediging zijn voor deze dieren en voor alle andere dieren.
Zonnepijlen schieten over het wijde land en toveren voor mijn ogen een sprookjeswereld waarvan de schoonheid met niets te vergelijken valt. Een roze zee strekt zich voor mij uit zover het oog reikt. Daarboven uit steken de daken van de hofsteden. Bij sommige hofsteden is het alleen de schoorsteen die oprijst of het puntige dak boven de hooiberg.
Vogels stijgen boven deze wonderlijke zee uit en verdwijnen weer. Meer zonnepijlen komen aangesneld en kleuren dit schilderij van de Grote Meester met een diep gouden tint. Langzaam rijd ik verder, geboeid door zoveel schoonheid.
Een zachte lentewind doet het water van het kanaal even rimpelen, maar drijft ook de gouden zee uiteen. En langzaam herneemt alles zijn gewone aanzien. Zijn gewone aanzien, ja, het aanzien van de harde, onverbiddelijke, lange en wrede weg.
Met kracht verzet ik me tegen iedere moedeloosheid. Het kan onmogelijk nog lang duren. De illegale bladen, gezegend mogen zij zijn, vertellen het ons iedere dag. Wanneer we die eens niet hadden. En dan die pontbrug over het IJ, die hebben de moffen ook niet voor niets gemaakt, peins ik zo. Het einde nadert, moet naderen, anders overleeft bijna niemand het.
Even voor Purmerend is een oploopje. Enkele mensen staan om een handkar. Ik stap af en kijk in de kar. Er ligt een man in, een dode man. Op de kruk van de kar zit een jongen hartbrekend te snikken. Een van de omstanders wijst op de jongen en zegt zacht tegen mij: "Dat is zijn vader. Vier dagen zijn ze onderweg geweest." Weer kijk ik naar de dode man. Over zijn ingevallen gelaat ligt de diepe rust van de dood. Eén van zijn ogen staat een weinig open en staart strak naar de heldere hemel. Een baard van dagen doet zijn gezicht nog ingevallener lijken. Zijn blote voeten steken in totaal kapot gelopen schoenen. Vier dagen en nachten onderweg en dit als einde.
"Moeder," snikt de jongen. Ja zeker, een moeder is er ook nog. Zij weet niets van dit ontzettende drama op de weg. Op die verschrikkelijk lange weg, op zoek naar voedsel. De vader en de moeder, ze hebben het niet geweten, maar ze hebben gehoord van die weg naar het noorden. Altijd maar rechtuit. Daar wonen ze; de rijke boeren, die geven wel. Ze wisten niet van de afstanden en ontberingen. Ze hadden honger, ontzettende honger. Ze zagen hun kinderen verkommeren. En ze zijn gegaan: de vader en de zoon, die lange weg naar het noorden. Naar die rijke boeren die wel geven. En hier ligt het resultaat: een dode man, wat wortelen en uien. Het lichaam van de knaap begint te schokken. Een vrouw slaat haar arm om hem heen en laat zijn voorhoofd in haar hand rusten. Dan geeft de knaap over en braakt rauwe stukken wortel. Dat was zijn voedsel en zeker ook van zijn vader op die ontzettende tocht. De vrouw zegt lieve woordjes en sust hem als een klein kind. Maar ik moet verder. Ik moet zorgen dat er voedsel komt. De levenden, die mij dierbaar zijn, wachten op mijn terugkomst.
Wim heeft gaten in zijn benen. Ze vallen er zomaar in. Men zegt dat de suikerbieten daar de oorzaak van zijn. Ik weet het niet, maar ik maak me ongerust.
Met een kalm gangetje rijd ik verder. Langzaam aan verdwijnt de beklemdheid waarvan het zien van de dode man de oorzaak was. Ik ben bepaald nog niet gehard genoeg, ondanks de ellende langs de weg. Een man komt naast mij rijden.
"Het is wat", zegt hij schor, "zo'n einde. Zag je wat ze bij zich hadden? Wortelen en uien. Een hartig hapje. En daar hebben ze vier dagen voor gesjouwd."
"Dan ben ik makkelijker", gaat hij voort. "Als de boeren me niets geven, jat ik het. Vorige week heb ik nog drie konijnen op de kop getikt. Je moet toch vreten."
Ik kijk hem eens aan. Het is er één uit de binnenlanden van Amsterdam.
"We hebben met z'n tweeën een kuil opengelegd en een kar appies gelaaien. Hadden we die boer effe tuk. Ach man, je mot lef hebbe. Zal ik je eens een goeie mop vertellen", gaat mijn praatgrage weggenoot verder. "We waren met z'n drieën met de kar op stap. Effe boven Hoorn vragen we onderdak en een hap eten bij een boer. Nee, zeit die boer. Te slapen kan ik jullie niet hebben, maar te eten heb ik wel voor jullie. En ja, daar komt me die boer met een grote pan hutspot met dik vet er in. Wij aan 't roeien. Me maat bekijkt die pan en zegt zo, een goed pannetje. Afijn, we bikken die pan leeg, zijn opgestapt en hebben drie boerderijen verder die pan geruild voor vijftien pond tarwe. Hoe is het, hè?"
Triomfantelijk kijkt hij me aan en verwacht natuurlijk mijn goedkeuring en hartelijke toejuichingen. Even moet ik toch lachen, alhoewel ik er niet mee akkoord ga, want het is een schurkenstreek. Maar ik zeg er niets van. Het kan me eigenlijk weinig schelen. Het is ook een wet van de weg, eten of gegeten worden.
"Je mot link wezen", gaat mijn reisgenoot verder. "Wat me maat en ik al niet geflikt hebben. Voor ik dood in een kar kom te liggen, zal er toch nog wat motte gebeuren. Moet je horen. Effen onder Medemblik hebben we een boer een hak gezet die effe tof was. Ik ga het erf op om te vragen of we wat te bikken konden krijgen. Ik kijk om de schuurdeur en daar staat die boer te handelen met iemand. Hij heeft juist een paar toffe rubber laarzen in z'n jatten. En ik alsmaar turen. En ja, daar ruilt me die vent een paar rubber laarzen, een nieuwe auto binnenband en een leren jekker voor een hap eten. En ik maar loeren. Daar gaat me die boer met die man naar binnen, ik sluip die schuur in en pik het zaakje in. Hei je wat, zegt me maat. Kom mee, zeg ik. En laat ik nou het hele zwikkie geruild hebben bij die boer zijn naaste buurman. Ik geloof dat het nog familie van hem was ook."
Mijn maat vertelt verder, is geestig en vrolijk. Ik krijg ook nog een goede sigaret van hem. Waarvan de geur en de smaak mij ten eeuwige dagen bij zullen blijven. Maar plotseling wordt mijn kameraad ernstig. Hij wijst op een landhek en zegt: "Zie je dat landhek daar? Daar hebben de moffen vijf mensen tegen gezet en dood geschoten."
"Illegalen?" vraag ik.
"Nee", zegt mijn maat, "trekkers, hongerlijders, zo maar van de weg opgepikt. Mensen die van de prins geen kwaad wisten. Effe voor het viaduct hebben ze een dooie mof gevonden en daar moesten vijf arme sloebers voor boeten."
Ik vraag niet verder. Het doet er weinig toe of het nu verzetslieden of trekkers waren. Het is allemaal hetzelfde. Wij allen, mannen en vrouwen, die het hoofd niet buigen voor het ontzettende nazi regime, die met gestrekte arm de groet niet brengen, Gods onmogelijk kunnen brengen, wij allen staan aan dezelfde gevaren bloot.
Langzaam rijden we verder. Mijn weggenoot is lang zo spraakzaam niet meer. En ik ben het van me zelf niet. We rijden verder, verdiept in onze eigen gedachten.
Vanuit de verte dreunt het gebrom van naderende vliegtuigen.
"Tommy's," zegt mijn maat.
Ik knik van ja.
"Tommy's", zeg ik hem na, "onze redders."
Bij een kruising van de weg nemen we afscheid.
"De groeten," zeg ik.
"De mazzel en de zenuwen voor de moffen." is het afscheid van die onverschillige gezel.
Zon overgoten liggen de boerderijen langs de weg. Voor mij zijn het paleizen van overvloed. Volgetast met het heerlijkste voedsel. Waarvan ik nu best wat gebruiken kan. Want ik heb in letterlijke zin de geeuwhonger. Maar op vele hekken die toegang geven tot de erven van die voedselpaleizen hangt een groot slot. Of er staat een bordje, waarop je kunt lezen, dat je voor de hond op moet passen. Bij deze bewoners hoef ik niet aan te kloppen om werk. Niet dat het zulke slechte mensen zijn, o nee, helemaal niet. Ze houden het gezicht alleen maar afgewend, dat is gemakkelijker. Al die ellende langs de weg ook. Dat wil natuurlijk niet zeggen, dat je er helemaal niet terecht kunt. Wanneer je iets kostbaars of iets nuttigs en dat in feite voor jezelf onmisbaar is, hebt aan te bieden, dan willen ze daar nog wel iets voor geven. O, niet teveel hoor, want erwten en bonen zijn zo duur, zo ontzettend duur in de stad en daar moeten ze toch een beetje rekening mee houden. In de kerk luisteren ze aandachtig naar hun geestelijke voorganger die hun ernstig en in schrille kleuren een beeld tracht voor te schetsen van de ontzettende ellende in de grote steden. Begrijpend knikken zij van ja en vinden het bar erg. Zij nemen zich voor om bij de volgende aanbieding van iets goeds een pondje erwten of bonen meer te geven. En gesticht door hun goede voornemens gaan ze naar huis en drinken echte koffie met suiker of een glaasje. Zo'n ellende in zo'n stad toch. Het is bar erg. En voor zij hun middagslaap gaan doen, vinden zij het zeker nog wel driemaal bar erg.

Ik bel aan bij een gewoon woonhuis. Een bejaarde juffrouw doet open en vraagt wat ik wens.
"Ja", zegt ze, "ik heb nog wel wat te repareren, maar wat moet het kosten?"
Ze laat me een paar pannen zien. Ik zeg dat het repareren van die pannen niets kost. Alleen maar een paar sneetjes brood.


"Brood? daar heb ik zelf niet veel van. Mijn man is geen boer moet je weten en hij werkt ook niet bij de boeren."
Het kan me op het ogenblik zo weinig schelen wat haar man wel en wat hij niet doet. Ik heb honger, een razende geeuwhonger. En ik wil daar naar binnen. Wanneer ik eenmaal binnen ben zal ik wel weer zien.
"Goed juffrouw", zeg ik, "dan maar geen brood, betaalt u dan maar."
En ik geef voor die reparaties een klein prijsje op. Ze laat me in een grote kamerkeuken. Dan komt ze met allerlei pannen en pannetjes aandragen, die ik moet nazien. Ik sta er bij te beven op mijn benen. Maar ik beheers me zo goed mogelijk. Als ze even weg is, kijk ik vlug de keuken rond. Er staan een paar pannen op het aanrecht waar de deksel op zit. Vlug til ik het deksel op. Leeg zijn ze, alle drie. Hutspot heeft er in gezeten. Misschien wel met vet of spek. Ik lik even aan het deksel waar nog wat etensresten aan zitten. Dan valt mijn oog op een hondje. Het ligt rustig te slapen onder een tafeltje. Maar het is niet het hondje dat mijn aandacht trekt, maar de roodaarden schotel vol met kostelijk uitziende hutspot. Daar staat mijn kans. Druk rommelend met mijn reparatiewerk, schuif ik dichter bij de schotel. Ik zie nog alleen dit eten. Ik moet het hebben. Maar nog voordat ik mij kan bukken om met mijn handen het eten van de schotel te grissen, komt de juffrouw binnen. Een lam gevoel van teleurstelling komt over mij. Wanneer ik mij omkeer om haar aan te kijken, zie ik dat zij een diep bord met pap in haar handen heeft. Mijn gezicht moet wel een eigenaardige vertoning van schrik en verrassing en van allerlei andere gevoelens te zien hebben gegeven. Ze kijkt me tenminste halflachend, half ernstig aan en zegt niet onvriendelijk:
"Eet dit maar eerst op."
Met haar voet schuift ze het eten van de hond wat verder onder het tafeltje.
Ik verslind het bord pap en wanneer ik denk dat ze het niet ziet lik ik het geheel schoon. Wanneer ik met de reparaties klaar ben, zet ze ook nog vier sneden brood met boter voor mij neer.
"Je had zeker wel erge honger," zegt ze dan en zet het schoon gelikte bord in de afwasbak.
"Ik kan mij niet herinneren, tenminste niet goed, hoe cake smaakt, maar het kan nooit lekkerder gesmaakt hebben als dit brood," zeg ik dan.
Ik kan mij nog best herinneren hoe voor de oorlog het brood spierwit zag. Je kon net zoveel krijgen als je wilde. De mensen smeten het weg. De schillenkarren lagen vol. Maar dat is nog tot daar aan toe, maar ze smeten het ook in de vuilnisbakken en op straat. Dat is iets wat na deze oorlog wel niet meer zal gebeuren. Tenminste door deze generatie zeker niet.
Ik vertel haar van de man, die geregeld onder het westelijk viaduct heen en weer loopt met een zakje bij zich en niets anders zegt dan: "Wie helpt mij uit de nood en geeft mij een stukkie brood." Ik vertel er niet bij dat men deze sneetjes brood op de zwarte markt kan kopen voor drie gulden per sneetje, dat zou die juffrouw toch niet begrijpen. Maar dat kan niemand hier, in dat nog altijd rijke Beemsterland. Men moet honger gehad hebben, echte slopende honger. Waarbij men het gevoel heeft of men van dril is of men zaagsel in de armen en schouders heeft. Daar weten ze hier niet van.
"Ja", zegt de juffrouw, "het is verschrikkelijk, maar zo benauwd hebben we het hier nog niet."
Wanneer ik opstap vraagt de juffrouw wat of ze betalen moet. Ik zeg dat het zo wel in orde is. Wat heb ik aan geld. Opgewekt rijd ik verder. Het goede voedsel heeft mij goed gedaan. Ik zie nu alles veel rooskleuriger, maar nu moet ik toch zien dat ik wat voedsel verdien. Of mijn maag nu al gevuld is, thuis hebben ze daar niets aan. Ik rijd voorbij een handkar, waarvan een wiel gebroken is. Drie mannen zitten er moedeloos bij. Hun ongeschoren gezichten wijzen uit, dat ze zeker al een dag of vier onderweg zijn. Ze zien er ontzettend uit. Hun schoenen en broek zitten dik onder de modder. Ik stap even af en bekijk het wiel van dichtbij. Het is totaal verbrijzeld en niet te herstellen.
"Hoe willen jullie dat weer voor elkaar krijgen?" vraag ik zo.
"Ja", zegt een der mannen, "mijn zoon is naar de stad op een fiets zonder banden. Naar de karrenverhuurder een ander wiel halen."
Ontzettend. Dat is vierenvijftig kilometer heen en terug. En terug met een zwaar karrewiel. In de kar liggen zakken wortelen, rode bieten en uien. Aardappelen hebben ze niet kunnen krijgen. Ze hadden niets bij zich om te ruilen.
"Ik zou niet weten, wat ik nog zou moeten ruilen", zegt een der mannen, "tot de schoenen van mijn kinderen toe, heb ik geruild. Je moet toch vreten. En wat kreeg ik er voor terug. Ze zijn zo hard als vijfduims draadnagels, die boeren. Mijn jongste dochter moet beslist iedere dag een liter melk drinken. En we hebben met z'n vieren nog geen half kannetje op de kop kunnen tikken."
Ik luister niet meer. Die gesprekken maken me maar moedeloos.
Ik rijd voorbij een klein boerderijtje. Daar ga ik niet aan. Die boer is onvriendelijk en stug. Of hij doet maar zo. Maar ik weet wel beter, want in zijn hart is dat een goede kerel. Hij herbergt onderduikers. Niet zo lang geleden, over het erf recht op de stal aanlopende, zag ik daar twee stadse jongelingen druk aan de arbeid. Aan hun verschrikte gezichten bemerkte ik meteen met onderduikers te doen te hebben. En ook de houding van de boer tegenover mij was lang niet vriendelijk. Ik zou zo'n boerderij niet eens zo veilig vinden. De verrader slaapt niet. En wanneer de moffen zo'n boerderij plotseling omsingelen, wat dan?
Bij het erf van een bouwboer stap ik af. Hier zal ik het maar eens proberen. Er komt juist een juffrouw van het erf af. Onder haar arm draagt ze een pak in bruin papier.
"Is het iets geworden?" vraag ik. Moedeloos schudt ze haar hoofd en zegt: "Nee, hij wou er niets voor geven. Een half mud aardappelen kon ik krijgen voor twee lakens, twee slopen en twee badhanddoeken, alles nieuw en van vooroorlogs. Is het niet verschrikkelijk."
Het is ook verschrikkelijk, maar de boeren zullen vol zitten met linnengoed tot het kostelijkste lijnwade toe, denk ik zo. Er is teveel aanbod van, meer dan de boeren de eerste tien jaar zullen verslijten.
Wanneer ik het erf voor de helft over ben, komt de jonge boer mij al tegemoet en vraagt hartelijk: "Mot je."
"O niets", zeg ik vriendelijk, "ik kom zo maar eens kijken hoe of jullie het hier maken en heb gelijk wat meegebracht."
"Ik heb niets nodig," bromt de boer en draait zijn rug naar me toe.
"Nee", zeg ik, "dat weet ik wel, maar je vrouw wel. Die moet nodig een paar goede pannen hebben."
Met een ruk keert de boer zich om en kijkt mij aan met een gezicht waarvan je de belangstelling en wantrouwen tegelijk kunt afscheppen.
"Heb jij pannen?" vraagt hij nors.
Ik maak de zak los en haal een van de pannen tevoorschijn en geef tegelijkertijd een luid klinkende slag op de nieuwe aluminium bodem.
"Dat is kwaliteit baas, zo vind je ze niet meer."
Met gluurogen bekijkt de boer de pan van alle kanten. Ik heb beet, dat voel ik. Nu vast zien te houden.
"Kom maar mee," zegt hij dan, en hij gaat mij voor naar de deel.
Rustig stal ik uit. Ik laat uit niets blijken dat ik in grote spanning verkeer. Ik moet beslist voedsel hebben en ik kan niet met lege handen thuiskomen. Buiten de pannen heb ik ook nog goede gereedschappen en allerlei artikelen van praktische aard. Ik heb me voorgenomen me niet te laten afzetten, zo min mogelijk tenminste. Er heeft zich een kring van boeren en deerns om mij gevormd, die stuk voor stuk al de uitgestalde artikelen in de hand nemen en bekritiseren. Ze zijn wel enigszins onder de indruk van al die solide gereedschappen. Ik bestudeer hun gezichten en luister naar de klank van hun stemmen. Ik schijn wel een kans te zullen maken.
"Moet je voor die pan hebben?" vraagt de boer onverschillig.
Nu gaat het er op aankomen.
"Vijf pond tarwe," zeg ik met een stem of het mij totaal niet interesseert of de boer al of niet de pan neemt.
"Vijf pond tarwe, kan je net denken," zegt de boer en kijkt mij daarbij aan met een gezicht alsof hij de grootste afzetter van de wereld voor zich ziet staan.
Ik blijf onverschillig kijken en pak al mijn uitgestalde artikelen stuk voor stuk weer in. Ik maak er onderwijl grappen bij en vertel moppen. Mijn hart klopt in mijn keel en het is of ik lood in mijn benen heb. Er is zeker wel meer dan een uur met dit uitstallen en praten verloren gegaan. En geen resultaat. Ik zie opeens de bleke gezichten van Wim en Lien voor me. Ik zie Moeder zich zorgelijk en stil door het huis bewegen. Neen, dat kan toch niet. Ik moet eten meebrengen. Ik moet. Zou ik dan toch maar vragen wat hij er dan voor wil geven. De harde stemmen rond mij zijn mij nu hinderlijk. Eén der boeren haalt een sigarettenaansteker voor de dag en vraagt of ik het apparaat kan repareren. Het afsluitdopje is afgebroken. Ik bekijk het ding. Mijn eerste opwelling is om het te weigeren. Veel kan het niet opbrengen en kost maar tijd. Ik doe het echter wel. Hoe langer ik in deze omgeving ben, des te meer kans dat ik nog wat omzet. Ik heb de boerin, die er inmiddels ook bij is gekomen al enige keren met de boer zien smoezen. Ik haal mijn gereedschap voor de dag en maak de soldeerlamp aan. Ik doe dat alles heel rustig en onderdruk het beven van mijn handen. Dan klinkt opeens de harde stem van de boer door de deel:
"Geef op die pan. En die andere twee pannen? Wat moet je daar voor hebben. Tarwe geef ik niet meer."
Ik sta er een ogenblik beduusd van. Voor iedere pan beding ik vijf pond bonen. en ik krijg ze ook nog. Het ijs is gebroken. Een ieder wil ineens wat hebben. De boer laat zich trouwens ook niet onbetuigd. Hij blijkt heel wat gereedschap te kunnen gebruiken. De waarde van hetgeen ik er voor ontvang ligt natuurlijk ver beneden de waarde van mijn artikelen. Maar mijn zakken raken vol, vol met kostelijk voedsel, vol met leven.
Ik vraag een glaasje melk. Voorgevende dat ik zo'n droge keel heb gekregen van het praten. Met een hartelijke klap op mijn schouder wordt het glas voor mij neergezet. Een jonge deern gaat naast mij zitten. Ze heeft een sierspeld waarvan het speldje gebroken is. Ik repareer het voor haar. En zo repareer ik voor iedereen wat.
Wanneer ik het erf verlaat is de zon al over zijn hoogtepunt heen. Maar mijn vracht aan ijzerwaren en pannen ben ik kwijt en mijn zakken zijn alle gevuld met kostelijk voedsel en mijn tabaksdoos met geurige, goed gefermenteerde tabak.
Rustig rijd ik huiswaarts. Haast heb ik niet. In ieder geval kan ik wel voor zeven uur thuis zijn. Weer rijd ik voorbij de mannen met het gebroken karrewiel. Ze hebben een vuurtje gestookt in een blikken bus, waarin gaten geslagen zijn voor de trek. Wortelen en uien staan in een pan boven het vuur te pruttelen. Het zal in ieder geval beter smaken dan rauwe wortelen. Ik steek mijn hand op en rijd maar door. Er zijn zoveel gestranden langs de weg.
De spanning van deze dag doet zich nu gelden. Ik voel me doodvermoeid. Ik heb een hinderlijke pijn in mijn armen en rug. Ik moet rusten. Even voor Purmerend stap ik af. Ik moet toch ook weten of de brug wel veilig is. Ik zet de fiets neer en ga boven op een hekje zitten en draai een sigaret.
Het leven van zwoegende ellende trekt langs mij heen. Mannen, vrouwen en kinderen, voortgedreven door de honger, opgejaagd door onze beulen, afgesnauwd en afgezet door de boeren. Op alle gezichten het schrijnende leed van deze verschrikkelijke tijd. Ratelende handkarren, gammele bakfietsen, fietsen zonder banden trekken langs mij heen. De zwarte armoede. Alleen de hoop, wat voedsel thuis te kunnen brengen houdt de mensen op de been.
Mijn inzinking is voorbij en kalm rijd ik verder. Buiten adem ben ik, wanneer ik mijn fiets tegen de hoge kluft voor de "brug der smarten" opgeduwd heb. Maar de weg is veilig en dat maakt veel goed. Hoevele malen moest ik niet, en vele anderen met mij, bij de brug omkeren en in volkomen uitgeputte toestand een omweg maken van vele kilometers. Alleen omdat de brug voor Purmerend bezet was door rovers van diverse pluimage. Waarvan de leden zonder onderscheid allen handlangers waren van het vervloekte Hitler-regime.
Rustig rijdend laat ik de kilometers achter mij. Enorme golven vliegtuigen trekken over. De moffen worden murw gebeukt, piept mijn verroeste ketting. "Gebeukt, gebeukt," rammelen het voor- en achterwiel. Steentjes springen opzij en fluisteren: "gebeukt." De diepe haat tegen onze onderdrukkers, tegen deze onteerde rovers en moordenaars zit de mensen in het bloed gevreten. Men zegt dat zij Jodenmensen in gaskamers ombrengen of hen in gloeiende ovens levend laat verbranden. Joodse kinderen, in de onschuld van hun jeugd zouden in het gezicht van hun moeders gemarteld en doodgeslagen zijn. Terwijl deze eerbare moeders door deze gruweldemonen op de meest satanische manier onteerd en afgemaakt zouden worden.
Wanneer deze gruwelen waar zijn, zo moge het bloed van deze slachtoffers komen over de hoofden van hen, die daar de schuld van dragen.
In Watergang stap ik af. Aan dit dorpje zal ik zo lang ik leef een herinnering bewaren, die door niets uit te wissen is. Wanneer ik door dit dorpje rijd, of eigenlijk wanneer ik er langs rijd, want doorrijden deed ik het nimmer, dan komt mij altijd die verschrikkelijke nacht in januari weer door de geest. Maar moet ik ook altijd aan de Meester en diens vrouw denken. Wanneer zij er niet geweest waren.
Maar kom aan, de tijd om daarbij stil te staan is nog niet gekomen. Nog niet, maar nadert onweerstaanbaar. Ik ga het café binnen, want, o wonder, het is geopend en dat is in lang niet het geval geweest. Overal staan handkarren, fietsen en bakfietsen. In het café heerst een roezige drukte. Alle tafeltjes zijn bezet. En voor het buffet verdringen zich mannen en vrouwen, want er wordt bier geschonken, hetgeen in lange tijd niet het geval geweest is. Wanneer ik een glas machtig ben geworden, zet ik mij aan een tafeltje waar al reeds twee mannen en een jongen hebben plaats genomen. Ik mompel een "goeiemiddag" maar krijg geen bescheid, hetgeen ik trouwens ook niet verwacht. De stemming is gedrukt. De mensen bewegen zich als in een droombeeld, langzaam en onzeker. Er zijn er die de verschrikkelijk lange weg nog voor zich hebben. Tot de laatste behoren mijn drie tafelgenoten, de twee mannen en de jongen.
Een der mannen vouwt met zorgzame handen, alsof daar ik weet niet wat van afhangt, een stukje papier samen en stopt het in zijn zak.
"Ziezo", zegt hij en hij kijkt mij over de tafel een ogenblik strak aan.
"Dat zit er in en een knappe die het eruit haalt. 't Was me laatste."
"Wat laatste," vraag ik.
"Wel, me laatste sneetje brood natuurlijk."
De andere man, die de vader van de jongen blijkt te zijn, hoest met een hol en hard geluid. Zijn ingevallen gezicht vertrekt daarbij pijnlijk. Hij haalt een plat doosje uit zijn zak, neemt er twee poeders uit en slikt ze naar binnen.
"Ziezo", zegt hij dan, "voorlopig ben ik mijn hoest kwijt. Wanneer we nog wat te bikken hadden, dan was de zaak helemaal voor elkaar."
"Heb je niet meer?" vraag ik.
"Nee", zegt de jongen, "net op." Dan wordt er niet gesproken. We zitten in onze eigen gedachten verdiept. Ik denk er aan dat deze mensen, die ontzettend lange weg nog voor zich hebben. Zonder voedsel bij zich. Waar zouden ze dat voor Hoorn kunnen krijgen? Ik weet het niet. En Hoorn is nog zo ver. Zeker van Watergang afgerekend. Wel vijfendertig kilometer. Wat gaat het mij eigenlijk aan. Het is hun zaak en niet de mijne.
Ik kijk naar de jongen. Peinzend staart hij door de grote spiegelruit, naar buiten, de weg af. Dan zegt hij stil: "Als we maar eerst bij de boeren zijn, Vader."
In mijn zijtas zit nog altijd de bus met suikerbiet en gemalen tarwe tot een grijze massa samengeklont. Ik heb er niets van naar binnen kunnen krijgen en heb er ook geen behoefte aan. Ik zet de bus op het tafeltje en leg er een lepel naast.
"Lusten jullie?" vraag ik en tik met de lepel op de bus. "Suikerbiet met gemalen tarwe."
En het was net of ze alle drie uit een diepe slaap ontwaakten. Levendig beweerden ze, dat er niets lekkerder was dan juist dit produkt. En om beurten lepelend, eten zij gedrieën de bus leeg. De jongen weet zijn dankbaarheid door niets anders uit te drukken dan door een vloeitje voor mij neer te leggen en er een piezeltje tabak op te strooien. Onmiddellijk gevolgd door nog twee piezeltjes van de vader en zijn reisgenoot. We roken zwijgend en lust tot praten is er niet. Een ieder is te veel gevangen in zijn eigen gedachten. De ontzettende lange tochten, de ontbering, de lichamelijke uitputting hebben de hersenen traag en lusteloos in het denken gemaakt.
Een kind huilt. Ik kijk op en zie een vrouw het kind tegen zich aandrukken en troosten. Met in iedere hand een glas bier nadert haar man, zet een glas voor haar neer en gaat dan zitten. De vrouw zegt iets tegen hem en hij knikt. De vrouw haalt met een zorgelijk gezicht een pakje uit haar tas, haalt er een sneetje brood uit en geeft de helft daarvan aan het kind. Het is een ontroerend gezicht. Die stille moeder en dat hongerige kind. Maar alle moeders zijn zo. Zij geven totdat er niets meer te geven is. Zij zijn de dapperste en meest opofferendste wezens die God ooit geschapen heeft. Ik zie het dagelijks aan Moeder. Zij beredderd, troost en staat bij, terwijl de angst haar de keel verschroeid.
De mannen en de jongen aan mijn tafeltje staan op en mompelen een groet.
"Nou, veel geluk en de mazzel," laat ik er op volgen.
"Ja", zegt een der mannen en hij buigt een weinig voorover, "voor ons de mazzel en de ziekte voor de moffen."
Door de grote spiegelruit kijk ik ze nog na, totdat ik ze niet meer kan zien. Hun lijdensweg is begonnen. Maar kom aan. Ik stap op. Wat geeft het, hier te gaan zitten peinzen, thuis wachten ze op mij.
Wanneer ik voorbij de school rijd, vang ik even een glimp op van een heer. Ik denk de Meester. Maar ik rijd voorbij, nog is de tijd niet gekomen.
Wanneer ik het Mosplein oprij, zie ik de neuzen van Wim en Lien als witte plekken tegen de ruiten gedrukt. Ze kijken naar mij uit. Ik steek mijn arm op en roep: "Ik kom, ik kom, ik ben er al."


  VOEDSELVLIEGTUIGEN  
De zon komt op, de zon gaat onder. De dagen zijn alle gelijk. De gesel der tirannen zwiept met felle slagen en het leed is ondragelijk. Maar we zien het einde van deze verschrikkelijke lijdensweg. Het zijn grote gebeurtenissen, die hun schaduw vooruitwerpen. Er zullen geallieerde vliegtuigen komen met voedsel. Dat zij zullen uitwerpen boven vastgestelde plaatsen. En de moffen zullen er niet op schieten. Maar zover is het nog niet.
Door de dunne wand van ons huisje, klinkt het steunend geluid van de oude man. Al weken worstelt hij met de hongerdood. En niemand kan hem bijstaan. Er zijn ogenblikken dat hij het uitschreeuwt in wilde wanhoop: "Honger, honger."
En toch zijn wij vol verwachting. Alles wijst er op dat het einde nabij is. Op de ruiten van het telefoonhuisje, voor zover er nog ruiten inzitten, zijn door de illegalen pamfletten aangeplakt. Vanuit het raam zie ik ze zitten. Vlug loop ik er heen. Ik wil weten wat er op staat. "Soldaten werpt de wapens neder, de oorlog is verloren," staat er in het Duits op. Sneller dat ik er heen liep, ren ik terug. Er komt een groepje soldaten aan. Zij blijven voor het pamfletje staan. Hoongelach en spot. Ze houden een burger aan en dwingen hem het papier er met zijn nagels af te krabben. Deze edele zonen van het Derde Rijk zijn van hun ondergang nog lang niet overtuigd.

Eindelijk is het zover. Vliegtuigen scheren laag over de huizen van de stad. En er wordt niet geschoten.
Het zijn voedselvliegtuigen. Het is een ontroerend moment. Bij duizenden lopen de mensen hun huizen uit. Ze zwaaien met lakens van de daken en uit de ramen. Ze omarmen elkaar. Anderen knielen neer en bidden. Stoere mannen schamen zich niet voor hun tranen.
De vliegtuigen werpen hun pakketten uit op vastgestelde plaatsen. Het kostelijke voedsel gaat nu komen. En overal heerst vreugde en opluchting. Dit betekent het einde van de ontzettende ellende.
Maar het voedsel moet nog verdeeld worden en dat gaat natuurlijk niet zo vlug als wij dat zouden willen. Als ik er nu nog op uitga, zal het wel voor de laatste keer zijn. Maar er op uit moet ik nog, willen wij niet van gebrek omkomen.

 





  5 MEI 1945  

Waarom ik in dit verhaal geen data noem? Welk nut zou dit hebben? Alle dagen zijn gelijk. Alle dagen zijn zwart, vloeit er bloed en striemt de gesel der barbaren.
Als een schitterende ster straalt daar die ene datum, de vijfde mei. Deze datum blijft ons in het hart gegrift en zal zeker door deze generatie als de dag der dagen gevierd worden.
Over het wijde Beemsterland klinken de slagen van de hamer, terwijl ik bezig ben een nieuwe bodem te zetten onder een pan van een boer. Vliegtuigen vliegen laag over het blinkend water van de ondergelopen polder. Voedselvliegtuigen. Ik zwaai met mijn hamer en schreeuw tegen ze. Ook de boer staat te kijken en blijkt even opgewonden als ik. Dan valt er een pak uit één van de vliegtuigen. Ik werp mijn hamer neer en loop wat ik lopen kan. En dat is niet hard. De boer is mij al gauw voorbij. Hij grijpt het pak en komt er triomfantelijk mee aandragen. Hijgend sta ik stil en wacht tot hij naderbij gekomen is. Het is een gewone jute zak waarin drie bussen met aardappelmeel vermengd met suiker. Zo voor het gebruik gereed staat er in het Engels op.
"We moeten maar delen," stel ik de boer voor, maar hij gaat er niet op in.
"Neen", zegt hij, "er rijden auto's rond waaraan de gevallen pakketten afgeleverd moeten worden. En kijk eens achter je."
Waar ze zo gauw vandaan gekomen zijn, maar het erf staat vol mensen, die zich nieuwsgierig om ons verdringen als wij met het pak op het erf aangekomen zijn. Een van de mensen smeekt om een gedeelte van de inhoud. Zijn vrouw en kinderen zijn hard ziek. De tranen rollen hem over de wangen, maar de boer laat zich niet vermurwen.
"Ik moet inleveren," zegt hij stug.
Ik maak mijn werk vlug af en spoed me dan naar de boerderijen, waar ik nog een afspraak heb. Nog voor het vallen van de avond keer ik huiswaarts. Ik rijd langzaam, de vracht is zwaar. De boeren waren in een gulle bui, nu het einde gekomen is.
Toch ben ik niet in een feeststemming. Ik kan het idee "Vrijheid" nog niet verwerken. Ik kan maar niet begrijpen dat er nu een einde gekomen is aan die ontzettende toestand, dat ik nu niet meer langs de wegen hoef te zwerven als een pauper, geen honger meer zal hebben, Moeder weer zal zien lachen, al de kinderen thuis. Het is alles nog zo onwezenlijk en gaat nog buiten het bevattingsvermogen.
Onwillekeurig kijk ik spiedend de weg af. Maar neen, dat hoeft ook al niet meer. We zijn vrij, dus kan ik zonder opletten gerust doorrijden.

Bij een wegkruising trekt een groepje zingende boerendochters en zoons voorbij. Ze dragen oranje strikken en strepen. Ze zingen het hoogste lied en gaan juichend en jubelend verder. Ik houd een ogenblik stil en kijk naar die voorbijtrekkende jonge mensen. Zij zijn zonder onderscheid goed gekleed en geschoeid en zien er allen weldoorvoed uit. Ik denk aan de mensen uit de steden. Welk een tegenstelling. Zouden deze ondervoede en uitgeteerde mensen nu op dit ogenblik ook zo jubelen en juichen. Ik denk wel van niet. Ik zou het tenminste niet kunnen. Maar waarom juichen deze mensen dan wel?
Ik stap op en rijd verder, maar blijf over deze vraag, mijzelf gesteld, napiekeren. Waarom juichen deze mensen dan wel? Heeft de oorlog hen dan zoveel kwaad gedaan? Hier is iets dat ik niet begrijp. Hoevelen onder hen zijn er niet, waar thuis de kasten uitpuilen van het kostelijkste linnengoed, de laden gevuld zijn met kostbaarheden, het middagmaal bereid wordt op moderne kookapparaten, gas of elektra. En toch juichen deze mensen. Neen, hier zit iets in dat ik niet begrijp. Ik rijd maar wat sneller en laat mijn gedachten naar huis gaan.
Even voor Purmerend is een kwartier van de Grüne Polizei. Wanneer ik voorbij rijd zitten ze in groepjes in de voortuin met elkaar te praten. Hun tronies hebben een uitdrukking van: hè, hè, gelukkig dat het voorbij is, wij hebben het toch ook niet kunnen helpen. De kragen van hun tunieken staan open. Hun hele houding moet aantonen dat ze werkelijk zielsvergenoegd zijn, dat wij nu eindelijk bevrijd zijn.
Ik hou de spijlen van het hek vast, terwijl ik op mijn fiets blijf zitten. Daar zitten ze dus, deze demonen, deze verschrikkelijke mensenjagers. Ik voel de aderen in mijn nek zwellen. Een razende woede maakt zich van mij meester. Dit zijn dus de bloedhonden die op onze zonen gejaagd hebben. Zie ze zitten. Ze doen toch zo onschuldig. Er komt nog iemand naast mij staan, balancerend op zijn fiets, houdt hij ook een van de hekspijlen vast. Even zwijgt hij. Dan komt er een sissend geluid uit zijn keel. Hij omklemt de onwrikbare ijzeren stijl, alsof hij hem los wil trekken.
"Ploerten, vuile Hitlerhonden," brult hij en spuwt een straal speeksel in hun richting. Met spanning kijk ik naar de reactie op de gezichten van deze voormalige kwelgeesten, maar ze verwikken of verwegen niet. Wanneer ik verder rijd en nog even omkijk, zie ik het speeksel als een taaie draad langs een spijl naar omlaag glijden.
In Purmerend heerst een kalme stemming. De vlaggen hangen uit, overal. Maar de mensen zijn niet uitgelaten. Er heerst een kalme drukte in de straten. In onze harten is nog geen vrede. Het lijden is te groot geweest. En de haat tegen onze onderdrukkers, hetzij groene of zwarte, is te diep geworteld. Er is nog geen plaats voor innerlijke vrede. Peinzend rijd ik verder. Ik zou moeten zingen en juichen, zoals het jonge volk in het Beemsterland, maar ik kan het niet. Het is voor mijzelf onbegrijpelijk. In gespannen aandacht tuur ik de weg af naar mogelijk gevaar. De ontzettende spanning waaronder wij geleefd hebben is in een handomdraai niet uit te wissen. Ik stap af. Ik sta voor het hek, waarvan mijn praatgrage reisgenoot gezegd had, dat hier vijf mensen doodgeschoten zijn.
De driekleur hangt over het hek en tegen het hek aangeleund staan kransen en ervoor liggen bloemen. Op deze sobere plek zijn mensen neergeschoten in koele bloede. Onschuldige mensen, weggerukt uit het midden van hun gezin of familie. Enkele mensen staan erbij in stille ernst. Stil kijk ik toe. Wat zou ik hier zeggen of vragen. Een diepe ontroering maakt zich van mij meester. Ieder rumoer zou hier misplaatst zijn, zou deze plek ontheiligen. Hier is alleen maar plaats voor stille aandacht. Nu weet ik dat de oorlog voorbij is. We kunnen onze doden herdenken. We zijn vrij. Het ontzettende gewicht van de oorlog is van ons afgenomen. De oorlog; de ontzettendste ramp die de mensheid kan treffen. De oorlog, waarvan de inhoud niets anders is dan tranen, bloed en wanhoop, is voorbij. En onze doden mogen wij herdenken. Moeders hoort gij het.
Het groenende polderland verliest zich in het wazig verschiet. Vogels stijgen op en haasten zich voort in haastig beweeg. Een leeuwerik stijgt op en zingt jubelend zijn lied met trillende keelklanken. De gehele natuur ademt vrede. Weer rijd ik de school voorbij. De school met zijn strakke lijnen en massieve eenvoud. Aan deze school heb ik wel een herinnering die in mijn leven door niets uitgewist zal worden. Die verschrikkelijke nacht in januari, waarin de school voor mij een oase was te midden van sneeuw en ijs, zal voor altijd in mijn herinnering blijven voortleven. En zeker zal ik de Meester en diens vrouw nog eens mijn dank gaan betuigen voor de hulp die zij mij en zeker ook vele anderen verleend hebben.


  VREDE  

Bij het Kruithuis staan nu geen moffen, groenen of zwarten, maar onze eigen Hollandse jongens in overalls, een helm op het hoofd en een stengun onder de arm. Breeduit staan zij over de weg. De jacht op onderduikende landverraders is begonnen. Langzaam rijd ik op hen toe en neem ze goed op; de mannen zonder vrees. De mannen die gewroet hebben en aan onze bevrijding zoveel hebben bijgedragen. De mannen van de illegale bladen. De mannen die de onderdrukkers in geheime en openlijke tegenstand durfden te weerstaan. En waarvan er zovelen voor het vuurpeleton gevallen zijn. Daar staan ze nu. Opgedoken uit de duisternis waarin ze zovele jaren ondergedoken zijn geweest. Breed uit staan ze over de weg in het volle licht en vrijheid. Ze verdienen de dank van de gehele natie, van dit geslacht en van vele geslachten die na ons zullen komen.
Ze kijken voor de vorm mijn spullen na. Ze vragen of ik geen wapens vervoer. Ik moet ervan om lachen.
"Neen", zeg ik bedachtzaam, "alleen een klein stukje afweergeschut." En dan keer ik mij om en staar de weg af, die ontzettend lange weg. Langzaam zakt de zon weg. Haar laatste stralen leveren een spel van licht en schaduw over de weg, die nu verlaten voor mij ligt. Het is voorbij. De lange lijdensweg waarop het noodgeschrei van tienduizenden ten hemel steeg is ten einde. God geve, dat wij die weg nimmer meer behoeven te gaan.
Moeder is stil verheugd. "Het is vrede," zegt zij blij.
"Ja", zeg ik, "het is vrede. Waar zijn Wim en Lien."
"Ze zijn de straat op, naar hun vrienden", antwoordt Moeder. "Herman en Jan zijn er ook geweest. Ze zijn wandelen met de meisjes," zegt ze verder.
Het klinkt zo vreemd, wandelen met de meisjes. Ik kijk Moeder aan en we lachen beiden. De jeugd kan weer wandelen gaan, uitgaan en pret hebben, zonder opgejaagd te worden.
Ik stal mijn meegebrachte waren uit. Er is een stukje kaas en een jampotje met boter bij en twee flessen melk. We zullen feest hebben vanavond. Vlug maal ik wat tarwe en bak een grote koek. Als de jongelui thuis komen, genieten we van dit feestmaal, zoals wij in lange tijd niet hebben kunnen doen.
We drinken surrogaat koffie met melk en de avond gaat voorbij met vrolijk gepraat. Voor de jongeren laten wij onze gedachten niet blijken. Laat hun genieten van dit ogenblik. Maar onze gedachten gaan uit naar onze oudste. Waar zou hij zijn?

In de nacht ontwaak ik. Er hangt een diepe stilte. Ik hoor de ademhaling van de huisgenoten. Ingespannen lig ik te luisteren. Ik kan maar niet begrijpen dat het nu zo stil kan zijn. Ieder ogenblik verwacht ik het monotone geluid van overvliegende vliegtuigen te zullen horen. Of het verwijderd geluid van uiteenbarstende bommen of reuzegranaten. Of het aanhoudend gedreun van een verwijderd zeegevecht. Niets hoor ik. Het is stil, doodstil. Ook Moeder ontwaakt even. "Wat is het heerlijk stil," zegt ze dromerig en slaapt onmiddellijk weer in.



  WRAAK  
De ontzettende haat, in de massa zolang onderdrukt, zoekt een uitweg. De N.S.B.-ers en S.S.-ers, of hoe al die parasieten nog meer mogen heten, zijn gevlucht. De moffen zijn ongenaakbaar, ze zijn krijgsgevangenen en staan onder bescherming. Dan de moffenmeiden maar. Die opgedirkte parasieten die met de moffen meegevreten hebben van hun vol gestolen tafel van overvloed. Die met minachting geantwoord hebben op de vele waarschuwingen die aan hen gegeven zijn. Die slechts een schamper lachje over hadden voor de armoede en ellende van het onderdrukte volk. De vele waarschuwingen hen gegeven, worden nu waargemaakt.
Uit hun huizen worden ze gesleurd en voor het aangezicht van de schimpende en hoonlachende massa, worden hun de haren van het hoofd geknipt en getrokken. Waarna hun hoofden met verf van helle kleuren worden volgekladderd. Tot laat in de avond klinkt het gejoel der wraaknemende menigte.

Het voedsel gaat komen. Neen, het is er al. Onafgebroken rollen de Canadese vrachtwagens, volgeladen met kostelijk voedsel, over het plein. Het is een prachtig gezicht. De jeugd zingt ze toe. "Ki-ka, Canada, geef ons koek en chocola." Hoevelen van die kleuters weten nauwelijks wat koek is en in het geheel niet wat chocola is.
Het is ontroerend mooi. Het leed is nu geleden. Pakketten worden ons uitgereikt. Vlees, spek, worst in blik, en vele andere voedzame en voor ons uitermate kostbare artikelen, worden in ruime mate verstrekt. We groeien zichtbaar. Het hongerspook is verdreven. Laat ons hopen voor altijd.
Het huiselijke leven gaat zachtjes aan weer zijn normale gang. De meisjes zijn alweer aan de arbeid. De vinger van Immy is nog altijd niet genezen. Maar er zijn, dankzij het goede voedsel, tekenen van vooruitgang. Wim werkt nog niet. Hij geniet met hartelust van zijn vrijheid. Zijn vermagerde blonde kop begint al te bruinen. De ruggen strekken zich. Het gaat goed zo. De gaten in de benen van Wim beginnen al te genezen. Onze bezorgdheid gaat nu alleen nog maar uit naar Lien. Op haar heeft het goede voedsel nog geen invloed gehad. Niet merkbaar tenminste. Zij ziet zo wit en gaat zo stil haar weg.
Eén plaats aan tafel is nog altijd onbezet. Piet is nog altijd niet thuis. We hebben nu bericht van over de IJssel. We weten nu, dat hij ergens in Groningen ondergedoken is geweest en het goed maakt. Dat is een troost.
Ongemerkt is de lente in de zomer overgegaan. Nu deze verschrikkelijke tijden voorbij zijn, lijkt alles een nachtmerrie, een boze droom. Waaraan het beter is niet meer te denken. Maar het leed in vele gezinnen is te groot om te vergeten. Hoevele moeders treuren niet om hun zonen of mannen, die afgemaakt zijn in de werkkampen van de duitse slavendrijvers. Hoevele kinderen of ouden van dagen stierven niet de hongerdood. Leed, verdriet en wanhoop, de erfenis die de oorlog ons nagelaten heeft.
In zijn padvinderskostuum brengt Wim telegrammen rond voor het Rode Kruis. Honderden. Vele ervan heb ik gelezen. Zonder onderscheid waren het juichkreten. Alle van dezelfde strekking. "Moeder, ik kom." Maar hoevele moeders zullen er nooit zo'n telegram ontvangen.
De laatste stralen van de ondergaande zon weerspiegelen zich in de ruiten van het huizenblok aan de overzijde. Na een drukke dag, ligt over het plein de rust van de avondstilte. Peinzend staar ik over het plein. Hoe is alles veranderd nu. De mensen staan rustig pratend bij elkaar. Kinderen spelen en vervullen de lucht met hun uitgelaten kreten. Een enkele vrachtwagen rijdt nog voorbij. En, onverschillig wat voor auto het is, wordt hij toegezongen door de jeugd. "Ki-ka, Canada..."
De schaduwen tussen de huizenblokken worden dieper en langzaam spreidt de duisternis zich ook over het plein. De mensen gaan naar huis en nog vaag klinken de kinderstemmen tot mij door.


  GEZIN HERENIGD  

Ook in huis is het rustig nu. Moeder en de kinderen zijn naar bed. Ik kan er nog niet toe komen en blijf staren over het plein. Ik denk aan Piet, onze oudste. Hij vormt het middelpunt van onze gesprekken en geen ogenblik is hij uit onze gedachten. Waarom zou hij nog niet komen? Hoevele malen zou Moeder deze vraag al zuchtend gedaan hebben. Ik vermoed wel dat de overgang van de IJssel nog altijd geblokkeerd is. Niemand mag er over zonder zich voldoende te kunnen legitimeren. En ik weet niet of Piet daar wel toe in staat is. We maken ons ongerust.
Een jongeman rijdt het plein op. Het zou Piet kunnen zijn: dezelfde houding en gestalte. Ook kijkt hij in de richting van ons huisje. Ik poets een van de ruitjes een weinig op en kijk wat scherper. Maar nu weet ik van verbazing niet meer wat ik moet denken. Nu zou ik weer zeggen dat het Wim is die daar aankomt. Maar dat kan niet, want die is vroeg te ruste gegaan en heeft geen fiets. En nu zie ik het duidelijk. Het is Piet. Hij is terug.
Ik spring op, open de deur en schreeuw tegelijkertijd de huisgenoten wakker.
"Moeder, kom naar beneden. Piet is terug."
Wanneer de ontroering van de eerste begroeting wat geluwd is, omringen wij hem en praten honderd uit. Hij is ongerust geweest over ons. In het noorden hebben ze gehoord van de ontzettende toestand waarin de bevolking van het westen verkeerde. Hij heeft gepoogd wat voedsel over te sturen. Maar het is nooit aangekomen. Bij brokstukken krijgen we zijn verhaal te horen. Van zijn vlucht voor de S.S. Zijn trekken langs de wegen bij nacht. Totdat hij eindelijk rust en onderdak vond bij goede mensen in het kleine Groningse dorpje Roodeschool. En nu is hij weer thuis. Hij heeft zelfs nog wat meegebracht. Een roggebrood en een zak rogge heeft Wim, nadat hij de fiets afgeladen heeft, op tafel gelegd.
"Meer kon ik niet meenemen," zegt Piet en hij zegt dat op een toon alsof hij zich wil verontschuldigen dat het geen tien roggebroden en tien zakken rogge zijn.
Meer dan tweehonderd kilometer heeft hij afgelegd. Op een volgepakte fiets met massieve banden. We vinden het kranig. Aan het vertellen komt geen eind.
En dan zwijgen wij stil en staren naar Moeder. Ze heeft de handen in de schoot gevouwen. Een glans van diepe zielevrede ligt over haar gezicht. Zij bidt. Zij dankt de Almachtige, die ons door Zijn wil, behouden en samengebracht heeft.
En hiermee is mijn verhaal ten einde. Zou het althans kunnen zijn. Maar er wacht mij nog altijd één taak, waarvan de vervulling als een plicht op mij rust. En een plicht geboren uit de hoogste nood zal ik zeker niet verzaken. Het is alleen een zekere mate van schroom, die mij belet direct uitvoering te geven aan de vervulling van die plicht.

Ik ben mij volkomen bewust, dat mijn verhaal niet een aaneenschakeling is van schone woorden of van diep doordachte sensaties. Het is slechts de eenvoudige waarheid, waaruit wel kan blijken dat men in zijn leven daden kan doen, waarvan men de gevolgen voor zichzelf niet bewust is.
En zo is het met de Meester van de school in Watergang. Hij heeft door zijn initiatief, een lokaal van zijn school voor trekkers beschikbaar te doen stellen, mij het leven en het geluk van mijn gezin gered.


 

Op 20 december 1972 werd Pieter Oostervink getroffen door een beroerte.
Hij overleed op 1 augustus 1973.

© Rotterdam 1992,  Peter Oostervink:
www.eastend.nl

Terug naar Dagboekenoverzicht