Terug naar Dagboekenoverzicht
Dagboek van Wim Heins over Nancy Walgemoed

 

 

Amsterdam, 25 januari 1989.

En van de laatste spiritistische seances van de Orde Der Verdraagzamen, vond plaats in de flat van de organisator George Meister.
Op weg naar de ODV-bijeenkomst liep ik met Frank Otto, het new age baronnetje, koutend het metrostation Ganzenhoef uit. Onderweg bereikten we twee vrouwen die het er over hadden of ze wel de goede kant uitliepen. "Als jullie tenminste ook op weg zijn naar de ODV", zei ik, "ja, nou dan zijn we in goed gezelschap."
Dit
was de montere routine-praat van mijn sociale schors. Innerlijk stond mijn geest open als een visnet, want ik taalde naar vrouwelijkheid als een woestijnplant naar regen.
Terwijl we met de lift opwaarts gingen had ik echter nog geen persoonlijk gerichte intenties. Maar aan de ingang van de woning, waar een dame de genodigden afcheckte op een lijst, verscheen er plots een wezen in mijn radar, dat ik onmiddellijk herkende, maar niet zoals je een persoon herkent. Misschien indien het leven inderdaad zo in elkaar zit: als een archetypisch beeld.
Ongewoon brede wenkbrauwen boven opmerkzame, tegelijk geestig dromerige ogen, die volgens mij zelfs nog zouden schitteren in een stikdonkere kamer. Een lange beige jurk, met smalle V-hals waarvan de omslag breed over haar schouders uitliep. Welbedoeld een taille om haar borsten rond te maken. Mouwen die naar haar onderarm breder werden, hoewel bij haar polsen weer nauw omsluitend.

Bij de creatie van de types, werd er een handvol wezens als aparte hoofdader door de schepping geworpen, die allemaal op haar lijken, en die in mijn bewustzijn geregistreerd staan als "spirituele kunstenaressen".
Dit vormde in het groepje bezoekers die moesten betalen mijn onbewust herkennen van deze onuitwisbare vrouw.

Om die reden keek ik het type langer aan dan sociaal als normaal geldt, maar niet zzeer dat mijn onderzoekende blik gnant zou worden. Bruin haar in een paardestaart ontblootte haar oorlellen met gouden ornament. Rood gesteente in gouden kettinkje om haar hals.
Een naar verhouding kleine mond opende zich belust naar een beginnende ronde lach. In rood tandvlees stonden grote tanden met een gelige weerschijn erop. Ik had honger naar stralend antwoord uit haar ogen als reactie op mijn ongeremd verblijf in het schootsveld van haar blik.
In plaats daarvan verwijderde zij zich, waardoor een snelle schim doodsdrift door mijn zielelandschap draafde.

Zij vormde de halfbewuste reden dat ik plaatsnam in een korte rij lege stoeltjes naast de 'bar' van de open keuken.
De huiskamer van Meister zag er uit als een kleine toereikend geoutilleerde huurzaal. Jaargangen Bres in de boekenkast, schilderachtige penseelwerkjes in felle kleuren, het medium Karel van der Nagel reeds gezeten achter de tafel in zijn groeiende ouderdom: rokend en koutend.
Het ontging me niet dat de archetypische vrouw voor de tweede maal het afstevenen op een zitplaats herzag.
Om de vluchtigheid van haar autonoom kiezen niet ten slechte te keren en haar met tegemoetkomende blikken niet te doen besluiten tot afstand, bepaalde ik me in mijn rondspieden zo min mogelijk tot haar persoon. Ze kwam langs de korte rij stoeltjes waar ik zat, en vroeg: "Mag ik hier zitten?"
"Ja."
Ik zei het op een toon of die stoel mijn eigendom was. Ik zei dus niet: "Ja de stoel is vrij en omdat u entree heeft betaald kan ik u niet weerhouden."
"Jij komt hier ook al lang zeg," vond ze even later. "Ja nou! Al van 1976." We babbelden een paar zinnen ongedwongen over de vroegere ODV-bijeenkomsten in Krasnapolsky, waarna voorzitter Meister de sance opende.

Ze begon aanhoudend te hoesten op een manier dat je denkt: als je het zo te pakken hebt blijf dan thuis. Helaas was ik net niet uitgerust met mijn eeuwige zoute drop.
Toen het pauze werd keek ik haar aan. Ze begon direct te klagen dat ze het zo vreselijk vond. Ik ondervroeg haar. Kwam het niet door n of andere ontspanning in de atmosfeer? Rookte zij? Voelde zij zich hier wel geaccepteerd? Mijn geest wilde zo snel mogelijk naar de oplossing van haar probleem. Hoewel ik het natuurlijk ook storend had gevonden sprak ik met haar zonder enige kritiek, in tegendeel: met een persoonlijke waardering waarin zij het juist verdiende om van het probleem te worden bevrijd.
Ik vond haar als persoonlijkheid zo sympathiek dat ik me er zelfs echt bij betrokken voelde. Ik opperde om 'affirmaties' te schrijven en trok uit mijn tas het boek van Sondra Ray, mij ook weer in handen gedrukt door een New Age gelovige.

Het bleek dat het praten haar opluchtte en dat zij er na de pauze geen last meer van had.
De dienstdoende geest, die na de pauze het medium bespeelde, wond zich op over de toestroom van onbuigzame vreemdelingen binnen de Nederlandse grenzen. Ik moffelde mijn grijns weg achter mijn hand. Toen hij zijn retirade af had keek ik haar aan. Ze leek het bedenkelijke taal te vinden die ze moeilijk kon slikken.
Na afloop bedankte ze mij dat door het gesprek haar hoest was weggegaan, raakte mij even aan en zei: tot ziens. Ik greep haar hand en drukte die, in wezen niet werkelijk van zins haar thans te laten gaan.

Mijn probleem was hoe ik "toevallig" met haar op weg naar buiten in contact kon blijven. Ongelukkig doolde ik door de grote huiskamer, zogenaamd op mijn gemak de outillage bezichtigend. Ze was op haar jas aan het wachten. Ik raakte aan de praat met Rogier Zwijns die de spreker 'lekker fel' had gevonden. Hij keek me aan met kleine ogen die een snelle maar enthousiaste aandacht uitstraalden. Ik excuseerde me en zei ook Meister haastig gedag.

Innerlijk verweet ik mezelf dat ik nog altijd zelfdestructief was geconditioneerd. Want ik had haar nu al laten lopen! Maar ging er toch achteraan, hoewel Meister had gezegd dat we niet meteen weg hoefden uit zijn 'sanceerzaal', waardoor ik hier nu ook nog gezelligheid mis ging lopen.
De archetypische vrouwenpoes moest zich nog wel in het loofwoud tussen de torenflats bevinden op n der vele lanen naar het metrostation. Ik haastte me en even later zag ik iemand lachend achteromkijken met sterrenstraling in haar ogen. Ik haalde haar in en zei: "Ben jij het?" Ze stelde vast uit mijn loopritme dat ik aan 'joggen' deed. Ik liep opdringerig mee.

We stonden met 100 centimeter tussenruimte op het metroperron te baden in het schijnsel van de TL. Haar ogen hielden de mijne schalks en uitnodigend vast en gaven mij toestemming in haar blik te blijven verwijlen. Het was daar dat ik me afvroeg of eigenlijk: constateerde, dat er bij haar een plotselinge verliefdheid aan het opkomen was.
"Waar moet jij er uit?" vroeg ik.
"Op het Waterlooplein."
"Ik ook."
"Daar staat mijn fiets."
"Ja van mij ook."

In de metro zat de vrouw met wie zij hierheen was opgelopen tussen ons in; die was verhuisd wegens Marokkaans burengerucht, meldde ze gedempt. We spraken over spiritisme en sanceren. Het volksplebs om ons heen luisterde belangstellend mee.
Op station Weesperstraat maakte ze aanstalten met de andere vrouw uit te stappen. "Hier is nog niet Waterlooplein hoor," waarschuwde ik. Ze ging weer zitten en keek me flauw glimlachend en hoofdschuddend aan. Ik kreeg het gevoel van twee mensen die zichzelf aantreffen in een plots uit de hemel neerdalende betovering en ik voelde me geremd door de gedachte dat de andere passagiers mijn verlegenheid om hierin bekeken te worden op zouden merken. Ik zei maar: "Tja..." En zij herhaalde vol begrip: "Ja??!"

Terwijl we op Waterlooplein de trap naar de straat op liepen, vatte ik nog even het theoretisch principe van affirmaties samen. Zij wist te vertellen dat dit nogal gepropageerd werd in het Rebirthingwereldje. Ze liep gezellig dicht tegen me aan. Het ging minder om de inhoud van het gesprokene. Boven zei ze eerst dat haar fiets helemaal aan de andere kant stond en dat we hier maar afscheid moesten nemen. Tegelijk boodschapte ze door haar "bejahende" nabijheid het tegendeel. Ze verraadde ook een nog net niet helemaal toegeven aan de impuls om me aan te raken, en zelfs haar hoofd tegen mijn schouder te leggen, waartoe ik haar telkens aanstalten voelde maken. Ik beantwoordde dit met korte aaitjes over haar schouders en strijken langs haar paardestaart. "Je ziet er uit als een kunstenares," zo gaf ik een persoonlijke noot.
"Ja ik was ook van plan om vannacht te gaan schilderen. Daarom wilde ik alleen naar huis, om niet te worden afgeleid."
"Waar moet je nou door worden afgeleid?"
Ze lachte geroerd om mijn onbegrip. "Ik hoef niet met je mee naar binnen hoor," vervolgde ik, "het is zo gezellig."
Ik rimpelde mijn neus terwijl ik lachte. Haar ogen keken me van vlakbij aan en straalden als nachtverlichting, nachtvreugde. "Jij kunt me hypnotiseren met je ogen," zei ze half op haar hoede.
We kwamen overeen toch samen op te fietsen. Ik maakte behendig als een cipier al mijn sloten los en reed naar hr ontkoppelingshek. Ze had nu tegen de kou een paarse hoofddoek als een heel brede diadeem dwars over haar haar. We omarmden elkaar. Onduidelijk was wie het initiatief nam, maar wel werd die omarming geboren uit haar van geamuseerdheid en binnenpret overvloeiende beweeglijkheid.

"Dag beeldje," zei ik. "Pas maar op dat ik niet van mijn voetstuk val," zei ze.
Later vertelde ze dat ze dat zo leuk vond, ook omdat haar huis vol beeldjes stond, en omdat nog nooit iemand tegen haar had gezegd: "beeldje". Langs de Hortus Botanicus begonnen we hand in hand te fietsen. Zij had roodbruine handschoentjes. "Heb jij geen handschoenen?" riep ze uit. "In de winter moet je je aanpassen aan het klimaat, dat is leuk." Ik verzweeg dat ik ze nog niet aan had om haar beter te kunnen voelen.

Voor haar huisdeur wisselden we wat plichtplegingen uit.
Ik zei: "Nee ik wou alleen maar met je mee fietsen. En natuurlijk afspreken wanneer ik je weer zie." Toen we ons telefoonnummer opschreven hoorde ik hoe ze heette:
Nancy Walgemoed.
Omdat ik er vanuit ging dat we een verhouding zouden krijgen vond ik groot geluk te hebben met die naam. "Nancy... mooie naam. Er zijn zoveel lelijke namen! In Friesland."
We zoenden op de mond. "Droom in kleur," zei ik. "Nee in zwartwit," lachte ze.

Vrijdag 27-1-89 vroeg ik haar mee naar de film. Naked Youth was haar keuze. We werden allebei misselijk van de gewelddadigheid en we zouden hem beiden dringend af willen raden. Erna ging ik mee naar haar museumachtige huis, vol klassieke platen.

 

Kunstzin ten huize van Nancy Walgemoed

Nancy Walgemoeds hang naar liefde en romantiek


Laat op de avond kwam haar zoon Bjrn terug van een damevenement. Ze vond haar zoon een macho. Het leek me een rustige ook gevoelige jongen met de zelfde donker gepenseelde wenkbrauwen als zij en dezelfde ogen, vaag Frans, en een 17-jarige onverschilligheid of geslotenheid.
Toen ik pils ging halen belde hij voor de grap mijn antwoordapparaat op alleen om de meldtekst te horen. Hij vond dit een nieuw fenomeen.
Ik sprak vleiend tegen de negen maanden jonge zwarte kat: en als je er niet van gediend bent dan steek je je nagels uit h dat weet je dan ben je er meteen vanaf h?
Daarna liet ik hem "vliegen". De meeste katten appreciren het op mijn onderarm te zitten, achterpoten op mijn linker hand, voorpoten op de rechter, en zo de kamer in hoger sferen te besnuffelen, om tenslotte weer een zachte landing te maken. Deze operatie heeft mij in mijn leven maar weinig krabben bezorgd.

Nancy vroeg of ik haar ook zo kon laten vliegen. Toen ik haar een stukje door de kamer gedragen had, wou ze landen op de bank.
Ik ging er zitten met haar op mijn schoot. "Ben ik zwaar? Tril je?" vroeg ze. "Ja omdat ik bang was dat je op die kaarsen viel," zei ik maar.

Ik denk dat de puber Bjrn tegen middernacht naar bed ging en wij bleven tot 5 uur praten.

Ze bekeek in aandachtige overgave mijn handen en verbaasde zich over de gevoeligheid terwijl ze haar eigen handen als werkklauwen omschreef. Ze opperde ook dat ik misschien een geneeskrachtige energie bezat en vroeg of ik haar wilde genezen. Ik wist niet waarop het sloeg maar beloofde meteen zonder voorbehoud te zullen doen wat ze vroeg. Ik had er wel een fantasietje bij. Ze had gezegd nog niet te kunnen praten over het trauma achter haar claustrofobie. Ik nam voorlopig aan dat het een benauwende verkrachtig betrof en dat men haar met zachtaardig geduld zou kunnen helpen weer open te gaan.
Tegen vijf uur bracht ze ter sprake dat we het er even over moesten hebben hoe het verder moest. Ik sprak in termen dat naar huis gaan acceptabel voor me was maar als ze wilde dat... Opvallend was dat zij nadrukkelijk ruimte schiep voor wat IK wou. Ik stelde voor samen te slapen. Ze liet ook weten de ene keer heel sexueel gericht te zijn, maar zich daar nu niet erg mee bezig te houden. Zeker een soort afhouden van te grote sexverwachting.
Ik: "Maar dat uit elkaar trekken van aan de ene kant sex en aan de andere kant romantisch dat doe ik helemaal niet, dat wil ik niet. Ik noem het maar erotisch. In die zin ben ik de hele avond al bezig met sexualiteit. Als je dit nu zegt dan verandert er voor mij niets. Ik zeg heus niet o wat erg ik had de hele avond gedacht dat er sex zou komen. Voor mij was het al de hele tijd erg sexueel." We konden samen lachen.

We zaten op de grond met benen om elkaar en onze monden wijd open kussend. Ik zag beelden van haar terug uit de sanceerzaal. Ik zei: "Weet je aan wie ik denk terwijl ik jou kus..? Aan jou."
Ik trok haar weer tot me en zag aan de wand tegenover me grote platen.

 

Wim Heins doorgedrongen tot Nancy W.

Nancy Walgemoeds hang naar het mysterie.

 

Yogananada (Dagboek van een Yogi)Ik stond op en toog naar het romantische museumpje waar zij haar toilet in had herschapen middels wierookbrander, ansichten, droogbloemen, beeldjes en veel platen, waaronder de filmsterren Bardot, Monroe, zowel als Yogananda.
Toen ik terug was droeg Nancy een maxirok en een zijdeachtig blauw zomerbloesje.
In bed zei ze puur, ongerept en vol zachte passie: "Oh wat een mooi gevoel, je penis zo groot." Ze ging hem likken. Ik liefkoosde haar zonder te proberen haar uit te kleden. "Wat een zacht huidje," zei ik haar blote middel omvoelend.

Ze was een wilde slaapster met adem die ze in snel ritme zonder aarzelen krachtig en onbevangen naar binnen zoog. Zelfs hoewel ze haar neus moest snuiten vond ik het een lief geluid. Ik was gespannen zonder te weten waarom. Ze vond het fijn dat ik naar haar keek als ze ontwaakte.

Door het ochtendgrauw ging ik wintergreen voor haar kopen. Ik verwonderde me over het ochtendlicht, dat nog de wonderbare vriendelijkheid had van een welkomhetende nacht.

WE WORDEN HIGH
Een aantal ontmoetingen later op 11-2-89 bezocht ik samen met Nancy het optreden in de Beurs van een studentenkoor, waarin meezong mijn voormalige vriendin Tanneke. Toen ik na afloop het podium oprende, vroeg Tanneke: "Is dat je vaste vriendin?" Ik zei: "Ik ken haar nog niet zo lang. Ja zij is mijn vaste vriendin." "Zij is sinds kort je vaste vriendin," vatte Tanneke ordentelijk samen.
Die avond werkte de weed en hadden we een lachuur omarmd in de keuken terwijl Bjrn en zijn halfbroer, in de kamer lachten voor de TV, wat Nancy mild stemde.
Wijzend op de vaat in het rek vroeg ik: "Zal ik even afdrogen?" "Het afdrogen doet God," zei ze. En ik: "O ik dacht even dat je God wou laten komen om af te drogen, maar dat is eigenlijk hetzelfde als wat je nu zegt." We hadden nogal lol om de diepzinnige twee-eenheid die we hierin voelden.
Ze zei: "Fear is the little mindkiller. Maar ik wil leven in het hier en nu." Waarop ik: "In het hier en nu? Ik kan wel horen dat jij thuis bent in het alternatieve circuit."
"Wat? Het alternatieve circuit?! Ik ben juist zo blij dat ik uit allerlei circuits vandaan ben! Hou op over een alternatief circuit! Het leven doet zich voor in al zijn verschijningsvormen! Het zijn allemaal vlakken van n en dezelfde universele diamant, praat me niet over circuits!"

Toen ik over deze voltreffer uitgelachen was zei ik: "Als ik inderdaad een stap van mezelf achteruit doe en me van een afstand bekijk geef ik toe dat die vent een heel flinke tik van de intellectuele mallemolen heeft gekregen."

Om haar te kussen stond ik iets afgedaald met licht gebogen knien. Ze vroeg: "Je krijgt zeker wel sterke spieren van de hele tijd zo staan." "Nee ik krijg ze er niet van, ik moet ze al hebben."
We vonden het een leuk toneelstuk waarin we speelden. Nancy zei dat ze talentvol kon acteren "met een goede regisseur".
Ze maakte zich los om op het gas door het dierenvoer te roeren. "Is dat nou honde- of kattevoer?" "De tragiek van dit toneelstuk," zei ze, "is dat het dat allebei is..."

In bed hebben we weer gepraat over het onderwerp dat ook mij voortdurend achterin gedachten is en dat voor haar eigenlijk ook een soort probleem betekent. Ze verwoordde dat het toch normaal en menselijk is dat je fysieke verlangens hebt en als ze het dan moest zeggen: dat we nog nooit toegekomen waren aan een cotus.
Ze dacht ook dat ik alleen maar bezig was met intellect en een soort moraal koesterde waarmee ik sexualiteit op een afstand hield.
Ik antwoordde als iemand mij vroeg wat nou eigenlijk de zin was waar ik mijn leven toe wou bestemmen, dat ik dan antwoordde: "Schrijven..." (Ik pauzeerde, ze zei goedwillend begrijpend: ja?) "...en vrijen."
Bij dit laatste keek ze heel verrast en ze vroeg zelfs wat ik haar nu vertelde, zodat ik het moest herhalen.
"Ik heb nog nooit een vriendin gehad bij wie ik niet al in een betrekkelijk vroeg stadium haar vagina wilde likken." (Dat had ze helemaal niet achter mij gezocht).
Wij kwamen op dit onderwerp toen ik mijn hand op haar vulva legde. Ze stelde vast dat ik geen kuisheidsgordel kon voelen. Maar ik verklaarde het gevoel te hebben om welke reden dan ook dat zij toch een soort immaterile kuisheidsgordel om haar heen had zitten. Ze deed mijn vertwijfeld handgebaar na, en dacht dat ik wou zeggen: dus het is niet alleen mijn schuld.

Ze stelde zelf vast: jij hebt me nog geen n keer naakt gezien. Eigenlijk heeft ze, nu niet voor het eerst, een soort houding alsof ze van mij verlangt dat ik de gelegenheid creer voor een cotus. Ze vond de verhouding nu maar "half". Maar toen ik zei dat ik het niet op commando kon, dat ik het gevoel had dat het van haar "sneller" moest, protesteerde ze dat ze er op die manier helemaal niet over wilde praten.

De volgende zaterdag 18-2-89 gebruiken we een jointje met enorm sterk effect.
De marihuanatrip was blikverruimend voor mij vanwege een geaccentueerd uitlichten van bepaald gedrag van haar.

Hoewel het bad volliep bleven we in de kamer kussen. Net of de rechter pedaal van de piano was ingetrapt. Alles heeft een langere en diepere klank met een tijdloos, door weidse aandacht verstild mijmeren. Eenmaal in de badcel begon het me op te vallen dat het verwijlen en wegdromen in die lieflijke sfeer, door haar steeds werd onderbroken. Ze verklaarde dit de volgende dag met het feit dat zij in haar eigen omgeving op praktisch handelen gericht bleef, zoals de versterker uitzetten, of dat Bjrn binnen kon komen. Maar ik kreeg het gevoel dat er een ontwijken van intimiteit aan ten grondslag lag.
En van de manieren waarop ze een mate van welgemeende gevoelsuiting mijnerzijds onderbrak, eigenlijk verbrak, was het nabootsen van mijn uitingen. Dit was me in nuchtere toestand al wel opgevallen, maar niet als storend omdat ik het duidde als geestig.
Ze zei toen we nog clean waren: "Je schakelt van die sceptische houding abrupt over naar juist een heel ondubbelzinnige verliefde benadering."
Maar later in de badkuip kwam er een ogenblik toen ze me weer zogenaamd milddadig en goedbedoelend had nagebouwd (ze zegt dat ze dan gelukkig is en niet de draak met me wil steken) dat ik dat niet beantwoordde met terug te grinniken, maar met haar in ernstige beschouwing aan te kijken.
Zoals ze later zei zag ze niet alleen een volledige ernst in mijn ogen, maar ook een groot verdriet en dat greep haar aan, dat kon ze moeilijk hanteren. Want waar mijn ogen helder en waakzaam waren, wilde zij ook dat ze zouden stralen van blijheid. En ze waren helder alert, maar niet stralend.
Ik kreeg in bad het gevoel dat zij verdere toenadering steeds afbrak met een zijsprong naar een andere sfeer, via een kennelijk impulsieve afleidende opmerking in de trant van: de hond staat om de hoek te gluren (ging ze dan om lachen), of: ik wil zo graag even ontspannen liggen (begint mij meteen weer te aaien). Of door het afstandelijk behandelen van mijn woorden: "O ja vind je mij lief, nou ik ben ook wel lief, maar dat is maar n kant van mij, en ik kan je wel zeggen dat ik ook andere kanten van mezelf heb leren kennen waardoor het geheel toch meer geschakeerd wordt en ik niet alleen maar lief ben hoor."
Of ze neemt mijn woorden letterlijk zodat de bedoeling ervan wordt verdraaid of ze vraagt heel schalks: "O ja, o ja?" om me er fijntjes op te wijzen dat ze het al wist (ze is steeds bang te worden onderschat) of ze zegt met een sarcastisch lachje: "Dat had je weer niet beter onder woorden kunnen brengen."

Tijdens de marihuanaroes kreeg ik het gevoel dat ik toenadering zocht in de richting van wat zij vorige week bedoelde ("ik heb niet alleen borsten maar ook een vagina"), maar dat zij telkens maniertjes had om zich schalks en spontaan aan deze benadering te onttrekken. Ik vraag me af of wij in het sexuele spel beiden iets pogen te verhelen, namelijk de angst voor cotus. Het gaat er niet om dat wij onwillig zijn.

In bad zei ze: "Wil je dat ik je daar kus schat?" Ik zei "doe maar" wat ze vergevend lachend nadeed. Maar daarna voelde ik voor het eerst in mijn leven wat het lekkere is van zuigen op je fallus (ze vroeg welk woord ik mooier vond en zei dat ze het had verwacht en sindsdien gebruikte ze 'fallus').
Ik voelde dankzij de weed de volle gloed, zij het zonder ontlading. Ik was de derde in haar leven bij wie ze het deed. Want dat deed ze maar zelden.

Ik merkte in bad dat ze me echt toegeweid is en we hadden die wonderbare uitwisseling met lichaamstaal via strelingen eigen aan high zijn heel sterk.
Ik had ook na een tijd dat er toch een vermindering van gelijkgestemdheid optrad, door een soort afsplitsing van je bewustzijn. Ze ging er voor mijn besef ook anders uitzien. Ik zag hekstrekjes. Ze werd ook iets geslachtslozer. Ik wou het samenzijn voortzetten in bed en dacht dat zij dat ook wilde. Ik haastte me duizelig uit bad en ondernam met droge mond de noodzakelijke stappen om sap in glaasjes te schenken, wat me tergend lang leek te duren.

In bed herstelde de intimiteit zich weer. Ik likte voor het eerst haar vulva, die ik droog vond smaken. Ik probeerde nu bij haar in te gaan. "Laat me het alsjeblieft zelf doen," zei ze. Ik had met mijn hand al gevoeld: n vinger paste in haar vagina, twee moeilijk, en dat dus bij een vrouw die een kind had gebaard.

De hele zondag nog in bed omarmd gebleven. Ze maakte zich na het opstaan bijdehand op en zag er zo fris uit als een hoen, wilde even graag als altijd op mijn schoot zitten en blijven kussen en kon nauwelijks afscheid nemen, hoewel ze toch ook wel eindelijk alleen wilde zijn.

Op 2-3-89 is het de dag dat ik me ziekmeldde bij de Gele Wagen wegens het spuugzat zijn van het arbeidsklimaat.
's Middags herlas ik de brieven van Nancy en zocht naar een gevoel van mijzelf. Ik prees me gelukkig dat een mooie lieve vrouw me zoveel aanminnigs schreef maar ik had ook het gevoel dat ze zweverig was, en als zodanig klopte ook de twijfel aan mijn deur of ze mij wel zag zoals ik was, of ze mij niet te erg idealiseerde.
Ik belde haar op en in dat gesprek zei ik dat haar brieven soms "pathetisch vlinderen".
Pathetisch sloeg op de door mij gevoelde neiging alles in een superlatieve, verheven, idyllische of dramatische sfeer te formuleren, terwijl er tegelijk vrij luchtig van hak op tak gevlinderd werd. Mijn terminologie trof haar echter als een ijspegel en tevens als een contradictio in terminis. Ze sprak uit nu nooit meer te kunnen schrijven met het gevoel er spontaan te mogen zijn.

Jaren later zou ik plots ontdekken dat Nancy het verschil niet wist tussen "pathetisch" en "apathisch", zodat ze dus altijd heeft gedacht dat ik bedoelde: "apathisch vlinderen".

Ik werd bang tijdens het gesprek dat onze hele relatie gevaar liep en begon weer eens te vrezen dat het probleem voortvloeide uit mijn eigen onvermogen om het leven te voelen. Anderzijds protesteerde ik dat ze mij in een hoek drukte, waarna ze toegaf dat we ons inderdaad wel vrij zouden moeten mogen uiten.

Op maandag 6 maart 1989 was het een uitzonderlijk zachte en zonnige dag bezwangerd met voorjaarsgeuren. Ik wandelde vrijgesteld van arbeid in het Lelystadse Sidhadorp rond.
Nancy in Amsterdam had een downkick. Ze schreef dat ik veel bij haar opriep aan vergeten leven maar ook aan woede. Eigenlijk verstoorde het haar evenwicht. De verslaving aan mijn aanwezigheid en de opgeroepen gevoelens in combinatie met al haar andere bezigheden was eigenlijk too much. Ze was in een stemming, en zei dat ook tegen Bjrn, om mij nooit meer te zien.

Onderhand werd de praktijk des levens er niet makkelijker op. En dezer nachten vroeg Nancy of ik nooit verlang om in haar te komen. "Waarom doen we daar dan niet wat aan?" vervolgde ze ongeduldig.

Ik heb zelf al een maand geen orgasme bij mezelf opgeroepen, maar het blijkt dat dit geen enkel effect heeft op ons contact.

Op 10 maart 1989 verklaarde Nancy dat ze zich niet meer sexueel wilde laten opwinden. Behalve geestelijk contact en strelen was er voor haar ook nog zoiets als het in beweging komen van sexuele energie. De onmogelijkheid die te ontladen bezorgde haar hoofdpijn.
Ik kon bepaald niet zeggen dat ik dit aanhoorde zonder herkenning en begrip. Ik had zelf het gevoel dat er een stuk aan mij was dat niet mee mocht doen. Een deel van mijn sexualiteit trok zich om mij onbekende reden terug.
Het gevoel van leegte en vergrendeling in mijn hoofd was me al bekend, van reeds ver voor ik Nancy kende. Als we gingen slapen voelde ik me vaak nog uren of ik volgelopen was met spanning die geen kant uit kon en bleef ik wakker door een krampachtige lading overal in mijn spieren.

Nancy ging haar ongenoegen uiten en ik bevond mij in de hoek der emotieloze passieve logica. Met mijn logica hield ik me nog staande al lag ik op mijn rug. Ik vroeg of die ontlading dan inderdaad per definitie betekende dat ze moest worden gepenetreerd. Zij vond dat ik dit onderdeel van het leven ontkende. Ze brak als het ware een lans voor de stelling dat dit aspect van het leven er ook bij hoorde. Ik vond mijn positie heel ongerieflijk. Want ik was zelf mijn halve leven al in de zelfde verontwaardigde stemming als zij nu. Had ik ooit nog dergelijke pleitbezorgende bewoordingen uitgesproken tegen mijn preuts dwingende vader, nadien had ik gemeend dat ik zelf wel bepaalde hoe ik het deed. Tevens bemerkte ik hoezeer mijn eeuwige sexuele verlangen achterbleef bij wat ik aan volheid en vrede verwierf.

Het uitblijven van bevrediging ging goeddeels schuil achter het ontbreken van geschikte partners. Maar nu ik de big girl Nancy had bleek dat ik me er mogelijk helemaal niet naar kon gedragen.
Of die ontlading alleen mogelijk was bij een cotus? Nancy wees me er op dat ik zelf toch ook wel wist wat een enorme energie-ontlading daardoor werd opgewekt. Ik knikte vaag, en realiseerde me dat ik dat misschien helemaal niet wist.
Ze zei dat mijn ongerustheid haar ook droog had gemaakt. Ik liet weten dat ik dat had gemerkt. Ze vroeg zich af waarom ik dat dan niet tegen haar had gezegd. Ik antwoordde dat ik het nog even af wilde wachten en aan wilde zien om het probleem niet door de vele aandacht groter te maken dan hoefde, dat het misschien ook pijnlijk voor haar was, dat ik het had geprobeerd, en dat het was mislukt. Ik voelde me slechts summier aanwezig bij het uitspreken van dit feit, omdat ik het zo uitzichtsloos en ellendig vond, maar het was waar, dus moest ik het zeggen. Wat ik er dan bij had gedacht, vroeg Nancy.
Ik gaf toe er eigenlijk bang voor te zijn.

Nancy zei dat ze, toen ik in haar wilde komen, in mijn ogen angst had geschouwd. De angst om me over te geven aan dierlijke drift. Ook had ze gezien dat daar een ervaring achter was gelegen behorend bij de leeftijd van 7 tot 9 jaar, omdat ik er zoals op die leeftijd uit had gezien, (en niet als een kleuter of een puber). Ze vroeg of ik bang was dat ik te groot voor haar zou zijn. Ik zei bang te zijn dat wat we wilden fysiek niet uitvoerbaar bleek, en dat vond ik gnant.

De hele wereld deed het. De hele tophit ging erover. Waarom was het voor mij dan onuitvoerbaar? Ik wist gewoon niet meer hoe het moest. En ik vond dat zij op het probleem was gefixeerd, al gaf ik haar natuurlijk wel in haar verlangen gelijk. Ik had het gevoel dat de cotus al vanaf het begin tussen ons in stond en dat we alleen maar zeiden dat het zo nog best vijf jaar door mocht gaan, om de druk van de ketel te halen.
Nancy trok een nachtpon aan en voegde me vanaf de bedrand toe: "Ik masturbeer ook nog steeds hoor, dan weet je dat tenminste ook. Want ik wil ook wel eens klaarkomen in een orgasme!"
Ik liet dit even inwerken en voelde duidelijk, maar meer op het niveau van weten dan op het niveau van voelen, de werking van deze vloek. Voelen deed ik ternauwernood, omdat ik nergens meer was, behalve in mijn hoofd. De rest was vernederend en slechts de bekrachtiging van een oud zeer dat in me schrijnde tot waar het zich in de innerlijke duisternis aan mijn blik onttrok.

Even later zei ze dat we wel bij elkaar hoorden omdat ik zoveel in haar opriep en dat ze ervan overtuigd was dat ik in haar zou passen. Ze liet mijn vinger voelen dat haar vagina nu vochtig was. We lossen het op, zei ze.

De volgende morgen zei ze het gevoel te hebben dat er geen evenwicht was tussen mijn mannelijke en vrouwelijke kant en dat ik sexueel moeilijk te plaatsen was. Niet echt mannelijk. Neutraal engelachtig. Als ze onder mij lag dan zag zij dat soms. Heel zachtaardig. Ze had zelfs gedacht is hij dan soms homosexueel?

Sinds kort bezocht ik de paragnost Andr Schaap die door ruimte en tijd heen relaties kon beschrijven via heldervoelendheid.
Uiteraard vroeg ik hem commentaar op mijn vriendin.
De paragnost meende: "Het is of zij jou een schild voorhoudt waar jij met een spies doorheen moet steken. Eigenlijk geeft ze je
de ruimte niet om jezelf te zijn. Haar houding drijft je tot faalangst. Als ze zo hoog tegen je opkijkt zou de mooie mens die je bent zich toch gewoon moeten mogen uiten... maar zij is te voorwaardelijk. Ze wil meteen alles direct uit de hemel ontvangen. Maar die grote voorwaardelijkheid is ook iets in jouzelf waar jij aan moet werken, want zo lang zal je het buiten jezelf tegen blijven komen."

Ik begin een brief aan haar met:
"
Lieve Nancy,
Gepassioneerde vlinder! De hemel leegkletsende babbelkous, naar zeggingskracht hunkerende vrouw, luimige windvaan, bazige flapuit, 18-karaats pengangster, romantische pruillip, duisternis inhalerende engel, roerloze zeemeermin, trotserend ego, zelfzoekende openheid, omhelzend afscheid.
Bij gebrek aan vallende sterren blaas ik paardebloempluizen uit, in de hoop dat die ook wensvervullend werken. En ik blaas heftig, omdat het laatste chuutje er niet vanaf wil schieten!"

 

Op 14 maart 89 mocht ik bij haar eten. Ze droeg een rose iets doorzichtig tenue met een rode trui eroverheen en toonde zich blij mij weer te zien. Ik voegde haar toe: "Krachtig geboetseerd pasteus aangepenseeld wezentje!" Ze vroeg me dat op te schrijven.
's Avonds was het heel relaxed. Bjrn trok zich in zijn kamer terug met het fotomodelletje Effy. Mijn eerste indruk van dit kind was dat haar gezichtsuitdrukking de boodschap uitzond: wat probeer je me nou voor rotte vis te verkopen.

We gingen wel ontspannen slapen. Ik droomde maar was ook half bewust. Het drong tot me door dat slapen voor mij betekende dat ik helemaal bij mezelf wilde komen en dat ik zoals gebruikelijk de dekens om me heen wilde wikkelen. Ik vond het een vorm van armoede samen te moeten doen met n deken en daar af en toe letterlijk aan te moeten touwtrekken. Om te slapen wilde ik mijn eigen territorium hebben waar ik niet werd gestoord. De situatie maakte mij boos.

Op 18-3-89 kocht ik in de Hema een priv-dekbed met overtrek dat ik die nacht bij Nancy echter niet zou gebruiken.
Toen ik bovenkwam verwelkomde ze me stralend en leek schokdempend blij. Ze genoot ervan me te zien en te voelen, terwijl ik haar hoofd in mijn armen verstopte en over haar buik aaide met de woorden dat ze er altijd leuk en mooi uitzag. Ze droeg een gebreide zwarte jurk met lichtere lijnpatronen die haar lichaamsglooiingen volgden en een gebloemde doorzichtige panty. We kusten met wijde mond.

Toen ik mijn rotti kerry kip nog in de verpakking op tafel zette repte de wittige kat Cana zich van zijn hoge kast naar beneden alsof het zijn voedertijd betrof.
Voordat we gingen nuttigen vroeg ik om andere muziek. Vanaf dit moment zat alles haar dwars, om te beginnen de sambal. Ze keek ongelukkig en verhit.
De kat Cana zocht zich over stoelleuningen een weg naar het tafeloppervlak om post te vatten op een strategische afstand van de bakjes meeneemkip. Ruikgebaartjes moesten zijn bescheiden intenties onderstrepen, om aldus sluipenderwijs over te kunnen gaan tot een hapbeweging. Ook onschuldige verkenningen met de voorpoot in het voedsel bleken volgens het dier legitiem.
Toen Cana twee keer was verwijderd verscheen de zwarte Rasja tussen de gerechten, door mij opgepakt met de woorden: "Ik doe hem op de grond hoor, ik vind dat raar."

Nancy vroeg of wij vroeger thuis dieren hadden. "Oh ja," zei ik, "in 1957 een zwarte kat, vier dagen. In 1959 een kat van een week. In 1962 vijf dagen een hond. Mijn moeder was een expert in dieren naar het asiel terugbrengen. Die beesten werden er uitgehaald en een paar dagen later zaten ze er weer in."
Nancy legde haar vork neer en keek verbolgen rond. "Sorry, maar deze conversatie daar kan ik niet tegen... Wat IS dit? Ik voel dat er iets niet goed zit in dit verhaal! Wat heb jij met je moeder, je zei ook al dat je nooit bij haar op schoot hebt gezeten behalve n keer om een foto te nemen. Ik kan dit niet aanhoren!"

Ik reageerde schouderophalend, fronsend, en antwoordde het grotesk te vinden, huisdieren steeds voor maar een paar dagen, maar dat het niet iets was waar ik nu nog mee zat. Voor mij als kind was dit inderdaad iets heel teleurstellends. Later werd dat telkens naar het asiel terugbrengen meer een familiegrap. Ik belichtte het nu meer en meer vanuit mijn moeder die er niet tegen kon dat die beesten overal poepten tot in was en wieg.
"Vanuit je moeder? Wat heb jij voor ongezonds met je moeder dat je steeds partij voor haar kiest? Je mocht ook al niet bij haar op schoot zitten!"
"Ik heb later een hele gezonde en open relatie met mijn moeder gekregen!" riep ik. "Ja dat weet ik," zei ze, "maar ik voel iets masochistisch zoals je vertelt van katten voor een pr dgen."
"Wij waren een neurotisch gezin ja, maar niet vanwege huisdieren, daar zit ik niet meer mee."

Nancy maakte een gebaar dat het midden hield tussen huiver en onwel gevoelen.
Ze gaf de wens te kennen deze conversatie te stoppen.
Met bevreemd gemoed vervolgde ik mijn maaltijd. En der katten landde op mijn schoot en toen ik hem verwijderde klauwde hij door mijn broek heen in mijn been als ontsteeg hij een berk.

Vijf minuten later deed het gevallen zwijgen mij een verkennende blik werpen in de ogen van mijn gezellin.
"Wat is er?" vroeg ze. "Niks..." zei ik, "alleen maar. Ik vind het zo vreemd dat er niet normaal over valt te praten. Ik weet niet hoe het bij jou is, maar voor mij blijft er toch iets in de lucht hangen."
"Ik wil er liever over ophouden."
"Waarom? Als er iets zit te wringen waarom moet je dat dan onder tafel stoppen? Daar blijft het ook alleen maar broeien. Als je kwaad bent spreek dat dan maar uit. Ik reageer er wel op." Deze zin ontlokte een welwillend en licht nieuwsgierig trekje rond haar mond.
Ze keek weer met lange tanden naar haar bord.
"Ik heb eigenlijk helemaal geen trek om te eten..."

Ze beet me toe dat ik me gedroeg alsof mensen boven dieren stonden. Voor ik het wist hapte ik: "Ja toevallig wel. Toevallig bepalen mensen de gedragsregels in huis. Dieren moeten opgevoed worden net als kinderen anders vreten ze je van voren naar achteren uit."
Nancy schoot vol verontwaardiging en keek wild om zich heen of de muren soms begrip begonnen op te brengen voor haar affect. Schone fonkelende ogen ontmaskerden in mij de bruut. "Oh je kan zo veel leren van dieren, ze zijn zoveel edeler, en dan zou jij boven ze staan, bij mij in huis niet! Ik ga als gelijken om met dieren en je moet niet denken dat ik hier een soort onderdrukkend regiem ga voeren!"
"Maar de huisregels waar dieren zich aan houden zijn door mensen bedacht."
Nancy was zeer verbolgen. Haar dieren hielden zich spontaan aan de regels en degene die gevoelig op ze reageerde die zochten ze op. "Ja die proberen ze uit," zei ik, "net als schoolkinderen".
Nancy ademde diep en schudde van neen. "Er komen hier zoveel mensen," zei ze, "het komt maar heel zelden voor dat iemand een hond als Mischa niet mag. Ja Akbar, die zat hier van: ik kan er niet tegen. Dieren kunnen veel meer dan mensen. Vergeleken Mischa ben jij stupid!"

Het laatste woord verliet haar mond als een pijl uit een boog die zo krom stond van gebelgdheid dat ik me niet kon voorstellen dat ik die zelf zou hebben aangespannen. "Ga je me nou zitten uitschelden?" Met opvliegende blik en vollopend van ontzetting spelde ze: "Uit-schel-den?!?"
"Je noemt me stupid."
"Ach!"
Ze verschoof zuchtend haar bord. "Ik heb eigenlijk helemaal geen zin om dieren te eten." Ze keek ongelukkig. "Ja voor ik het ging halen heb ik je speciaal gevraagd of je kip wou," memoreerde ik.

Met dergelijke kout waren wij onwillekeurig bezig een concurrentiepositie tegen elkaar op te bouwen. Ik voelde kritiek in haar opmerking over dieren eten. En dat ik het speciaal gevraagd had was waar. Maar daarin werd Nancy geconfronteerd met haar eigen tweeslachtige gedrag, waardoor ze zich op dat moment in de strijd aan de verliezende hand moest gevoelen. Deze tendens van slagen toebrengen en teruggeven op elkaars zelfrespect zou gaan zorgen voor een onoverbrugbare verwijdering.

"Oh ik wil deze discussie helemaal niet voeren," verzuchtte ze, "ik heb me er zo op verheugd dat je zou komen."
Ik vroeg me af of het gesprek weer in een meer toenaderende baan zou kunnen worden geleid. Maar ik wist niet waarover ik dan moest praten.
"Kon Anne nog zorgen voor dat Nederlands geven aan die man?" Nancy keek bevreemd en vroeg schouderophalend: "Nou, waarom vraag je dat?" "Je verwees net naar die Akbar." "Nee Anne had er ook geen zin in. Daar moet ik zelf een oplossing voor vinden." Het kwam zuinig murmelend en plichtsbetrachtend uit haar mond. Kennelijk geen ogenblik om over een nieuw onderwerp te gaan converseren.

"Je bent zo weinig eenheid," verzuchtte ze en nam me taxerend op. "Ik zie zo die twee helften in je! Die staan volkomen los. Nu zie ik je autoritaire kant die geen enkele consideratie opbrengt. Daar kan ik niet tegen. Oh ik rammel van de honger maar mijn keel is zo gespannen. Ik zie zo erg mijn vader in jou! Die onverdraagzame houding."
"Ja dat kan ik plaatsen. Nu kan ik het snappen. Het gaat helemaal niet over mij of over de frustraties van mijn moeder. Je hebt het tegen je vader. Het is oud zeer. Daarom staat er zoveel druk op de ketel!"
"Ik kan er niet tegen als mensen zich boven de dieren denken te stellen. Dat is een arrogantie en zelfingenomenheid..."
"Ik bedoel niet dat mensen een beter instinct hebben hoor..."
"Het is zo laag om te denken dat je meer bent dan een dier."
"Ja maar ik bedoel met boven de dieren staan-"
"Er wordt zoveel schade aangebracht door de domme aanmatigende houding van mensen-"
"Mag ik alsjeblieft mijn zin afmaken?"
"Jij beseft niet hoeveel-"
"Ja sorry alsjeblieft mag ik mijn zin verdomme afmaken?!"

Nu had ik haar misprijzende woordenstroom een ogenblik ingedamd, en hervatte: "Ik bedoel dat mensen in huis boven de dieren moeten staan. Ik bepaal namelijk of een kat van mijn bord mag eten omdat IK daar de beslissingsbevoegdheid over heb en niet die kat!"
Nancy verschoot opnieuw van zoveel blindheid, en keek ze met vlugzout moest worden bijgebracht.
"Jij weet niet hoe achterlijk jij bent met je boven de dieren staan."
"Hou op anders ga ik weg."
"Ja het scheelt niet veel."
"Ga me niet zitten beledigen."
"Het is schandelijk dat je denkt dat jij boven Mischa staat! Jij weet niet hoeveel ik van de dieren heb geleerd!"
Ik trok mijn lippen een ogenblik naar binnen, knikte met een bezemsteel in mijn nek, knipperde met mijn ogen en mompelde: "Nou, ja, nooit weg, gefeliciteerd, mooi."
"Als je eens wist wat een mensenkennis ik opdoe door met Mischa in het park te wandelen en te zien hoe mensen op haar reageren! Dat spreekt boekdelen. Zo heb ik geleerd dat er twee soorten mensen zijn. En als jij zo tegenover Mischa staat dan moet maar het zwaarste zijn wat het zwaarste weegt!"
"Ja godverdomme! Ik WIL verdomme niet beoordeeld worden op hoe ik reageer op je hond! Het gaat om hoe ik naar jou toe ben! En niet naar je hond toe, verdomme!!"
Nancy bekeek me licht nieuwsgierig en kwam weer tot zichzelf met te kreunen: "Oh ik vind het zo erg... Ik vind deze hele discussie zo vreselijk. Waarom moet het zo lopen?"
"Ja, wie is er met deze discussie dan begonnen?"
"Nancy natuurlijk zeker? Ja hoor Nancy heeft het weer gedaan, geef haar maar weer de schuld!"
"Ik kan het niet helpen maar het is waar."
"O ja, is dat waar, ben ik begonnen?" "Ja. Jij wordt door je huisdieren geleefd. Je hebt geprobeerd van die hond af te komen, maar het is je niet gelukt. Je klaagt vaak dat het zo moeilijk is altijd lief voor Mischa te zijn. Het spijt me voor je dat nu de maaltijd is bedorven."
"Oh, maar voor mij is de maaltijd niet bedorven hoor!" Nancy keek me triomfantelijk ontspannen aan, met het begin van een verlichte glimlach op haar gezicht geforceerd.
Ik realiseerde me dat mijn opmerking werd opgevat als een zoveelste ouderlijke terechtwijzing en dat het strafpunten voor haar gevoel zou opleveren als ze mijn logica ging onderschrijven. Toch kon ik het niet laten er nog aan toe te voegen: "O, ik heb anders niet de indruk dat je het hier erg leuk kan vinden. Je bent gewoon hartstikke kwaad. Over je autoritaire vader."
Nancy schudde opgeruimd van nee omdat ik het weer fout zag. "Er is iets waar je woedend over bent. Mijn houding tegenover jouw dieren, dat is het." Nu leek ze ja te knikken.
"Jij bent zo gesplitst," vervolgde ze op spijtige toon, "weet je wat jij eens zou moeten doen? Zorgen dat je eindelijk een beetje kan gaan groeien. Er komen hier genoeg mensen. Maria heeft hier laatst gegeten, en Chern en Vedor en die gaan volkomen probleemloos om met de dieren..."
"Met andere woorden, die mensen zijn tenminste niet gespleten?"
Het leek of mijn conclusie haar een ogenblik onaangenaam blokkeerde, alsof ze zich stoorde aan de implicatie van haar eigen woorden en zich pijnlijk realiseerde waar ze mee bezig was. Vertwijfeld stamelde ze: "Hoe komen we hier uit?" "Misschien moeten we gewoon ophouden, nu." Ze schudde iets van zich af en zei: "Ik vraag me af wie er hier nu eigenlijk kwaad is."

Ik stond er bij stil en nam mijn innerlijk op. Was ik kwaad? Ik voelde me steeds meer van haar afgesneden door het communiceren tgen in plaats van mt elkaar en daardoor voelde ik me verlaten, maar niet bovenmate - omdat ik zelf aan mijn eigen kant bleef staan. Ik vond dat Nancy emmers vol afval naar mij leegwierp die ik immers niet zelf in een dergelijke beladenheid had gevuld. Daarom voelde ik me niet bijster persoonlijk geraakt. Ik vond haar reacties buiten alle proporties. Ik zweeg en keek haar aan. Ik had het gevoel dat alles wat ik kon zeggen vruchteloos was, omdat ik in de rol was beland van vijand, iemand van wie moest worden gewonnen en met wie per definitie niet werd samengewerkt. Wat ik ook zou zeggen, ze zou er tegenin gaan of het ridiculiseren, want ze was ontvlamd in amok. Ik nam haar op en zij mij. Twee mensen die elkaar in de ogen zaten te kijken zonder iets uit te wisselen, als met gesloten vizier. (Was dit voor mij hetzelfde als bij een psychoanalyticus, die eveneens weet dat het gespuide vuil hemzelf niet betreft?)
Ik voelde me af en toe persoonlijk aangesproken, maar niet integraal geraakt. Alleen geschoffeerd. Waar ik ook mee zat, z zou ik iemand niet benaderen.
"Weet je," zei ze, "ik heb dit nu wel gehad, ik heb er genoeg van, om me in mijn eigen huis... dat ik altijd..."
Ze zweeg.
Ik nam de kans te baat om uit te spreken wat ik had zitten bedenken omtrent hetgeen haar dwars zat. "Om je door anderen te laten gezeggen."
"Wat zeg je?"
"Om je te laten gezeggen, om naar de pijpen van anderen te dansen, om je aan te moeten passen, h?"
Ik trachtte het laatste "h" zo solidair mogelijk te laten klinken, opdat zij niet meende dat ik met haar spotte. Ik had de indruk dat ze het er wel mee eens was maar dat ze dit tegen de vijand nu eenmaal niet toe kon geven.

"Als je geen last wil hebben van dieren dan moet je me eens bij jou uitnodigen, in plaats van dat ik altijd moet koken. Bij jou lopen er tenminste geen katten voor je voeten. Dan heb je ook geen hinder van Mischa en van Bjrn. Jij kan elke morgen lekker slapen. Jij hoeft niet vroeg op."
Ze keek of ik iets van haar had gestolen.
Ik: "Als je nou gewoon zegt dat je daar jaloers op bent."
Alles wat er bij haar opkwam, billijk of niet, bleek van nut om tgen me te gebruiken. (Toen ik binnenkwam met het maaltje zei ze blij te zijn dat ze niet hoefde te koken.)
Er werd me nu in n moeite door in de schoenen geschoven dat ik bezwaren had tegen Bjrn, dus ik vroeg wat ze daarmee bedoelde. Het leek weer of ze een prikje kreeg van realiteitsbesef, of ze zich realiseerde hoe pijnlijk ze insinueerde. ("Boze wijven dragen het zwaard in de bek.")
Het had geen enkele zin om inhoudelijk te argumenteren. Ik bekeek haar, vroeg me af of ze soms op andere wijze wou worden kleingemaakt en voelde me besluiteloos. Ze greep weer naar een thans door haar als waarheid gevoelde idioterie. "Jij denkt dat je boven het dier staat maar heb je wel eens gezien wat er daardoor met dieren gebeurt?" "Ik ga niet weer uitleggen wat ik daarmee bedoelde want jij wil niet luisteren. Je wil alleen kwaaddenkende emoties uitspelen."
Ze schoot vuur, alsof ik iets kardinaals trachtte te ontkennen. "Weet jij wel wat een slachting er plaatsvindt en hoe er wordt ingehakt op onschuldige zeehondenbaby's tot bloedens toe..."
"Ja hoor, ja hoor..."
"...tot bloedens toe door mensen die menen dat ze boven het dier staan weet je wel!"
"Ja en als ik zeg dat ik boven het dier sta, dan bedoel ik natuurlijk dat ik achter die moord op zeehonden sta h, ja h, dat bedoel ik h? Maar ik ga het je niet nog een keer uitleggen wat ik bedoel hoor. Ik bedoel namelijk dat de huisregels door mensen worden gemaakt. Zoals dat katten niet van je bord mogen vreten."
"Gewoon omdat jij ze niet mag."
"Ik mag ze best. Daarom laat ik ze vliegen."
Nancy begon te praten alsof ik had gezegd dat zij de dieren weg moest brengen naar asiel en abattoir.
Ik kan me deze passage niet goed herinneren maar het was iets in de trant van: "Wij zijn gewoon te verschillend. Wat het zwaarst is moet dan maar het zwaarste wegen. Het leven tussen deze dieren daar heb ik voor gekozen en dat kan ik niet relativeren, dat is belangrijker (dan omgaan met jou). Ik leef net zo makkelijk weer alleen. Daar lig ik echt niet wakker van."
Waarschijnlijk zei ik daarop terug: "Nou ik wel hoor." En zij: "Je moet niet denken dat je voor mij meer waard bent dan een hond."
"Dank je."
"O je denkt dat jij een beter verstand hebt dan een hond?"
"Ouwehoer."
"O vind je dat ik ouwehoer?"
Ik maakte met mijn hand een draaiend gebaar boven mijn voorhoofd. Het was spontaan wat ik voelde: jij bent niet goed snik.
Ik herinner me hier verder weinig van. Zo zei ik nog een keer ergens op terug: "Dat doet me dan verdriet."
Ik weet niet meer waarop, alleen dat het heel verachtend klonk, alsof ik een waardeloos vod was voor haar. Ik wist wel dat ze zich buitenmate vergaloppeerde in haar wrok en wraak maar het werkte nu toch vernederend op me in.
Ik zei het gevoel te hebben dat wij op twee verschillende golflengtes zaten, en: "Ik probeer de hele tijd om alles inhoudelijk te beantwoorden op basis van redelijkheid."
"Op basis van redelijkheid. Wil jij zeggen dat je redelijk bent?? En Nancy is dan natuurlijk onredelijk."
"Dat vind ik wel omdat je niet wil luisteren wat ik bedoel en omdat je reacties verstoken zijn van iedere geproportioneerdheid. Ik weet ook niet hoe ik jou moet helpen."
"Helpen? Denk jij dat jij mij moet helpen? Wat is dat voor een aanmatigende houding?"
"Ik bedoel dat ik zou willen dat we ons hier uit bevrijden door je op de n of andere manier tegemoet te komen maar ik weet niet-"
"Denk jij dat je een hulpverlener bent of een schoolmeester of een pastoraal werker... De zielszorger die boven de dieren staat begeeft zich nu ook boven Nancy?"

Ik bekeek haar. Het ging haar niet om nader tot elkaar te komen of om verschil van opvatting over huisdieren. Het ging haar om de definitie van een relatie met mij in de rol van autoritaire vader of oer-belager en zij in de rol van stampvoetend kind, woest in de weer om zich af te laten wijzen, naar valt aan te nemen voor de zoveelste maal. Ik had medelijden met haar en voelde me machteloos. Ze zat opgesloten in een huls van strijd, heilige emotie die niet mocht worden onderdrukt maar die haar volkomen isoleerde.
Ze zat in haar eentje lullig tegen mij te doen, daarbij bezig een zwarte onderjurk te verstellen. Ze hield hem even tegen haar wang, kennelijk uitdagend als een snoepje dat ik lekker niet zou krijgen en gluurde mij plagerig aan. "Jij wou toch weten wat heks zijn betekent? Nou dit wat je nu ziet is een gemene heks. Snap je het nu? Nancy niet aardig, Nancy treiteren. Ja hoor steek maar weer een sigaret op, ontspannend h. Nee Mischa ga maar weer in je mand. Die meneer staat boven je. Hij vindt je een slijmerd."

"Jij staat ook boven de dieren omdat jij de huisregels bepaalt," zei ik, "jij bepaalt dat de aanrecht hun territorium is. Rasja komt zo van de straat overal op."
"Weet je wat jij eens moet doen?"
"Ik hoef geen advies." Ze knikte een ogenblik begrijpend maar vervolgde: "Jij moet eens een boek lezen over katten, hoe schoon die zijn."
"Dat weet ik wel."
"Wat weet je wel?"
"Dat ze zich wassen maar ik moet het doodeenvoudig niet dat de katten over mijn eten lopen en ik vind het vervelend dat die hond als ik binnenkom meteen als eerste alle aandacht moet hebben."
"Ach hou nou op. Ik DOE niet anders dan zeggen Mischa in je mand."
Ze bootste zichzelf na: "Mischa n je mand, n je mand!"
Haar hoon gold mij. "Weet jij wel waarom ze als eerste naar jou toe komt bij de deur? Omdat ze BLIJ is dat ze je ziet!"
Ik keek op de tafel en vroeg me af wanneer ik weg zou gaan. Vanuit mijn ooghoek zag ik zeer goed dat zij mij weer naar de ogen keek, maar ik keek niet onmiddellijk op. Wat had haar blik deze keer met me voor? Laatdunkende spot? Hervinden van contact?
"Bevalt de muziek je nu?" vroeg ze uitgebuit. "Ja, vond je dat dan erg?" Ze knikte. "Ik vroeg dat heus niet om je muzieksmaak te minachten. Ik kan niet tegen onrustige muziek, daar kan ik niet bij eten. Ik was juist blij dat je zo bereidwillig was om het te veranderen..."
"Onrustig? Kan je daar niet even tegen?"
"Nee het is beatmuziek! Zo'n plaat duurt heel lang!"
"Heel lang? Misschien heb ik die plaat wel opgezet omdat ik even wou testen of je mij wel accepteerde."
"O dus je liep er al mee rond? Je zocht alleen een stok om te slaan? Door expres muziek op te zetten waar ik een hekel aan heb? Dan moet je weten dat ik er niet voor gebruikt wil worden om door middel van irriterende muziek je emoties aan mij af te vegen."
Ze liep naar achteren. Ik geloof dat ik haar hoorde snikken, maar omdat ik de vijand was kon ik haar niet troosten. Ze kwam weer binnen, wierp uit een nieuwe fles haar glas vol wijn en ging aan de andere kant van de kamer zitten met haar gezicht naar de kachel. Ik besefte dat alle begrip voor haar standpunten zou worden beantwoord met geschimp. Wij konden allebei niets doen zonder gezichtsverlies. Ik pijnigde mijn hersens. Eigenlijk smachtten we allebei naar begrip. Ik kon dat niet geven, omdat ik haar woede niet kon plaatsen in mijn eigen handelwijze. Ik vond de katten aardig maar te vrijpostig. De hond vond ik een storend en onsmakelijk sujet hetgeen ik trachtte te verhelen daar dit haar gespannen maakte. Dat was alles. Ik kon moeilijk zeggen: "Nancy, je hebt gelijk, ik ben een bruut voor de dieren."
Even later vond ik een aanleiding om bij haar te gaan zitten. "Ik voel me zo ongelukkig," zei ze.
"Ik ook."
"Dat weet ik." Ik aaide haar en wou haar bij me trekken, maar ze gaf niet mee.
"Het zijn altijd anderen die me ongelukkig maken," vorste ze. "In mijn eentje hier voel ik me vaak zo gelukkig, als ik eten klaarmaak voor de dieren, als ze aan komen rennen. Het leven met Bjrn en de dieren, daar heb ik voor gekozen. Alleen een man ontbreekt. Ik ben moeilijk in de omgang. Jij leeft ook alleen, dat is zeker ook niet zonder reden. Ik heb krachtige verhoudingen gehad, maar het is of ik dat gevoel niet meer terug kan krijgen. Ik laat het maar zo. Ik heb geen vertrouwen meer. Ik identificeer me heus niet met de dieren. Ik hou ook niet meer van dieren dan van mensen. Zonder mensen ga je dood. Maar dit leven met de dieren moet ik afmaken, dat is karmisch."
"Je voelde je door mij toch ook wel gelukkig," riep ik in herinnering, "en dat je nu weer terugvalt in dat ongeluk en die dood dat wil ik niet, dat vind ik naar, je moet niet ongelukkig zijn."
Ze hield een lang verhaal over het leven met Mischa en hoe hij in het park temidden van andere honden de houding van een boeddha had... "Kijk dan naar Mischa hoe hij ligt in zijn mand," wekte ze me op.
Ze wist hier mijn nieuwsgierigheid echter niet mee te prikkelen. Ik zou me een zot hebben gevoeld om het beest nu op haar instigatie aan te gaan gapen en vertrouwde haar niet. Ik bleef kijken naar haar. En voelde mijn mondhoeken tintelen. Ik lette er op niet te gaan lachen, want ik vond de situatie absurd. Vanuit de zijkamer klonk af en toe geschater van Effy en Bjrn, wat er op wees dat beiden het leuker hadden dan wij. "Het is een hele opgave om met Mischa te leven, maar ik hou ook van haar!" vervolgde Nancy wanhopig kijkend.

We gingen weer aan tafel zitten. Ze zei dat ze zich mooi aan wilde kleden en dat ze wilde gaan dansen in de Kosmos om de spanning er uit te gooien. Ze bracht wat vaatwerk naar achteren. "Ik heb het gevoel dat ik erg overtrokken reageer," zuchtte ze binnenkomend, "en ik begrijp jou ook wel dat je het vervelend vindt als Mischa te dichtbij komt. Oh ik vind het zo erg." Ze ging zitten en sloeg de hand voor haar ogen. "Ik voel me een idioot."
Het gaf me lucht dat ze zo begon. "Ik vind je zo'n lieve man! Maar ik voel me zo bitter en zo boos en machteloos."

"Wil je dat ik ga?"
Ze stond in tweestrijd. "Ik heb cadeautjes en bloemen voor je verjaardag en tompoezen voor twaalf uur om met Bjrn en Effy samen op te eten... Maar het gaat altijd anders. Was er nu maar een bemiddelaar, een witte broederschap."

Ik kon me niet meer voorstellen dat het goed kwam vanavond en hoe lief ik haar ook vond, hoeveel medelijden ik had, hoezeer ik haar aanminnigheid zou missen als het uit zou gaan, van deze neerbuigende gekkin wou ik nu ook liever weg, dus ik zei: "Als jij de deur uitgaat dan stap ik uiteraard ook op." Ze wreef over de spanningzones op haar bovenrug.
Ik weet niet meer wat de aanleiding was maar kort daarop riep ze verbolgen, met honend-schommelend hoofd en neergetrokken mond ten teken dat ze MIJ nadeed: "De katten mogen niet op de tafel hoor! Gatverdamme, zo rationeel!"
Ik stoorde me aan het woord rationeel. "Dat godverdomme die katten niet met hun poten aan mijn vreten mogen komen dat is godverdomme een geVOEL! Ik ben het strontzat dat eeuwige getter over rationeel! Steek dat in je reet!"
De laatste drie woorden murmelde ze pijnlijk ontwakend geluidloos na op vragende toon.

Mijn horloge wees kwart voor elf.
"Ik ga."
Ik greep mijn shag en fles wijn. Ik smeet ook mijn pantoffels in mijn tas, omdat ik niet wist of ik hier nog terug zou komen. "Neem dan tenminste de bloemen mee die ik voor je heb gekocht!"
Ik stak de in doorzichtig folie gewikkelde rode rozen onder mijn arm en pakte het samengebonden dekbed dat al klaarstond aan haar voeteneind. In de gang keek ik haar aan en zei, omdat ze nog wou gaan dansen en omdat ik haar helemaal zorgwekkend vond: "Pas goed op jezelf."
Toen ik haar een kus wou geven wendde ze me haar wang toe in een afwendende beweging van haar mond. Ik zei daag en zij zei daag. Toen ik de trap afliep voelde ik me iemand die onwelkom afdroop, te beschaamd om nog om te kijken, zoals ik altijd doe, terwijl ik de situatie daar ook te droevig voor vond.
Thuis sneed ik haastig een centimeter van de bloemstelen af en zette ze in een vaas, deed hoestdrank, massage-olie en pantoffels uit mijn tas, en vloog onder de douche om het af te spoelen.

De zinsneden van onze dialogen dansten door mijn hoofd. Ik had kennis gemaakt met een ongebreidelde bitterheid en onredelijkheid, een drang om zich ongeremd te mogen laten gaan in een mateloosheid die ik voelde niet te kunnen noch te willen dragen. In elk geval niet met MIJ in de rol van satan. Ik vond de situatie even absurd-lachwekkend als dramatisch pijnlijk.

De volgende dag, 19 maart 1989, ging ik het gebeurde herordenen tot deze tekst. Buiten zag ik buurtwerkers gasballonnen aan paaltjes binden. De kinderen trokken er wegens Palmpasen in optocht naartoe en knipten de touwtjes door. De ballonnen verdwenen prozasch haastig uit het gezicht. Asgrauwe wolken joegen laag voort op de gure wind.

Steeds als Nancy weer zou vervallen in het ongeremde beschimpen en beledigen zou ik weg willen lopen. In een dergelijke relatie had ik geen zin. Maar ik kon ook niet zomaar besluiten dat het dan dus maar uit moest zijn tussen ons.
Er was een lading aan spanning, onbehagen en tergende onbevredigdheid bij Nancy, dacht ik. Als ze lief was kon ik het wel goed met haar vinden. Toch moest het weggestopte onbehagen haar ware zieltje isoleren, zo dit al niet ook aan mijn kant op die manier het geval was.
Kwam het onbehagen er bij haar onverbloemd uit dan ontstond er een onhoudbare situatie.
Zou het ook die spanning zijn waardoor ik zo moeilijk bij haar sliep terwijl zij met mij juist dieper kon slapen?
Ik bleef er mee zitten en voortdurend aan denken.
Later trof ik haar verjaardagsgeschenk met brief alsnog aan op de deurmat, benevens haar bedroefde verjaardagswens op het antwoordapparaat.
Ik ontwaarde een lichte paniek die ik niet wilde voelen.

Donderdag schreef ze een brief die een half dagboek was waaruit ook sterke schuldgevoelens spraken.

Eerste paasdag, 26 maart 1989, zocht ik haar weer op.
"Mag ik je kussen?"
"Heel kort."
Ze had gekookt: chili concarde. Door het brieven schrijven hoefden we niet zo veel te praten en genoten we van de omarming. Ze was heerlijk met een bloedrood gebloemd jurkje, naar verluidde in verband met menstruatie. Ze streelde mijn rug en schouders met prikkeltjes uit de hemel.
Ik zei: "Je houdt van me."
"Ja ik hou heel veel van je." Ze wilde ontspannen in bed liggen. Ik masseerde haar met olie. "Dat is lang geleden," zuchtte ze.

Toen Bjrn thuis kwam ging hij tot onbestemde uren TV kijken achter de glazen deuren. Ik lag zachtop te redeneren dat men diende te accepteren hoe andere bewoners ook hun gewoontes hadden en dat men flexibel diende te zijn en dat het in feite geen grote overlast betrof, maar ik raakte steeds meer de gevangene van het brandende kamerlicht en het gedimde bonzen van het luidsprekervuil uit de TV.
Nancy was moeiteloos weggezeild en na een diepe vlucht door dromenland stelde ze plots klaarwakker vast dat ik waakte. Zij riep slaapdronken naar Bjrn, of hij nog lang bleef kijken. Toen ze zelf het bonsgeluid hoorde riep ze opnieuw. Zijn stem klonk nu stroef maar hij ging goddank te bed.

's Morgens vertoonde de hond Mischa kuren. Het dier weigerde, zelfs toen Nancy luidkeels schreeuwde, om in de mand te gaan. "Ik krijg er geen vat meer op!" riep ze buiten zichzelf. Ik kroop slaapdronken naar het voeteneind menend geroepen te zijn tot assistentie, maar Nancy waarschuwde dat de hond lag te trillen. "Misschien bijt ze je!" Ik ging weer automatisch onder de wol.
Nancy ontdekte dat de hond kennelijk steun bij mij had gezocht na het geheel ongebruikelijk deponeren van een drol in de salon.

Aan de keukentafel bij de koffie luisterde ik zwijgend hoe Nancy huilde.
Normaal zou ze nu op de fiets met Mischa naar het Vliegenbos zijn gegaan. Maar met mij durfde ze het niet. Dit laatste bekende ze toen ze op mijn schoot was gezeten. Ik omarmde haar innig en zei dat ik van haar hield, daar haar tranen iets in mij deden smelten.
Terzelfdertijd voelde ik me machteloos en had ik gedachten in mijn achterhoofd van nou dan moet het ook maar uit zijn als het zo onmogelijk ligt.
Nancy genoot er wel van dat we gewoon thuis bleven in plaats van er wegens het prachtweer op uit te gaan. Ze genoot ook van openlijk met mij te kunnen praten, over kinderen krijgen.
Ik zei parmantig dat je bij het klimmen der jaren steeds meer kans maakt op een krankzinnige en mismaakte baby. Ze protesteerde fel want voelde dat zij een kerngezond kind ter wereld kon brengen. Ze stond op een kruispunt en moest nadenken over haar leven. Ik vond het wel ontroerend zoals ze praatte over kinderen krijgen. Maar ze sprak tevens uit te merken dat ze niet met iemand samen kon leven. Dus ik liet op mijn beurt ook maar weten, als ik bij haar zou wonen, dat ik stapeldol zou draaien.
Ze lachte beamend. Het werd toch een mooie fietsdag. We kusten jong en zonnig.

Op woensdag 29-3-89 vernam ik door de telefoon dat ze veel ruimte en rust nodig had en zichzelf kwijt was geraakt. De stress maakte haar schor.
Ernst achtte ze zeer van waarde, maar mijn alles beheersende zwaarwegigheid vond ze verlammend.
Niets verving voor haar het gevoel dat een man binnen in haar klaarkwam. "Begrijpelijk," zei ik, "zelf zou ik depressief en overstuur worden als we niet mochten vrijen."
Haar probleem was dat zij werd aangeraakt zonder geslachtsgemeenschap.
Ik hield het op een groeiproces, problemen meemaken, elkaar toch accepteren, meer gaan waarderen, wennen, meer veilig voelen. Ik vond twee maanden voor een relatie nog niks. "Ik verlang naar je," zei ik in de hoorn. "Toch wel?" reageerde ze, "ja als jij nu hier was zou ik je ook aanranden."
Ik fantaseerde wat ik met haar zou doen als ik bij haar was, maar vroeg me ook af of we ooit bij elkaar zouden passen qua temperament. Ik zag op tegen de leegte.

Zondag 2-4-89 's avonds naar haar toe. Ze zat vol verwachting licht glimlachend in een fauteuil. Fiets gestolen, dak lek, al haar wasgoed verkleurd. Ze was moe maar mijn aanwezigheid zei ze, zorgde dat ze zich eindelijk weer eens gelukkig voelde. Ze genoot van mijn hand op haar wang als van iets heel vertrouwds, van heel vroeger.

Op 17-4-89 toen ik bij haar kwam bleek ze in bad te zitten, dwars in de kuip, lenig in de lotus. Spanninkjes vanuit haar wervelkolom tokkelden haar nekspieren aan, waarop haar hoofd met staccato schokjes reageerde, omdat het niet stroef stond vastgeschroefd op haar romp, doch anderzijds in haar bewegingen beperkt was door een spanningsveld. Ik zag Nancy aan zoals ze daar zat, naakt en nat, en zei: "O schat!"
Ze liet haar vulva likken, evenals na het afdrogen in bed, met adorerende tongkussen.

Ik schrijf haar de volgende dag in een brief:

"Wat een heerlijke geciviliseerde en toch doorbloede vibratie heb jij als jouw stem uit de mixer komt. Wat er dan in de mixer werd gestopt voordat die ging draaien? Een Amerikaanse hit van een zangeres die de hele tijd roept: love you hate you love you hate you..."
De zangerige zinsmelodie van je woorden op mijn antwoordapparaat maken je stralende blik bij me voelbaar, zoals de glans van kristal wakker wordt uit de klank ervan.
Beeldig beeldje! I
k vind je zo lief en imposant; ik verwijl in mijn fantasie vol stille betovering aan je voeten. Dit is geen grap. Hou deze brief maar tegen je oor, dan hoor je zelf de stroomversnelling in mijn bloed en hoe mijn hartje voor je springt: ikwl, ikwl, ikwl...

JANINE
Op zaterdagmorgen 22-4-89 lees ik op weg naar een computerdag in de trein een brief gestuurd door Janine, van Rebirthing, die ze ondertekent met "je leeuwin".
Ongeveer om die tijd fietst Nancy naar de Dappermarkt en voelt zich erg koud.
De volgende dag na het bezoek aan een betere eettent in de Spuistraat gaan Nancy en ik langs bij haar zuster Tonnie. De hautaine witte kater Bachus haalt waarschuwend naar me uit.

Als we thuis naar bed gaan trekt Nancy een doorzichtige zwarte zijden jurk aan. Even later alweer een onderjurkje waarin ik haar ontroerend lief kan voelen. Ik liefkoos haar warme heideven met mijn doordringende tong.
De volgende middag rommelen we voor de deur aan fietsen. De menstruele voorschaduw doet Nancy uitbarsten: "Ik wil gewoon een fiets hebben!"
Bij het afscheid werpt ze ziende liefhebbende blikken op mij. Dan weet ik dat even alles goed is. Ik dank haar voor haar "spontaneteit en directheid".

NATIONALE DAGEN
Ik vind het wel jammer dat ze op Koninginnedag niet met mij de stad in wil. Want zoals zij het fijn vindt en publique te worden aangehaald, omdat ze voorheen in het openbaar gekuste vrouwen benijdend had gadegeslagen, zo voelt het voor mij als rijkdom daar niet alleen te lopen.
Die avond laat gaan we een pizza eten en de stad is dreigend druk. Luidop brallende en schreeuwende doorzakkers domineren het straatbeeld en geluidskasten doen het uiterste om vroegtijdig ons gehoor te beschadigen ter ere van Hare Majesteit.

Op 3 mei 1989 ga ik eten bij Janine. Zij leest drie verhaaltjes van zichzelf voor en ik lees Ira Keereweer voor van mij. Tegen het ochtendgrauw stelt ze voor dat we "voorlopig alleen vriendjes blijven", waar ik direct akkoord mee ga. Ik heb dan al een paar keer gezegd dat ik "nu maar ga".
Elke reserve en afstand waarmee ik instem vult zij direct op met evenzoveel toenadering. Ze excuseert zich voor het ontbreken van een logeerkamer. "Je mag wel op het kattekussen slapen, maar ook als je wil dicht tegen mij aan." Ik kies dicht tegen haar aan. Het lijkt me dat dit voor Nancy moet kunnen al weet je nooit hoe die emotioneel reageert. Janine reageert op elke aai zo nat als een krolse kat. Ik had nog nooit een vrouw gezien die van opwinding kon sproeien.

De volgende avond om 8 uur zit ik met Janine op het strandterras "Adam en Eva". In het paviljoen hoor ik de barkeeper morren tegen een paar tieners over "gewoon twee minuten stilte in acht nemen".
Terzelfdertijd is Nancy "op haar fietsje" naar de Dam gegaan. Ze staat voor het dranghek naast een jongeman met een wakkere, serene blik, die indruk op haar maakt vanwege zijn correctheid en beschaving. Hij tutoyeert haar niet waarbij zijn fijnbesnaarde aandacht haar vrijwaart van het gevoel oog in oog te staan met de zoveelste haan. Zijn ziende blik doet niets vermoeden van bijbedoelingen. Nancy verkeert met hem in een achtzaam samenzijn, hoewel zij weinig spreken.
Als na de twee minuten stilte, de Politiekapel smartelijke, vurige schaduwen werpt tijdens het spelen van de nationale hymne, voelt Nancy zich bedrukt. In haar gemoed doemen onweerskoppen op. Zij gaat haars weegs en denkt nog dagen aan de blik van de verlichte jongeman. Een verlangen naar uitreinigend spiritueel contact doet haar dromen over een weerzien, mocht hiertoe de kosmos willen beschikken.

De volgende dag na het amateurtoneel in het Antonytheater deel ik Peter S. bij het gedagzeggen mee dat ik zijn vriendin Ivonne medeneem.
"Gaan jullie wandelen in het Vondelpark?" "We gaan naar het Zandvoortse naaktstrand." Ik heb hem nog nooit zo vuil zien kijken. Onderweg word ik door Ivonne gepakt. Ik voel me lekker vereerd als haar lachende muiltje mijn mond uitgehongerd likt en zoent. Op Bevrijdingsdag gebeurt er altijd iets met vrouwen.

Maandagavond 8-5-89 direct na mijn binnenkomst maakt zich uit Nancy's wezen een heftige ontlading los.
Een ongezond sexueel leven bezorgt haar een steeds groter verlies van eigenheid en een toenemende weerzin tegen levenstaken! Ze wil niets meer, niets! Ze kan niet meer. Ze moet opgenomen worden eigenlijk. Haar dromen spelen zich af in lieflijke stille oorden van duizendvoudige kristallen. Grazige werelden aan wateren van rust. Daaruit ontwakend voelt zij maar n verlangen: naar de hemel.

 

 

Onder de hevige golven van haar gemoed draait ze haar hoofd in een bevrijdingspoging wanhopig van links naar rechts zoals iemand die gekneveld ligt in een zware droom.
Haar stem wordt gedragen door de akoestiek van een diep in de aarde gelegen spelonk.
Ik zit naast haar op de bedrand en voel me vanuit mezelf in mijn missie als engel onvoorwaardelijk gesteund.

Tot het uiterste zal ik openstaan voor dit rijkbegaafde schepsel en voor de roerselen van haar gemoed, hoewel ik me met haar geaardheid niet kan meten. Wat het sexuele betreft zet ze me schaakmat, en ik spreek dan ook direct uit dat ik haar niet kan helpen, niet haar man zal kunnen zijn.
Ze heeft gezegd met mij te kunnen groeien, maar ik vraag me nu af of zij niet te heavy voor me is. En of ik zelf wel groeien kan met haar. En of ik niet beter gedij met iemand die ik kan hanteren, zoals Janine. Nancy zegt het wel te hebben gevoeld, afgelopen week.
Ik stel dat ze wellicht "op haar beentjes" komt te staan als ze iemand vindt die haar doordringt. Of het moet zo zijn dat ze te ontaard is, door haar vroegere trauma, en zo uit haar lichaam is gedreven...
Ze zendt me een half geamuseerd lachje. Ze hoeft niet geholpen te worden, verluidt het, en ze vraagt zich af hoe erg het voor mij is bij binnenkomst onder dergelijke problematiek te worden bedolven.
Ik antwoord dat voor mij in het leven n der grootste waarden gelegen is in aandacht geven. Ik roep het gevoel in me op dat ik haar hand vast houd. Ze komt vanuit zichzelf tot bedaren, waarna ze rustig wordt en vergenoegd.
Pas tegen de morgen slaap ik in, en daal af in een narcosedroom, zelfverloren, alsof machten me verkrachten door me binnenste buiten te draaien.
Na het lunchconcert wandel ik met Nancy rond. Op de Waterloopleinmarkt koop ik een boek over heksen. Janine matigt zich deze kwaliteit ook al aan. Ik als engel waardeer weliswaar elke keuze voor kosmische zielekrachten, maar acht enige check-out via een handboek geboden.

Eerste Pinksterdag de 14e mei gooit Nancy een brief in mijn bus. Hij is geschreven in liefde en waarheid, voortvloeiend uit de gevoelde noodzaak tot verandering.
Op 16 mei ga ik 's morgens naar haar toe, voor het lunchconcert. Ik voel afstandelijkheid. De inhibitie op sensualiteit. Ze heeft zelf haar haren gekort. Het staat heel lief bij haar schilderachtige gezicht. Onder de operette-scne denk ik steeds aan relaties en aan ons. Dit is wat bij mij wordt opgeroepen door de dramatische effecten.

Buiten in de zomerzon zeg ik met haar te willen fietsen. Ze kijkt geroerd. Maar ze kan niet fietsen. Wil niets, met niemand, alleen slapen, geen vibraties in haar. Met mij heeft ze een halve liefdesverhouding want we beroeren elkaars lichaam halfslachtig. Het onvolledig beleven en proberen, wordt door haar ervaren als voyeurisme. Ze kan niet gelukkig met me zijn.

Als ze tijd voor zichzelf heeft gekregen, wil ik haar dan weer zien? Resoluut kussen we kort. Als ik omkijk is zij al in het gewemel opgelost.
WIM HEINS

 

Afscheidsbrief van Nancy Walgemoed


Terug naar Dagboekenoverzicht