Terug naar Dagboekenoverzicht
Onderdeel van de KijkAan.nl Servicepagina's


De Leeuwin op KijkAan.nl van Wim Heins 1971

 

 Kerst 1970 
Vanmorgen 25 december 1970 toen het jankend hooglied uit het orgel en het eervertoon van de predikant in de Hoeksteenkerk weggestorven waren, stond ik al lang buiten op het plein met mijn ziel onder mijn arm.
Uit de ingang kwam opeens Kees Lewin naar buiten, die ik eigenlijk nauwelijks ken.
Hij liep met een vreselijk joviale doelgerichtheid (sjieke bril, dik lichtbruin montuur en grote lachende ogen) op me af.
"Jij hebt toch bij Marjan in de eerste klas gezeten op de Julianaschool? Dat is mijn zuster," viel hij met de deur uit huis. Zonder op mijn antwoord te letten ging hij door: "Ik ben organist. Heb je net mijn concert op het kerkorgel gehoord?"
Ik vertelde niet dat ik in beginsel welwillend eerst de preek was gaan stenograferen. Maar er halverwege achter kwam hoe geniaal nietszeggend die van inhoud was. En dat ik toen de kerk was uitgeglipt om adem te halen.
Dus dat ik Kees zijn concert daarna niet had mogen en moeten aanhoren.

Nu voegde zich een kritisch aankijkende rijzige jongedame bij ons, in een korte zwarte bontmantel, waaronder zij een lange paarse maxi-jurk aanhad, welke met een verre roep van alarm en hunkering mijn aandacht trok. De zwarte pompeuze oma-schoenen die ze droeg zijn geloof ik recent uit hun graf geklommen om nu wederom te zegepralen als stijlfiguur of modegril. Lang bruin haar met een roodachtige structuurkleur viel over haar schouders.
Uit vrije wil volgde ik het innerlijke dwangbevel om haar te aanschouwen waar omtrent mijn hart beschaamd zijn ritme tot in mijn slapen opstuwde als luidklok van het ten dode opgeschreven staan.

In weerspraak tot 1960 toen ik Marjan Lewin na twee jaren opnieuw gewaarwerd op het kerstfeest van de kinderkerk, was zij nu geen 10-jarig nuffig tantetje meer dat me hooghartig weigerde te herkennen. Want zij nam mij nu, tien jaar later, onderzoekend op met grote bruine brutaal stralende ogen.
"Je ziet er geweldig uit," liet ik haar onmiddellijk weten.
Nu sloeg ze de ogen naar de grond en stamelde: "Ooh, nou, dan moet ik zeggen dank je wel hè?"

Volgens mij lag hieraan ten grondslag: twijfel of ik het wel echt meende en angst onnozel blij te wezen terwijl men achter haar rug stikte van het lachen over haar gevleid zijn door een vals compliment.
"Wat vond je van de preek?" wou ik weten.
Marjan: "Als ik de muziek van het orgel hoor dan voel ik nog beter waar het om gaat."
"Met al die registers!" riep Kees er lachend doorheen.
Marjan: "Ga je mee met ons naar huis om bij mijn ouders koffie te drinken?"
Ik schrok alsof ik de donder hoorde rollen bij strak blauwe lucht, omdat ik me hier geen houding mee wist en ook niet wist waaròm ik geen houding wist.
"Nou, wij drinken thuis zelf koffie," bracht ik uit, "dus ik zal daar maar naartoe gaan."
Kees: "De koffie is bij jou thuis zeker veel lekkerder?"

Kees Lewin heeft veel opgewekt spraakwater en argumenteert ook graag ironisch tegen je in, wordt me duidelijk, maar dat staat me aan.
Toen ik zei dat hij best een groot realiteitsbesef had, vond hij dat helemaal niet waar want hij vond zichzelf een idealist. Tactvol en bescheiden? Nee dat vond hij niet, maar wel dat hij zich tactloos opdrong.

 Kerstboomverbranding 1970 
28 december 1970
Een fanaat ben ik altijd geweest, want op mijn 7e achtervolgde ik andere kinderen die na de feestdagen kerstbomen in de fik staken. Dit vond ik "zielig" voor de boom. Eigenlijk respectloos na hun luisterrijke pracht. Uiteraard werd ik weggehoond of juist gedwongen toe te zien hoe een kerstboom werd 'gemarteld' met brandende lucifers.
Tien jaar later op mijn 17e in 1967 was ik van gedachten veranderd. Ik had me inmiddels gestort op het aanleveren van kopij aan huis-aan-huiskranten. Bedoeling was te komen tot een foto van een rechtopstaande grote kerstboom waar indianen joelend omheen dansen terwijl hij in lichterlaaien staat. Dat illustreert dan hoe alle luister is voorbestemd om onder te gaan. Ik vind de kerstboom een schrijnend symbool van genadeloosheid, van hoe de goden een schepsel optillen naar geluk alleen maar om het des te harder neer te smakken.


De Hoeksteen Amsterdam Slotermeer 1967: kerstboom wordt verbrand.


Van 1967 tot en met 1969 heb ik jaarlijks na Kerst dan ook de hand gelegd op de boom van de Hervormde kerk de Hoeksteen, mensen opgeroepen om als acteurs op te treden, en gepoogd het imaginaire tafereel op het kerkplein in scène te zetten. Niet alleen het rechtop zetten van de boom en hem op de juiste wijze aansteken mislukte tot op heden, maar ook mijn appratuur liet me in de steek of ik ontwikkelde de film met een te slappe ontwikkelaar zodat ik een blanco strook uit de ontwikkeltank mocht trekken.

Maar bij mijn poging van dit jaar heb ik de belichting goed doordacht. Via een tweesprong in de bedrading verschillende flitsapparaten aangesloten. De contacten waar de consensator zich ontlaadt heb ik afgetapt naar contrastekkers. Hierop sluit ik verlengsnoeren aan naar fotolamphouders op statief. Daar plaats ik flitslampen van het type PF100, zo groot als gloeilampen met dito fitting. Voor het eerst. 's Middags heb ik er wel vijf gekocht voor 8,= gulden. Een flacon benzine kostte me bij de pomp 3,= gulden en rollen touw, 40 meter waslijn met ijzerdraad erin, batterijen, contrastekkers en fotokosten totaal f.27,50

Het was een sneeuwerige avond toen ik alles op mijn fiets laadde compleet met gereedschap, plakband, spijkers, statieven en kabels. Onderweg klotste de benzine al over mijn benen. Bij de Hoeksteen aangekomen begon ik al deze voorzieningen op de begane grond van het 'ontmoetingscentrum' in elkaar te zetten. De figuranten die ik had opgeroepen druppelden daar ook binnen, waaronder Marjan Lewin, broer Kees Lewin en Loesje Lefèvre.
De koster riep: "Heb je daar toestemming voor? Ik wil hier geen last mee krijgen."
"Dat krijgt u niet," flapte ik eruit, "want alles is voor mijn verantwoording." Daar werd hij driftig om. "Helemaal niet. Alles hier is voor mijn verantwoording! En daarom wil ik die spullen er allemaal zo snel mogelijk uit hebben!" Zijn uitstaande oren liepen rood aan.
Ik kon hem slechts moeizaam ontwapenen door te benadrukken dat alles zich buiten af zou spelen.
Mijn zonderlinge wrijving met de lichtgeraakte man werd nieuwsgierig gevolgd door mijn assistenten zoals Gerard Hoogenhoud, Ingrid Haitsma, Joke Smits, Loes en Sonja, de Leeuwin en haar broer Kees.
"En er wordt hier ook geen elektrische stroom gebruikt hoor!" brieste de koster.
Toen iedereen was komen opdagen sleepten we de kerstboom uit de tuin van de dominee, na aftuigen daar tijdelijk bewaard, zetten hem op het kerkplein met de touwen overeind, enigszins scheef als de toren van Pisa, en stopten er kranten tussen. Mijn kleinbeeldcamera stond op statief met draadontspanner en de bliksemlichten waren aangesloten. Gerard goot nu de bezine leeg in de boom. Iedereen begon er als indianen omheen te dansen om de roemloze ondergang van luister en glorie uit te beelden conform mijn instructies. Ik nam eerst een testfoto. Maar de PF100-lampen deden het niet! Zouden de parallel geschakelde flitsers elkaar elektrisch tegenwerken? Ik draaide de stekkers om. Bizar genoeg gingen nu beide dure PF100 lampen alsnog af zonder dat ik een foto nam. Ik schroefde er nieuwe in.
Marjan Lewin had haar vlechten samengebonden op haar achterhoofd, droeg een korte bontmantel, zwart, en een lange broek in laarsjes. Haar passie voor vuur was mij sinds 1967 reeds bekend. Ze wilde dit jaar graag de boom aan mogen steken. Maar de gure winterwind blies haar lucifer zonder aarzelen uit. Daarom liep zij de kerk in om daar Het Parool in de hens te zetten.
De Leeuwin werd door de koster onmiddellijk met enorm misbaar naar buiten gewerkt vanwege haar pyromane gedrag. Ze haastte zich naar de kerstboom om het brandende Parool bij de bezine te houden. Met een zekere aarzeling klommen de vlammen eindelijk omhoog en bekleedden de omstanders met oranje gloed. Bij voldoende vuurzee schreeuwde ik: "Begin maar!"
Nadat enkele figuranten min of meer joelend waren gaan dansen, om de boze vloek over alle bloei en glorie uit te beelden, drukte ik de draadontspanner in, net een injectiespuit met dodelijk preparaat.

 

Dagboek over De Leeuwin van Wim Heins 1971

 

Tot mijn woede deden de flitslampen het alweer niet! Want omdat de Leeuwin zo bar en boos de kerk uit werd gejaagd had zij tegen een kabel geschopt, en zo twee stekkers losgetrokken. De boom raakte alweer uitgebrand en tot overmaat van ramp viel hij ook nog om. Ik stak de stekkers snel weer op hun plaats en drukte de injectiespuit in.
De lampen wierpen een bliksemschicht over het plein. Ik had nu een blitzfoto genomen van mensen naast een liggende uitgebrande kerstboom in de sneeuw.
Kerstboomoperatie 1970 met stille trom ten einde.

 

Foto kerstboomverbranding 1970 mislukt maar de blitz flitst.


We trokken ons terug in het 'ontmoetingscentrum' waar een vergaderzaaltje was voorzien van een kleine bar met speakers die het gesprek dienden te storen, in de hoop jongeren, na hun openbare geloofsbelijdenis, te behouden als vazallen van de ware leer, ja als horigen des geloofs .
Links van mij zat Kees Lewin en rechts zijn zus. De Leeuwin droeg een gehaakt paarsbruin geschakeerd vest met vierkante houten knopen, V-hals en een zelfgemaakte halsketting van ludieke schakels. Haar twee vlechten vielen nu voor haar schouders langs.
Zij vroeg hoe ik me na al mijn vergeefse gezwoeg nu eigenlijk voelde. Ik schrok ervan dat zij belangstelling vertoonde voor mijn innerlijk, en nam aan dat dit een professionele techniek betrof, geleerd op de Sociale Academie.
"Amsterdam en Rotterdam zijn ook niet op één dag gebouwd," antwoordde ik.
"Ben je dan niet teleurgesteld?"
"Nou ik ga morgen maar weer eens verder met grafologie."
Haar bruine ogen keken geamuseerd betrappend.
"Geloof je daar dan in? Je kan je handschrift toch gewoon verdraaien?"
"Dat denk je maar, want het blijft karakterschrift met dezelfde projectie van psychismen naar grafismen..." citeerde ik een boek.
Ik taxeerde haar een ogenblik op de weegschaal van het leven, en ook mijzelf, gaf plots een zachte tik met mijn wijsvinger op haar wipneus, zeggende: "...en dat is ook zo bij jou!"
Terwijl ik dit durfde wrong zich warm bruisend getintel door me heen en een elektroschok voer door haar leden. Waren het de rode flowerpower-lampjes hier die rossig licht op haar wierpen, of bloosde zij vervaarlijk?

"Ik heb een boek over astrologie..." bracht ze uit.
"Mag ik dat niet eens lenen?"
Kees klaagde: "Volgens mij ben ik hier het derde wiel aan de wagen aan worden."

Om half twaalf ploegde ik huiswaarts als een dolende ziel, met alles weer op mijn fiets geladen, tegen een winterse bui in, door een leeg, sneeuwwit Slotermeer.

29 december 1970
Mijn moeder riep vanmorgen naar boven: "Koffie!"
Ik stond op en nam beneden plaats op de bank. Ik liet weten dat er een boel dure lampen waren opgebliksemd zonder goede foto te kunnen nemen maar dat Marjan Lewin wel een heel behulpzame assistente was geweest, omdat die namelijk wezenlijk anders dan anders is door haar speelse creativiteit.
"Anders dan anders??" schamperde mijn moeder, "die Marjan is toch een heel gewoon meissie? Ben je soms verkikkerd op haar?"
Om zes uur werd er een boek over astrologie bij ons door de brievenbus de gang ingeworpen.

31 januari 1971
Nu ik correspondeer met de Leeuwin stuurt Kees me ook briefjes mee die Marjan dan tegelijk met de hare bij ons in de bus deponeert.

"...Kortgeleden bij opgravingen in Nat-tah-nam *) en voor het eerst zorgvuldig vertaald..." schreef Kees, en dan onderaan als voetnoot:
*) Dit is natuurlijk Manhattan.

Zijn verlanglijst 1971 vraagt louter boeken van Hegel, Kierkegaard, Marx, Bakoenin, Marcuse, Orwell, maar ook Heeresma en Hermans en op het eind: woordenboek Ned.-Frans.

15 januari 1971
Ik schrijf Kees terug dat de Hongaarse psycho-analyticus Szondi een psychologische test heeft ontworpen die uitgaat van verschillende driften. De "ethische drift" heeft een hysterische factor en een epileptische factor.
Niet dat ik er ook maar een lor van begrijp hoe een drift op ethisch gebied mede wordt opgebouwd door vallende ziektes, maar omdat Kees zelf epileptisch is moet het hem interesseren. Vooral nam ik dit aan omdat Szondi beweerde: de epileptische factor van de ethische drift heeft als kenmerken goedheid, rechtvaardigheid, willen verrassen en verrast willen worden.
Ja de eerste twee trekken herkende Kees wel, stond er in zijn antwoord. Maar de laatste twee leken hem meer kenmerkend voor zijn zus. Ja absoluut, meende hij, dat Marjan die eigenschappen "stellig" bezat.

24 februari 1971
Omdat Marjan me vanavond aan haar ouders wou laten zien ben ik uren bezig geweest mezelf te programmeren met gespreksonderwerpen, want onvoorbereid blijf ik waarschijnlijk verbaal geblokkeerd. De Leeuwin wordt per 1 maart arbeidstherapeute in Psychiatrisch Ziekenhuis Santpoort. Daarom heb ik uit de beroepengids alle varianten en opleidingseisen van dit werk uit mijn hoofd geleerd. De arbeidstherapeute werkt meestal in teamverband met psycholoog, fysiotherapeut, logopedist, sociaal werkster... Deze slogan niet vergeten als grap terloops uit te spreken: "Meer Poen om Welzijnswerk te doen."
Als ik met de Leeuwin alleen zou komen te verkeren, wat moesten we dan doen?
Ik bedacht dat we op ludieke manier de scène uit het gymlokaal van december 1956 konden naspelen!

Dat was de winterdag dat mijn vaders vader was gaan wandelen met mij plus mijn broertje Cor van twee. Die kleuter was toen zomaar ineens van de aardbodem verdwenen! Na veel paniek bleek er op het politiebureau van de Admiraal de Ruyterweg een zekere Johan te worden vastgehouden. Mijn moeder wist nu dat haar kleuter gered was, daar Cor liever de stoere buurjongen Johan was dan zichzelf.
De volgende dag op de Julianaschool, voordat de gymnastiekles begon, zat de hele klas nog even op de vloer van het gymlokaal in een rij. Naast mij zat Marjan Lewin, zes jaar oud.
Ze vroeg zomaar opeens: "Is jouw broertje gisteren verdwaald??"
Ik riep: "Hoe weet je dat?! Is jouw vader dan politie?"
De Leeuwin riep uit: "Hoe weet je dat??"
In mijn hoofd was namelijk bliksemsnel beseft dat de politieman thuis de anekdote van Cor Heins had verteld die Johan wou heten.

Onlangs heeft Marjan bij haar vader gepolst of hij zich dit voorval nog te binnen kon brengen na 15 jaar. Maar daar wist de politieagent nu niks meer van. Bovendien heeft hij tegenwoordig een bloedhekel aan Wim Heins. Namelijk omdat die niet spoort. Al sinds 1967 tracht deze zonderling immers aan te zetten tot pyromanie, tot indianendansen voor de kerk, met overlast voor de koster en brandgevaar voor het gebouw.
De politie-adjudant Lewin heeft een fijne neus voor nietsnutten, hippies en provo's met verknipte denkbeelden, vandaar dat hij voor zichzelf heeft besloten gezond rechtuit te blijven denken. 

Het eerste wat me opviel toen Marjan die avond opendeed was dat het een lief lachend, mooi meisje was dat precies even groot was als ik.
Ze droeg een nieuw uitziend licht/donkerblauw vest van maximaal dikke wol, op haar borst gesloten met blauwe koorden waaraan wollen ballen hingen.
De Leeuwin overhandigde me een klerenhanger voor mijn jas, waarna ik mijn haar kamde en m'n neus snoot.
Ik kreeg koffie, niet bij haar moeder die naar de Evangelische Omroep
keek, (haar vader had dienst op het politiebureau) maar "omdat het beter is" op de kamer van Kees.
Deze verklaarde ongevraagd hoe uit de gedichten van Marsman blijkt dat hij een 'vitalist' is. Misschien vormt dit voor mij een beweegreden om harder te gaan werken op mijn cursus MO-A Nederlands, want het is zonneklaar dat ik vergeleken Kees over een kennis-vacuüm beschik, waar ik het heet van kreeg.
Gelukkig werd de sfeer losser toen Marjan begon aan het opmaken van mijn karakter uit de bouw van mijn handen. Ik had het gevoel dat zij alles gunstiger interpreteerde (halo-effect) zoals artistiek, intellectueel, sociaal, onderzoekend.
Daarna togen we naar haar eigen kamer. Ze liet me weten "nu beslist te moeten weten" waarop ik de grafologische karakterbeschrijving had gebaseerd die ik bij haar in de bus had laten vallen. Het antwoord hierop had ik tijdens het prepareren van deze visite grondig uit mijn hoofd geleerd.
"Ooh, moet je dat weten?" mompelde ik.
"Ja natuurlijk, hoe doe je het?!"
Ik krabde achter mijn oor en ving aan: "Nou gewoon..."
"Hoezo gewoon?"
"Ja kijk je schriftbeeld heeft ritme zonder grote gapingen wat wijst op evenwicht. Maar de regelmatigheid van de letters zelf is niet al te groot zodat je een gevoelsmens bent maar met de nadruk op midden- en bovenzone sta je wel realistisch op de grond en ben je betrokken op de geest. De volheid van je vormen wijst bepaald op fantasie, nog versterkt door spontane beweeglijkheid, en door de sociale bereidwilligheid van een guirlandische verbindingsvorm."

De Leeuwin had een dagboek van zichzelf erbij gepakt en zat dicht tegen me aan op haar bed zodat ik de schriftkenmerken meteen aan kon wijzen.
"Deze twee soorten t-strepen," vervolgde ik (en deed geconcentreerd mijn best want haar dwingende houding boodschapte dat hier veel van afhing), "dus dit hoge kruis hier, dat wijst op woede en eigenbelang. De andere t-streep lijkt een schietklaar kanon. Dit hoort bij de gedeeltelijk ook arcadische verbindingen en de steile tot linkse hellingshoek. Dit alles wijst op achterliggende geslotenheid en argwanend onderzoeken waarzonder je je niet snel zal overgeven. Sterker nog: de abrupte terugtrekking van de eindhaal van de letter 'n' wijst erop dat je zelfs spoken ziet, ik noem dat een spoken-n."
"Okee, nou, bedankt," klonk het tevreden.
Blijkbaar was mijn diepgewortelde betrouwbaarheid hiermee een feit.
"Ik wil helemaal niet dat iedereen steeds van alles aan me vraagt," verklaarde de Leeuwin. "Ik heb het gevoel dat ik het zelf al had moeten aanbieden. Ik denk ook steeds dat ik iets minder goed kan dan een ander. Ik trek me ook alles aan. Ik geef een cursus emailleren en daar is een gek meissie en daar droom ik van."
Bij het afscheid op de trap aaide ik haar haren maar er was geen sprake van kussen, alsof die nog moesten worden uitgevonden.

25 februari 1971
"Koffie!" riep mijn moeder. Ik ging naar beneden en nam het middel in. "Heb je een scharrel?" vroeg mijn moeder.
"Zoïets."
"Je wou toch wachten met trouwen, waar blijf je nou?"
Ik gaf geen antwoord.
"Ach ja," hield ze aan, "je hebt er de leeftijd voor. Maar dan moet ze wel hier komen want ik wil haar ook wel eens zien."
"Hoe haalt u het in uw hoofd om meteen over trouwen te beginnen?!"
"Trouwen is hou'en!" klonk ze triomfantelijk, "ben je verkikkerd?"
"Nee."
"Dan heb je ook geen scharrel."


2 maart 1971
Hoe schep ik de juiste sfeer? Door haar ego te bevestigen of misschien met een uithonger-en-eten tactiek? Daarvoor moet ik wel verhullen dat ik zelf onervaren en uitgehongerd ben. Zij schreef dat ik een "heilzame werking" op haar heb. Dan is er dus wederzijdse nood, maar ik kan net doen of ik me rustig en rijk voel waardoor haar honger groter lijkt. Zij is bang dat ze signalen verkeerd interpreteert: dat het stoplicht op groen staat terwijl het op rood staat. Er is angst zich over te geven aan onberedeneerbare overrompelende gevoelens. Ik denk dat ze uit schuldgevoel over aanraking zichzelf wil straffen. Er is veel meer tussen haar benen dan ik kan vermoeden. Is verleiden tot soepelheid de juiste therapie?

5 maart 1971
Bij haar ouders 's avonds op de koffie geweest. Op de TV stond Hadimassa aan. Haar kalende vader berispte zijn zoon waar iedereen bij was: "Kees, jongen, hou nou's op met pianospelen. Straks komt de poelisie hier aan de deur... En je moet ook niet door het perk lopen omdat je schoenen daar stuk van gaan."
Haar moeder begint echt aan gene zijde van de veertig te raken en praat een beetje lijzig: "Ja... ja... Hadimassa is soms wel een bééétje tè. Maar ze zeggen de dingen soms wel ráááák..."
Marjan gaf me bij binnenkomst meteen de foto's van haar nieuwe werk die ze wilde laten zien, zodat de mogelijkheid daarvoor naar haar kamer te gaan meteen verkeken was. Met haar ouders erbij doet ze tegen mij op haar wat vragende, afstandhoudende manier, krabbelt aan haar neus en kijkt steeds omlaag en opzij.
Om op het onderwerp "kopjes geven" te komen manoeuvreerde ik het gesprek later handig op "katten", maar omdat er steeds mensen rondliepen kon ik haar toch niet soepel vragen om mij kopjes te geven. Tegen alles wat ik zeg gaat ze overigens lijnrecht in. Ik had de indruk dat ze ook wel aanraking wil maar dit voor zichzelf frustreert.
"Mooie piano," zei ik over het bakbeest in de huiskamer.
"Je mag hem kopen," bood de Leeuwin aan, "als we er regelmatig op mogen komen spelen."
Omdat ik dit niet misverstond vroeg ik: "Geef je nog kopjes?" Waarop ze meende dat dit later nog zou komen.

10 maart 1971
Het valt me in de Bijenkorf op hoe onzeker ik me beweeg en ook hoeveel lelijke mensen er rondlopen, waarvan ik ook besef dat dit projectie is. Ik voel me fysiek minderwaardig en ga er vanuit dat de Leeuwin zich vergist door verliefd op mij te zijn maar dat ze dit zelf niet weet. Misschien is ze alleen afhankelijk van mijn curatele invloed. Mogelijk loods ik mezelf onbewust naar een mislukking door te voelen dat zij ook lelijk moet zijn daar zij anders niet met mij zou gaan. Maar hierover voel ik me dan schuldig. Allerwegen rust het verleden volgens mij als een vloek op ons leven.
Ze kunnen in Zuid-Soedaan zelfbestuur krijgen als het zuiden het communisme aanvaardt en de gevechten rond het vliegveld van Tokyo duren voort. Als ik nu 80 was zou ik denken de wereld wentelt voort door haar schurftplagen, maar ik ben ontheven van deze sorus en ga ondergronds alsof het nooit heeft bestaan.

 Strand 
14 maart 1971
Voor onze strandwandeling had ik nagedacht hoe ik de Leeuwin kan helpen met tal van eigenschapscorrecties om haar te verleiden tot spontaniteit. Tevens had ik voorbeeldzinnen opgesteld om tegen haar uit te spreken als ik te gespannen zou zijn om onderwerpen te weten.
- Goh wat heb je toch een mooie lelijke eend.
- De weergoden denken dat we dankbaar moeten zijn maar we hebben gewoon recht op mooi weer.
- De zee fluistert iets: natalis gaat over de geboorte en natare is zwemmen in het Latijn.

We hadden deze zondagmiddag om twee uur afgesproken. Ik was alleen thuis en wachtte tot drie uur. Ik had een witte coltrui aan. Toen reed ze voor met haar Rode Eend. Koffiedrinken met haar ouders bij haar oma na de kerk, had tijd gekost.
Over 'niets' praten op de heenweg was geen probleem. Ze doorkruiste na Halfweg de weilanden over golvende weggetjes die hier en daar geasfalteerde lappendekens leken waar wortels onder wrongen. Toen we te Wijk aan Zee het strand op liepen pakte ik volgens planning haar hand. De voorbeeldzin "nu knijp ik harder in je hand omdat ik je aardig vind" heb ik niet toe hoeven passen. "Ik ben gek op de zee" heb ik wel gebruikt; zij beaamde dit zelfs.

Nu liep ik voor het eerst van mijn leven hand in hand.
Marjan werd er wel rood en zenuwachtig van. Daarom moest ze aan de vloedlijn zonodig schelpen oprapen. Maar op weg naar de Noordpier van IJmuiden ging het hand in hand lopen heel goed. We gingen met blote voeten op de schelpen lopen. De Leeuwin zei steeds dat er glas tussen lag wat ik steeds ontkende. Ze zei de hele tijd "waarom?" Bijvoorbeeld: "Waarom zit er geen glas tussen de schelpen?" Ik zei: "Omdat glas niet aanspoelt want het zinkt."
"Waarom zinkt glas?"
"Omdat het zwaarder is dan water."
"Waarom is het zwaarder?"
"Het atoomgewicht is hoger."
"O ja waarom??"
"Er zitten meer protonen in de kern."
"Waarom dan?"
"Die waren over toen er genoeg protonen waren voor water."
"Net als bij schelpen zeker want die zinken ook net als glas dus jij moet me geen briefje sturen in een fles want die zinkt natuurlijk want het is glas."
Ik wees: "Kijk die golven tegen de rotsen volharden in hun eindeloze dans van zinledigheid."
Terwijl ik dit zei legde ik mijn vingers op haar polsslagader en voelde een hartslag van 100 per minuut. Volgens haar had ik 84, maar waarom?

Op de pier moest ik van de Leeuwin steeds haar handen warm wrijven om haar bloedsomloop te stimuleren. Toen we terugliepen wou ze graag dat ik haar iets verbood. Zo ging ze op de rand van de pier lopen met die afgrond aan de andere kant. Ik liep ernaast en hield haar hand stevig vast uit angst, maar ze wilde per se toch op die rand blijven. Af en toe vroeg ze of het mocht en dan moest ik zeggen: nee natuurlijk niet, kom er onmiddellijk af.

Toen we weer op het strand waren zei ik loop jij maar vooruit. Terwijl ik omgekeerd stond te plassen tegen de pier zag ik haar in haar korte zwarte bontmantel alleen over het zand noordwaarts ploegen. Ze had een trage, beproefde tred en een eigenzinnige rug.
Nadat ik uitgeplast was rende ik naar haar toe.

Eenmaal in de Rode Eend weer achter het stuur gezeten zei de Leeuwin: "Nu is de kans groot dat ik in slaap val dus moet jij me wakker houden." Ze had het haar samengebonden tot een ingevouwen muizentrap, een rechthoekige dot. Die omvatte ik met mijn linker hand en vroeg: "Vond je het leuk?"
"Ja."
"Zullen we het nog's doen?"
"Ja."
"Dan betaal ik de benzine."
"Mijn oren gloeien," stelde ze. 


 Filmprojectie 
26 maart 1971
In het kader van eindelijk krijgen waar ik levenslang naar hunker zal ik hiero noteren hoe Marjan voor het eerst op visite kwam met mijn ouders erbij.
Vooraf had ik onderwerpen bedacht voor het "praten over niets" teneinde pulpfrases te kunnen uitkramen over koetjes en kalfjes bij de koffie.
Mijn moeder kan dit van nature zonder ook maar iets voor te bereiden.
Terwijl ze Marjan haar koffie inschonk produceerde ze moeiteloos een reeks vragen over het nieuwe werk van de Leeuwin bij de psychiatrische patiënten in Santpoort.

"Mooi weer was het, ben je nog met ze de tuin in geweest? Willen ze of moeten ze daar blijven? Heb je zaterdags altijd vrij? Kan je je auto daar wel goed parkeren?"
De Leeuwin gaf overal correcte, welwillende, ietsje onzekere afgemeten antwoorden op. Ik wachtte tot haar visite bij mijn ouders klaar was. Na de koffie vroeg mijn moeder: "En heb je een kaartje voor de film?"
Deze tegemoetkoming verwees naar het feit dat ze hier volgens mijn opgave officieel aan huis kwam om boven films met me te gaan kijken. Door de vaste opstelling van mijn projector in een kast met een opening erin gezaagd voor de lens, hoefde ik alleen het scherm nog maar uit te rollen.
Eerst vertoonde ik mijn vorig jaar opgenomen "Amsterdam 1970".

 


De Leeuwin vond de melancholieke aanvangsmuziek meer passen bij de Dodenherdenking. De overgang van nacht naar dag noemde ze te abrupt. Bij de luilakviering begreep ze niet hoe daar opeens een kermis in voor kon komen. En al helemaal niet waarom er eerst jeugdige raddraaiers bij de auto's liepen en dan opeens weer echte leeuwen. Ze vroeg zich af of ik Bert Haanstra soms na-aapte want ze miste in deze film eigen stijlkenmerken als ik die al had. Bovendien vond ze iets alleen maar leuk als ze het niet van tevoren al wist, en dit had ze al min of meer verwacht.
Ik genoot van haar aandacht en attentheid en vond haar buitengewoon origineel en ludiek.
Trouwens, we zaten nu film te kijken op een houten bank met een deksel als zitting, en ze wist dat daaronder mijn archief huisde, onder meer over haarzelf, en ze wedde (nee: eiste) dat ze daar een keer in mocht gaan neuzen. Bovendien stond er een kastje in mijn kamer met een oranje gordijn ervoor en wat zat daar dan achter??
Ik zei: "Een installatie die 's nachts een bandrecorder periodiek aanschakelt want ik doe proeven met gefluisterde onregelmatige werkwoorden of Duitse meervoudsrijtjes om te zien of je kan leren tijdens de slaap, dit in samenspraak met Philips Eindhoven. Kijk maar gerust achter het gordijn hoor."
Blijkbaar niet gelovend dat dit serieus waar is luidde haar antwoord: "Nee!"

"Op deze filmrol," zei ik, met in mijn andere hand de bijbehorende geluidsband, "heb ik drie jaar geleden een carrousel of liever confetti aan indrukken proberen vast te leggen over Slotermeer."

 

 

Ik deed het licht uit en startte de apparatuur. Om het vrijblijvende karakter van deze testfilm te onderstrepen legde ik mijn arm om haar schouders. Ze leek de achtergrondmuziek van deze productie wel aangenaam te vinden, waarop ik haar wang en oor begon te strelen. Spoedig daarna verrichtte ze van haar kant een ja-ik-wil-handeling. Namelijk door haar hoofd tegen mijn schouder te leggen. "Ik ben blij dat het geluid synchroon loopt," veinsde ik zakelijkheid. "De bandrecorder stabiliseert feitelijk de projector, of vind je het niet harmonisch om nu technische opmerkingen te maken?"
"Nou je zegt het wel op een leuke toon," murmelde de Leeuwin, en legde haar beide benen nu tegelijkertijd over mijn linker knie, die ik over mijn rechter had geslagen.
Ze vermeed zoenen, ik geloof omdat ze vreesde een wondje aan haar lip te hebben. Maar later deed ik het toch, voor het eerst van me leven. Dus ik had de slag niet te pakken. Ik zoog aan haar gesloten lippen. Mond op mond sprak me eigenlijk niet erg aan. Ik maskeerde mijn onzekerheid met nog een toelichting over de synchronizer tussen recorder en projector. Haar begrijpende antwoorden luidden: "Hmmmm, mmm."
Het viel me op dat je kan denken over techniek maar tegelijk heel bijzonder kan voelen, en dat dit eigenlijk hand in hand kan gaan, zeg maar synchroon zoals beeld en geluid.
Ze aaide door mijn haar en langs mijn oren. Dat vond ik toch wel een onthulling, al had ik er tegelijk levenslang 21 jaar op gewacht. Ik streelde van haar hoofd tot aan haar benen.
Onder haar rok zag ik kousen die knisperden als ze haar knieën langs elkaar bewoog. Ik vond het heel leuk om haar benen te strelen en naderde zelfs haar liezen. "Wat denk je nu?" vroeg ze, en vervolgde meteen: "Ik heb juist helemaal geen behoefte om iets te denken."
Ik voelde haar blote rug en kwam bij haar oksel. Daar deed ik iets erogeens. Weldra pakte ik welbedoeld haar borst. Ik merkte dat de Leeuwin genoot; ze had haar ogen dicht en keek gelukzalig. We sloegen geen acht meer op de doordraaiende film.
Nu werd er op de deur geklopt, zacht geklopt, hard geklopt. Recent had ik een knip op mijn kamerdeur gemonteerd. Ik deed het licht aan, nam de vrijdraaiende volle spoel van de projector, en schoof de knip van de deur. Het was mijn moeder die haar diensten aanbood met roomservice. Want op haar dienblad zag ik twee glazen frisdrank en twee Milkyways.
"We gaan net De Lege Zee draaien," verklaarde ik. Toen mijn moeder weg was schoven we mijn hele archiefbank tegen de deur aan en hadden nu alle ruimte op het vloerkleed om te liggen. Omdat het allemaal geluidsfilms zijn konden mijn ouders blijven horen dat wij dus naar het scherm keken.




Ik startte beeld en geluid en ging languit boven haar liggen met mijn hoofd op haar borsten, waar ik wegens haar dikke trui niet al te veel van voelde. Volgens mij had ze onstuimige contracties tussen haar benen, daarbij af en toe zuchtend met een "hmmmmm".
Toen we zeg maar hartstochtelijk over de vloer lagen te rollen wilde opeens mijn moeder weer naar binnen.
Zonder bril op stak ik even later mijn kop door de deur. Mijn moeder keek eerst begroetend en daarna onderzoekend. "We draaien nog een paar stomme films zonder geluid," loog ik haar voor. Zodra ik de deur weer dicht had omarmde ik de Leeuwin opnieuw, wist haar zelfs op te tillen en weer op de houten archiefbank te zetten. Nu wrong ik mijn tong tussen haar lippen door en stuitte op haar gesloten kaken. Ik boorde me tussen haar tanden. Tot mijn verbazing is het natte zoenen met open mond en elkaars tong voelen heel wat beter te genieten dan met droge dichte lippen zogenaamd doen alsof.
De Leeuwin vond het een spelletje om te wedijveren tot hoever ze haar kaken van elkaar deed, me toe te laten en dan weer tegen te houden. Er steeg een indringende paradijselijke geur van haar af. Naar ik heb gelezen bij Herman Musaph van "Sex in Wording" wordt die geproduceerd door haar vagina.
We deden het licht aan.

Beneden bij de straatdeur toen ze haar jas omsloeg bibberde ze van de kou.
Ik ging weer naar boven om de drie films terug te laten draaien op de afwindspoel net als de geluidstapes.

Mijn vader verscheen ten tonele. Hij leek wel een speurhond zoals hij liep te sniffen. Dat doet hij ook als hij mijn broer verdenkt te hebben gerookt. Als elektronicus heeft hij een fijne neus voor te heet lopende transformatoren en schroeiende bekabeling op een elektrisch chassis. Daarom stak hij zijn neus in mijn projectiekast. Hij heeft een hoogontwikkelde reukzin. "Wat is dat toch voor een lucht?" wou hij weten. "Misschien dat Russische projectoren naar het Oostblok geuren," hielp ik hem een handje.
Ik begon me te generen voor de vagina-nectar van de Leeuwin. Geagiteerd stak mijn vader zijn neus in nog een paar andere uithoeken van mijn kamer en liet staccato snuifgeluiden horen. "Rare lucht," besloot hij somber en afkeurend, plots de aftocht blazend.
Nee, je kunt niet alles weten. Ik heb bijvoorbeeld een geschramde elleboog zonder te weten waardoor. Maar ik ben erg opgelucht nu eindelijk te hebben ervaren dat iemand mij aantrekkelijk vindt. Marjan en ik staan nu zoveel ongedwongener tegenover elkaar. Filmprojectie is wel ideaal en ik zie uit naar nog veel meer bloot.


28 maart 1971
De onwennigheid gaat er een beetje vanaf. Ik had vandaag niet eens veel dialoogzinnen voorgeprogrammeerd. Ik vroeg de Leeuwin: "Hebben je ouders nog gevraagd of je mijn films mooi vond?"
"Nou nee, ik heb het niet verteld. Ik heb gezegd dat ik om negen uur al thuis was, anders zouden ze verschrikkelijk kwaad zijn geworden, want mijn moeder was op TV in de Vuist van Willem Duys. Ze vinden het ook maar gek dat ik met jou meega."
"Ja ik voelde al zoïets. Zeggen ze wel eens iets over me?"
"Nou, ze vonden het ook al zo gek dat je opbelde."
"Waarom?"
"Me moeder zegt dat ik me laat gebruiken omdat ik je afhaal en zo. En ze vinden je ook zo zenuwachtig met je handen wriemelen."
"Ik zit toch rustig in de kamer?"
"Kees zei een keer: ja hij is inderdaad een beetje gek. Maar dat vatten zij dan verkeerd op. Want Kees bedoelt gewoon: anders. En dan zegt me vader: ja zie je wel, Kees zegt ook al dat-ie gek is. Als dat lang duurt word ik kwaad. Schrijf je nou vanavond alles op?"
Ik: "Ik schrijf wel eens wat op."
Zij: "Mag ik het lezen?"
Ik: "Nee."
Zij: "In welk nummer van je archief zit het?"
Ik: "In dossiers van DM15A en in DM13B45B maar je brieven stop ik in DM33B."
Zij: "Wedden dat ik daar nog eens in mag kijken?"
Ik: "Nee dat is geheim."


 Pasen 1971 
De Leeuwin heeft me voor Pasen uitgenodigd in de ouderlijke vakantiebungalow te Sint Maartenszee, nabij het Reactorcentrum Petten, zodat haar vader en moeder me beter kunnen leren kennen.

Marjan en Kees vertoefden daar reeds, toen ik 's morgens op 11 april in de hal van het Amsterdamse Centraal Station uitkeek naar Loesje Lefèvre, een soort verkering van Kees. We gingen samen naar het noorden toe. Het viel me daar op dat ze een "oudere" indruk maakte, terwijl ze in mijn geheugen stond als meer een geestig poesje. En niet met deze volwassen gerijpte stem.
We hebben in de trein uitgebreid geboomd over de Hervormde Kweekschool die ze bezoekt. Ik wou weten of men daar nou ook aan democratisering deed, doch beperkte me tot de vraag of men leraren mocht tutoyeren.
"Jij doet binnenkort ook belijdenis hè?" viel ik plots tegen haar uit, terwijl ik voelde hoe mijn grimas zich vertrok in kritische bedenkelijkheid. Ze kleurde meteen helemaal roze en stamelde: "Ja het is meer een soort feest en dat je er dan helemaal bij hoort".
Ik kon het niet uitstaan dat een toerekeningsvatbare volwassene een voorgekauwde geloofsbelijdenis ging afleggen, en voelde me iemand die terug komt uit de oorlog wetend welk gifmenselijk vuil er klaarligt maar door aan een niet bestaand liedje van Lenny Kuhr te denken ("Dood! Dood! Ik lach U uit, ik lahach U uit") werd ik weer wat milder, al voelde ik me een sterveling met een allerbelabberdst pakket instincten.

"Ik geef het liefste aardrijkskunde," zei de aanstaande onderwijzeres. "Krijg je op die Kweekschool ook spraakles," informeerde ik nieuwsgierig, zelf in mijn maag zittend met mijn ordinaire Amsterdamse spraakaccent. "Nou, niet echt," lachte Loesje, "onder dat vak eten we ons brood altijd op."

Toen we Schagen gepasseerd waren maakte zich van ons een lacherige ontgoocheling meester. Kees en Marjan stonden daar namelijk op het perron om ons af te halen. Te Anna Pallowna namen we de eerste trein terug en stapten te Schagen eindelijk uit, maar op het tegenovergelegen perron. Kees en Marjan stonden nog steeds te wachten aan de overkant. Nu stapte de Leeuwin op de rails en liep brutaalweg naar de overkant. Een stationschef zette meteen een keel op en schreeuwde op een ruzietoon dat zij zich moest leren gedragen en dat hij zich afvroeg waar haar verstand zat.

Ze had twee vlechten, beide in een lus gebonden met twee dikke oranje wollen koorden, die ze volgens mij had vervaardigd op een punnikklos .
We stapten met zijn vieren in haar rode Lelijke Eend en kregen bij haar ouders koffie in de tuin van de vakantiebungalow. "Ik heb helaas mijn filmcamera niet bij me," deelde ik Marjans moeder mee. "Ooh dat is helemaal niet erg hoor," stelde ze me gerust, volgens Marjan uitdrukking gevend aan haar angst dat ik alles opschrijf, fotografeer, film en met bandrecorders opneem en later tegen haar gebruik.

's Middags gingen we gevieren met de Rode Eend naar zee, en arriveerden bij een strandrestaurant op palen, die bij vloed dus nog boven water uitstaken. We kropen eronder tot het plafond nog maar laag boven ons hoofd zich uitspreidde. Kees had inmiddels een steen en een zware kopspijker gevonden. Zonder aarzelen begon hij die door de onderkant van het restaurant heen te timmeren.
Na enige tijd kwam er een stevig mannetje aanrennen, reeds van verre verwensingen uitend. Kees bleef onbedeesd.
"Ik voel adrenaline loskomen," flapte ik er zenuwachtig uit. "Ja jij in dat leren jassie," zei de man nu tot mij, en pakte een eind hout, "jij moet heel snel opdonderen anders sla ik je bril aan stukken."
"Ja meneer," zei ik. Toen ik mijn schoenen pakte stootte hij met zijn knie tegen mijn heup.
Kees zei later: "Ik weet niet wat ik gedaan had als hij mij zomaar een trap had gegeven."
Marjan liep heel ver voor ons uit toen we afdropen. Ik vatte de opmerking van Kees op alsof ik laf was. Dat gevoel bleef nog een hele tijd klagen en knagen. Ik dacht ook dat Marjan dat vond, maar dat kreeg ik niet uit haar. Onzinnig natuurlijk, want de restauranthouder stond volkomen in zijn recht.

Kees en ik sliepen in de huiskamer van de bungalow, en "de meisjes" zoals Kees hen noemde, in een logeerkamertje, blijkbaar op gewone dagen Kees zijn kamer. Toen iedereen sliep fluisterde ik tot Kees: "Op welke types wordt Marjan over het algemeen verliefd?"
Zijn antwoord vind ik verrassend beschouwelijk, vooral markant dat hij het zonder aarzelen paraat had: "Nou ik weet niet of ze op die personen verliefd wordt, maar ze voelt zich sterk aangetrokken tot enigszins oudere figuren die haar domineren. Ze wil overheerst worden, maar is daarbij niet onderdanig. Ze zoekt mensen die anders dan anders zijn. En ze verwacht dat je diegene blijft die je bent, ook al vindt ze je een grote klootzak. Ze wil ook als het ware alle touwtjes in handen houden, met andere woorden, ze blijft op een afstand, met andere woorden, ze is koel."

Ik probeerde er achter te komen of hij soms iets wist van een verhouding met zijn studievriend Johan, en van Marjans bezwaar dat die te snel toe zou geven, maar naar ik de indruk kreeg wist hij daar amper iets van.
Ik wist zelf al dat het snel toegeven, snel haar zin geven, bij Marjan een negatieve connotatie had. Ze wil eigenlijk bewezen zien dat iemand sterk in zijn schoenen staat, waardoor ze zich blijkbaar veilig kan voelen.
Ik beschouw dat als neurotisch en zit er zelf allerminst op te wachten om zulke spelletjes te moeten uitspelen. Ik ben als iemand die om voedsel zit te springen in de Hongerwinter of in Biafra. Haar feminale frisheid, met gipsy-achtige voorliefde, haar hang naar nonconformisme en ludieke uitdaging, vind ik alleen maar een meerwaarde als ik ook zo veel en snel mogelijk intiem met haar kan zijn. En dat kan niet met haar ouders erbij, want het is Hongerwinter, het leven dient een strafkamp te zijn voor de zinnen.l

We worden dit weekend volgestopt met geloofsleer. 's Avonds moesten we naar 1 van de 8 kijken. Een vrouw die 7 kampen overleefde vertelde over een joods jongetje dat een NSB-jongetje redde. Daarna verscheen er een dominee op het scherm met het gezicht zo van: God is een aardige man die instemmend knikt tegen moderne mensen. Kees zei provocerend tegen zijn ouders: "Die man moet eigenlijk bij de STER gaan werken."

12 april 1971
We moesten met de ouders mee in de auto. Aan een lange vaart stond een kleine romaanse kerk uit de 17e eeuw. Aan beide zijden sprongen de grafzerken als paddestoelen uit de grond. In de kachel binnen brandde een oranje paasvuur. Aan de muur naast een monumentale preekstoel met een kolossale bijbel hing een rij zwarte schepnetten waarmee men collectegelden inde. Er kwamen ongeveer 80 mensen, van boven de 30. Tieners waren weggevlucht op brommers naar een ander geloof, uitgezonderd dus de Leeuwin, Kees, Loesje en ik. Het orgel huilde reeds samen met een trombone die zuigende, wiegende, zompige geluiden uitstiet. Toen de dienst begon, zong een dameskoortje flarden zang die af en toe geheel staakten zoals geluiden bij abrupt draaiende windvlagen. Kees fluisterde: "Ik begrijp maar niet waarom ze muziek voor hun neus hebben." Kinderen droegen gedichten voor. De Leeuwin siste: "Als kinderen iets doen komen er meer ouders."
De afgetobde dominee las zijn preek met trefzekere tong van A tot Z van papier. "Meer dan ooit heeft de duivel de wereld ervoor bedankt het geloof in de dood onwrikbaar en allerwegen te hebben gevestigd. Maar dood ik lach u uit!"

's Middags bij het strand zochten we aan weerszijden van een duintop elk een kom. Toen de Leeuwin en ik in onze kuil lagen begon ik haar te bijten in haar hals, op haar vingers te sabbelen en te proberen de kauwgom uit haar mond te verwijderen. Bij het zoenen werd haar adem onregelmatig en kreeg ze een zachte, niet vragende, omhoog gaande toon in haar stem. "Waarom zou ik dit toch zo leuk vinden?" murmelde ze. Ik: "Misschien is het pseudopassief-masochisme." Ik kreeg haar kauwgom te pakken en werp dit weg. "Schoft," zei ze, voldaan, want doordat ze verloor was ik sterk.
Toen ik haar liezen wou aaien riep ze als een kind dat gaat huilen: "Nou hoor niet doen!"
Over de duintop heen tegen Kees: "Pas jij ook op!"

Ik streelde haar blote borsten met een soort geroutineerde aanvoeling en vlijde mijn gezicht erin, sabbelde. Hoe dit voelde vergat ik echter onmiddellijk.
Het viel me op dat zij bij het zoenen haar kaken op elkaar hield, wat ik met mijn eigen kaken en tong poogde te doorbreken. De Leeuwin ging ietsje verliggen en kreunde: "Ah, heerlijk."
Ik zei: "Je bent niet alleen van binnenuit maar ook van buitenuit introvert."

Daarna veranderde ze van verschijningsvorm. Zo kende ik haar niet: ze werd melig en ging bij het wegduwen van mijn handen steeds ongegronder lachen. Toen we naar huis moesten deed ze haar mond open en toen voelde en proefde ik haar tong, voor mij onbekend gebied. "Vind je het leuk?" vroeg ze.
"Ja, en jij?" Ze haalde geloof ik haar schouders op. Toen ze haar kaken weer op elkaar had sloeg ze haar armen om me heen ten teken dat ze weliswaar strijd met me wilde strijden, maar anderzijds aan mijn kant stond en blijkbaar van me hield.
Aan het eind lagen we heel fijn. Zij op haar rug en ik naast haar half zittend, benen door elkaar.
Kees en Loesje kwamen tevoorschijn en we liepen naar de bungalow terug.
Dit was 12 april 1971, een belangrijke dag in mijn leven.

Er is het hele paasweekend geen 1 seconde geweest dat de vader van Marjan iets aan mij "gaf", b.v. notitie nemen van, attentheid, aandacht, gezelligheid, vriendelijkheid.
Vlak voor vertrek uit de bungalow voordat de ouders in hún auto zouden terugrijden en wij in de Rode Eend eend van Marjan, zei ik goedig tegen hem: "Over een paar dagen zal ik een ansichtkaart sturen voor uw verjaardag."
"Nou dat hoef je echt niet te doen joh, hou je geld maar in je zak."


23 april 1971
Kees was in zijn eerste jaren een zorgenkind. Engelse ziekte, tanden wisselden niet, later epilepsie. Daardoor werd alle aandacht van zijn moeder op hem getrokken, terwijl Marjan doorgaans de schuld nog op zich nam of smoesjes bedacht als ze iets hadden uitgespookt. Daardoor leed ze wel zelf gebrek aan liefde, wat ze o.a. uitte door met Kees te touwtrekken over de vraag wie het meeste van wie hield: de vader het meeste van haar vond zij dan. Haar pa had echter in haar eerste jaren ongeregelde nachtdienst zodat ze zijn aanwezigheid ontbeerde. Het gevolg uit zich nu in een complex angsten met neurotische trekken.
Ik zie het eigenlijk niet zitten dat haar grote behoefte aan bescherming en vertrouwen zal omslaan in een vorm van zelfstandigheid waarin ze onbekommerd doet wat ze zelf wil in plaats van bang te zijn voor wat burgerlijk wordt verwacht zoals maagdelijkheid.
Maar ze is wel verliefd op mij omdat ze me "bijzonder" vindt (afwijkend van de burgerlijke norm) en heel serieus in gesprekken, en omdat ik makkelijk aandacht geef. Zo bezien is haar aantrekking dus zowel narcistisch als anaklitisch gemotiveerd. Dat ze me sexueel aantrekkelijk vindt daar kan ik me zelf niks bij voorstellen en ik heb zo een neurotisch probleem dat ik alleen kan leven als ik daar op één hoe dan ook een oplossing voor vind.
Boven mijn brieven aan haar teken ik een leeuwtje waaronder een banier kronkelt zoals onder het wapen van Amsterdam. En daarin staat: koppig, halsstarrig, standvastig.
Ze houdt van touwtrekken: ik moet motiveren waarom ik iets doe en zij probeert dat onderuit te halen maar is blij als dat niet lukt. Zij wil iets van mij mogen maar als het niet mag vindt ze dat spannend totdat het wel mag, dan hoeft het niet meer.

6 mei 1971
Ik liep hand in hand met de Leeuwin over Slotermeerlaan om moederdagcadeautjes te kopen voor haar moeder. Die had zo te horen strenge claims over een parfum die aan de eisen voldeed. Marjan was nerveus dat zij een tekortschietend moederdagding zou kopen. Haar bruine ogen keken waakzaam rond en ze zag wat bleek waardoor haar rossige sproeten des te sterker werden aangestipt. Lang haar viel los over een zomerjurk en deinde lichtjes op haar wiegende motoriek. Toen ik zag hoe mooi ze was werd me duidelijk dat ik me dit wel in moest beelden. Als zij mij inderdaad als geliefde accepteerde, dan waren er twee mogelijkheden:
1. zij zag niet hoe minderwaardig ik ben of
2. ik zag niet hoe lelijk zij was.
Toen ik bedacht dat zij in werkelijkheid slungelig lelijk moest zijn (anders zou ze mij niet aantrekkelijk vinden) realiseerde ik me dat het winkelende publiek dit ook moest onderkennen. Een akelig gevoel van belachelijkheid en mislukking bekroop me snel. Ik schaamde me zo voor dit lelijke meisje dat ik haar hand los liet. Het ging wel door mijn hoofd of ik mijn eigen onbenulligheid misschien aan haar toeschreef, "projectie" heet dat geloof ik volgens mijn leerboek.

Toen we eindelijk kloppende moederdaggeschenken hadden ingekocht, stapten we in haar Rode Eend. "Waar gaan we heen?" informeerde de Leeuwin. "Naar het Amsterdamse Bos," deelde ik mee. Ik wees haar de weg totdat we niet verder konden. "Tuttel, je hebt de route voor fietsers aangewezen," concludeerde de Leeuwin.
Na een omweg belandden we bij de Bosbaan op een parkeerplek onder laaghangende boomarmen.
"Wat heb je toch een beeldschone benen," zei ik met een blik op haar afdwalende zomerjurk.
"Waarom is dat mooi?" wou de Leeuwin wel eens weten.
Ik zei: "Volgens Plato die zich de ideaalwereld van het hiervoormaals wil herinneren, is de circel de ideale figuur. Volgens mij zijn je benen een rechtstreekse kopie van de ideaalvorm uit het hiervoormaals."
Een kwartiertje zaten we te vrijen totdat ik ook haar blote borsten begon te kussen.
"Vind je dit leuk?" vroeg ik.
"Ja, en waarom vind jij het leuk?"
Ik antwoordde: "Op basis van genetische aanleg heb ik culturele invloeden ondergaan die niet alleen gevoelig maken voor mode maar ook bepalen
aan de hand waarvan je je sexuele gevoelens kunt ervaren."
De Leeuwin begon me te kietelen en vroeg: "Vind je dit vervelend?"
"Nee eerder lekker... of eigenlijk heeft dat kriebelen iets vervelends."
De Leeuwin vond dat ik er zo leuk op reageerde. Even later begon ik mijn hand tussen haar benen te bewegen. Ze ademde steeds sneller maar toen ik dieper binnen drong in haar vagina reageerde ze heel fel met: "Niet doen!"
Het zou erg zijn als haar maagdenvlies het begaf.
Ik vraag me af of ik mijn gevoel soms onderdruk en als ik dat niet meer zou doen of ik het contact dan niet sentimenteler kan maken.

9 mei 1971
Marjan haalde me af in de Rode Eend en toen we eindelijk liepen te wandelen op de IJsselmeerdijk vroeg ze zich af waarom ze zo sjagrijnig was.
Ik zei: "Dat je verkouden bent is mijn schuld."
Ja dat vond de Leeuwin zelf ook.
Ze liet me een brief zien van een vriendin waarin ik las: "...en nu hoop ik lieve Marjan dat jij ook gauw gelukkig zal worden. Dat bedoel ik echt niet sentimenteel. Ik hoop het echt voor je. Het is zo'n gelukkig gevoel in je hart om helemaal bij iemand te horen en van hem te zijn, een veiligheid."

"Ik was in een winkel om een onderjurk te kopen," vertelde Marjan. "En toen dacht die vrouw dat ik in verwachting was. En ik liet het maar zo. Toen zei ze: 'houdt u er rekening mee dat u wel steeds dikker gaat worden?' Ja zei ik maar geeft u me toch maat 40 maar. Daar begreep ze niks van. En trouwens, ook toen ik een jaar of 13 was dachten ze het al. Ik speelde het helemaal mee, want ik had veel babypoppen. Ik vond het zo leuk om zwanger te zijn." 

16 mei 1971
Na een avondwandeling langs de Sloterplas gingen de Leeuwin en ik voor de deur van haar ouders in haar Rode Eend zitten. Ik vroeg me af hoe ik haar kon verleiden tot spontaniteit in het kader van de noodzakelijke eigenschapscorrecties van haar karakter.

Ik begon: "Voel je je introvert?"
Marjan: "Zeg ik niet."
Ik: "Zal ik multiple-choicevragen opgeven?"
Marjan: "Welke dan?"
Ik: "Je bent: 1. bedrukt, 2. moedeloos, 3. machteloos, 4. verveeld."
Marjan: "Het is nummer 1."
Ik haakte in: "Okee, maar waarom? Je bent bedrukt wegens: 1. innerlijke spanning, 2. iets willen maar niet durven, 3. sfeer van iemand anders overgenomen hebben."

Marjan: "Is er niet bij."
Ik: "Zeg het dan zelf, doe het voor één keer, voor mij!"
Marjan: "Waarom zouden wij eigenlijk altijd zo vervelend tegen elkaar doen?"
Ik dacht na en zei: "Nou, we zijn allebei introvert, en als jij nou kortaf bent dan ga ik niet zomaar vrolijk over van alles praten in de hoop dat je toch weer loskomt."
Marjan: "Nou... dat geeft niet."
Ik: "Waarom ben je zo vaak kortaf?"
Marjan: "Ik denk eigenlijk dat alles wat ik zeg door jou onbelangrijk of onbenullig zal worden gevonden. Daarom zeg ik als je wat vraagt dat ik het niet weet. Maar dan is het jouw taak om er op aan te dringen dat ik het toch zeg."
Ik: "Dat doe ik toch, want ik geef je altijd multiple-choice antwoorden waar je uit kan kiezen, dat vind je toch een leuk spelletje?"
Marjan: "Nou, zelfs dan... Ik vind het eigenlijk heel gek als ik iets weet, behalve als het moet, op examens, en daarom vind ik je multiple-choice antwoorden nog het makkelijkste."
Ik: "Waarom vind je het gek als je iets weet?!"
Marjan: "Dat komt door mijn opvoeding en door de houding van mijn ouders, die hebben altijd iets wat me naar beneden haalt. Ik pas me aan om geen ruzie te krijgen, bijvoorbeeld ergens mee naartoe..."
Ik: "Vind je het eigenlijk wel altijd leuk om steeds met ze mee te gaan?"
Marjan: "Nee. Maar ze beginnen lang van tevoren alles te beslissen en dan laten ze me dingen zeggen waar ik in hun ogen dan mee beloof iets te zullen doen."
Ik: "Als je zelf niet vindt dat je het belooft dan doe je het toch niet?!"
Marjan: "Als het dan zover is dan doet dwang de rest. Als ik een huis had dan zaten we niet hier in de auto maar bij mij binnen. En als ik bedenk hoe het ook kan zijn en dat we toch steeds naar mijn ouders terug moeten dan word ik chagrijnig en kwaad. Dan wil ik alles wel stukslaan."
Ik: "Alles? Of alleen hun eigen spullen?"
Marjan: "Jij bent erg rustig, en als je iets doet dan gebeurt het goed. Dus dat is voor mij dan een bevestiging."
Ik: "Vind je mij dan zeker?"
Marjan: "Jaaa..."
Ik: "Vind je dat ik je ken?"
Marjan: "Nou, soms schrijf je iets wat er wel in de buurt komt, maar een andere keer is het er nog een heel eind vanaf. Maar ja, als ik je zelf iets schrijf dan houd ik tien andere dingen achter."
Ik: "Ja, en dat maakt het voor mij erg moeilijk."
Marjan: "Waarom moet je alles bewust doen? Het is veel fijner om nergens om te hoeven denken en helemaal niets te weten. Als ik mijn ogen op een bepaalde manier dicht doe dan vergeet ik alles om me heen."
Ik: "Nou ik vind het beter om bewust te zijn..."
Marjan: "Als ik mijn verstand gebruik dan gebruik ik mijn lichaam niet."
Ik: "Dat geldt niet voor mij. Waarom zou dat?"
Marjan: "Nou als je verstand werkt dan werkt je geweten ook."
Ik: "Ooh jaaa..."
Marjan: "Ik ben bang voor schuldgevoelens. Ik ben niet alleen geremd in mijn ouderlijk huis maar overal. En van de ene remming komt de andere. Zo kun je helemaal niet meer jezelf zijn. Ik vraag me af waarom we praten hebben geleerd. We kunnen helemaal niet praten, want we hebben allemaal remmingen. Daarom kan je beter dood zijn."
Ik: "Maar kun je die schuldgevoelens niet verdrijven met logische argumenten?"
Marjan: "Nee, dat kan ik niet. En daardoor word ik introvert en kwaad."
Ik: "Heb je het gevoel dat je wel eens spontaan bent geweest?"
Marjan: "Spontaan?? Nou ik geloof nooit helemaal... Gehoorzamen doe ik spontaan. Dan gaan we bij mijn ouders in de kamer zitten."
Ik: "Waarom moet dat? Ik wil heus niet perse met je trouwen. Maar wel een tijd verhevigd met elkaar omgaan."
Marjan: "Verhevigd?? Wat is dat?"
Ik: "Nou door te praten over wat ons bezielt en-"
Marjan: "Maar dat doen we juist nooit!"
Ik: "-en door elkaar aan te raken."
Marjan: "Als we zouden samenwonen dan ontvluchten we mijn ouders die zich overal in mengen en dan heb ik niet meer de angst..."
Ik: "Angst?"
Marjan: "De angst dat ik me overgeef aan tijdelijkheid en verraad. En aan de bemoeizucht van me ouders."
Ik: "Waarom zouden ze zich opeens niet meer met je willen bemoeien?"
Marjan: "Trouwen is heilig dus dan doen ze niet meer moeilijk."
Ik: "Maar zo doe je helemaal niet wat je zelf wil?!"
Marjan: "Als we trouwen dan kom ik niet meer in conflict..."
Ik: "Niet meer in conflict met je verkeerd geprogrammeerde geweten?"
Marjan: "Dan kan ik geestelijk ontspannen zonder de eeuwige druk van remmingen en-"

Op dat moment doemde er buiten de Rode Eend een mistige figuur op. Wat moest die van ons? Er werd op de ruit geklopt. Ik draaide het raampje omlaag.
"Wat zijn jullie hier in hemels naam zo laat aan het doen?!" riep de moeder van Marjan naar binnen. Ik zei: "We zitten te praten." Zij kermde: "Om half één 's nachts, waar is dat voor nodig?"
Toen ze weer naar binnen was zei Marjan dat we een goed gesprek hadden gehad. Ik vroeg me af of ik wel echt wist wat een goed gesprek was, want ik dacht dat ik altijd goede gesprekken voerde, maar zo bezien was dat dan misschien niet helemaal niet waar. En deze openhartige kant van haar verraste me nogal.

 Crisisberaad 
BEKGEVECHT MET OUDERS 17-5-1971
Omdat de Leeuwin en ik vannacht tot half één voor de deur in haar Rode Eend hebben zitten praten, werd er gisteravond 17 mei 1971 een speciale zitting belegd door haar ouders, plenair met broer Kees, Marjan en mij, teneinde fatsoensregels te dicteren.
Ik heb er de hele dag over gedaan (ik werk nu als uitzendkracht bij het GAK) om de dialoog nauwkeurig op te tekenen, voldaan dat ik gesprekken letterlijk onthoud.

Toen ik daar gisteren om een uur of half acht binnen kwam, zaten ze allemaal in de kamer klaar voor het gesprek: mevrouw Lewin bij het raam, dan op de bank Kees, Marjan en ik, en tegenover ons naast de piano meneer Lewin in een wit overhemd zonder stropdas. Ik ben al 21 dus meerderjarig, maar de Leeuwin gaat het pas op 7 augustus worden. Is dat de reden dat het hele spervuur zich allereerst richtte tegen mijn persoon?

Ik zei toen ik binnenkwam: "Dag mevrouw Lewin, wilde u me spreken?"
Pa: "Ja, en ik? Kan ik je soms misschien ook nog willen spreken?"
Ik: "Dag meneer."
Hij: "O, ja."
Ik: "Ik wist niet dat u er ook over wilde praten."
Hij: "O, maar daarom kan je me nog wel gedag zeggen. Jij ziet in dit huis alleen maar vrouwen."
Ma: "Ja, en mij heb je een keer ook niet gedag gezegd!" (Dit was tweeënhalve maand geleden helaas gebeurd toen ik daar de deur uitglipte).
Ik: "Ggg, nou het spijt me."
Ma: "Ja, het gaat dus over het late thuiskomen."
Ik: "Wat zijn de bezwaren?"
Zij: "Nou, dat is toch niet gewoon om daar tot half één voor de deur te staan?"
Ik: "Niet gewoon? Kijk, als moeders bezorgd zijn als ze niet weten waar kinderen uithangen dan vind ik dat heel begrijpelijk. Maar als u nou weet dat we voor de deur in de auto zitten, dan hoeft u toch niet bezorgd te zijn? Dan kunt u toch wel slapen?"
Pa: "We zijn helemaal niet bezorgd! Het gaat erom dat we niet willen dat onze dochter aan straatslenterij meedoet."
Ik: "Nou, ik acht Marjan wel instaat om tot de ontdekking te komen dat ze naar bed wil. Het feit dat u mij dit verwijt is het teken dat u haar onmondig houdt."
Pa: "Jongen, ik wil alleen maar weten of je bereid bent je aan normale regels te houden en anders is daar het gat van de deur en kom je er nooit meer in!"
Ik: "Zodat iedere communicatie onmogelijk wordt en we elkaar niet zullen kennen dus niet zullen begrijpen want je kent iemand pas als je hem begrijpt."
Pa (woedend): "Ik heb echt Wim Heins niet nodig om me hier te komen vertellen hoe ik me dochter op moet voeden! Ik heb jou helemaal niet nodig!"
Ik: "Ik ben hier natuurlijk niet gekomen om u les te geven maar omdat we ons gedrag bespreken, en omdat dit ten nauwste verband houdt met uw opvattingen over opvoedingsmethoden is het moeilijk te vermijden dat we ook daarover praten."
Pa: "Doe nou maar niet zo moeilijk en vertel me gewoon of je van plan bent je aan normale regels te houden."
Ik: "U zegt normaal. Het is erg moeilijk daarover te praten want door onze verschillende culturele achtergronden zijn onze opvattingen over normaal verschillend."
Pa: "Ach, zeur niet. Die cultuur heeft er toch niks mee te maken."
Ik: "Nou, kijk, vroeger waren er grote zorgen of je een dak boven je hoofd had en te eten, maar nu de bestaanszekerheid groter is heeft de jeugd een ander waardebesef. Dus de cultuur spreekt er wel in mee. Nu is er grotere vrijheid met andere normen. De normen van de ouderen zijn daarom niet de normen van de jongeren."
Pa: "Ach, hou op daarover. Weet je wat het beroerde van deze jeugd is? Dat ze denken onbeperkt vrijheid te hebben en daarbij andermans vrijheden vertrappen. Dat ze op de stoep fietsen en door de perken lopen."
Ik: "Natuurlijk kan vrijheid nooit verder gaan dan tot waar je die van een ander aantast. Maar vertelt u dan eens op welke manier we uw vrijheid aantasten."
Pa: "Nou als je dat dan niet kan begrijpen: in een huis moet orde en regelmaat zijn, rust en orde. Het is onbeleefd om te zeggen dat je 's zondags om zes uur thuis zal zijn en dan om kwart over zeven te komen."
Ik: "Nou dat lijkt me billijk. Bij ons thuis gaf dat geen hinder-"
Hij: "Nee maar hier wel. Ik weet niet uit wat voor een gezin jij komt maar bij ons is het anders."
Ik: "Ja dat wil ik juist zeggen. Als dat hier wel ongenoegen oplevert dan doen we dat niet meer."
Pa: "Ja het is toch geen werk om maar thuis te komen wanneer je wil. Het zou een chaos worden!"
Ik: "Maar als u nou niet wakker gemaakt wordt wanneer Marjan thuiskomt dan zie ik die verstoring van de sociale gang van zaken niet. Als u nou van tevoren weet hoe laat ze thuiskomt dan hoeft u niet bezorgd voor haar te zijn."
Pa: "Dacht je dat het alleen erom ging dat we niet kunnen slapen?? We willen dat onze dochter een fatsoenlijk meisje is dat niet langs de straat slentert."
Ik: "Ach, ik zie niet in waarom het onfatsoenlijk is om op straat in een auto te zitten praten."
Ma: "Het is helemaal niet nodig dat je zo lang in die auto zit. Is dat nou zo moeilijk te begrijpen? Je hebt de hele avond de tijd gehad, waarom moet je dan nog in die auto blijven zitten?"
Pa: "Het is niet normaal om buiten te blijven hangen."

Marjan: "Pappa weet wat normaal is. Knap hoor. De psychologen komen er niet uit maar pappa wel."

Ik: "Nou, als u dus niet in uw vrijheid wordt aangetast en het is ook niet zo dat u slaapgebrek lijdt door bezorgdheid, laat het lieve kind dan gewoon vooraf vertellen dat ze niet weet wanneer ze thuiskomt. Dan hoeft u niet te denken waar blijft ze. Maar ja, als ze dat doet dan gaat u een rel opwerpen. Ja, dan kunt u verwachten dat ze het niet vertelt. U kunt niet verwachten dat ze èn vertelt dat ze laat komt en ook-"
Pa: "Ja maar het is niet nodig om zo lang te praten."
Ik: "Dat is een waardebepaling. En de waarde van dat praten bepalen wij zelf."
Pa: "Wil jij onderwijzer worden?"
Ik: "Nee leraar Nederlands."
Pa: "Ik sprak een onderwijzer en die beoordeelde alles van de leerlingen van die school. Overal beoordelen mensen elkaar toch?"
Ik: "Ja, op een school is het overeenkomstig de aard van dat instituut. En mensen beoordelen elkaar natuurlijk altijd. Overal is kritiek. Maar dat wil nog niet zeggen dat die volwassen mensen elkaar daarom in een dwangmatig patroon hun beoordelingen op kunnen dringen. En uit het feit dat Marjan dus niet vooraf kan meedelen hoe laat ze thuis denkt te komen blijkt dat ze zich kennelijk niet zo vrij voelt. En dat ik hier zit om daarover berispt te worden wijst er toch op dat Marjan onmondig wordt gehouden. En u bent ook te wantrouwend. U denkt dat we straks omdat het niet mag, of omdat het wel mag, expres heel laat zullen komen. En dat iemand die ideeën over vrijheid heeft meteen op het Nationaal Monument wil slapen."
Pa (roepend): "Expres laatkomen, dat zou wel het toppunt zijn."
Ik: "Ja maar u trekt alles te ver door."
Pa: "Jij trekt het misschien verder door dan wij."
Ik: "O, maar ik denk dat u dat misschien onbewust doet om de macht te bewaren. Zo komt er een tragische stroeve huiselijke strijd. En weet u wie uiteindelijk de verliezers zijn? U."
Pa: "Wij dwingen onze kinderen helemaal niet! Ze mochten zelf hun beroep kiezen. En we hebben bevorderd dat ze dat ook hebben bereikt hoor. Ze konden zelf kiezen wat ze wilden worden, dat zeg ik. Er is hier inspraak."
Kees: "Ja, je mag zeggen wat je wil, maar uitvoeren ho maar."
Ik: "Tja, als u dus niet zegt: Marjan, je bent groot, je kunt zelf toch zeker wel weten hoe laat je naar bed wil, dan houdt u die strijd. Opvoeden is zelf leren doen."
Pa schreeuwt: "Hoe durf je dat allemaal te zeggen!? Ik zou daar het lef niet toe gehad hebben. Je bent brutaal!"
Ik: "Ik vind u brutaler. Ik zit niet te schreeuwen. Ik heb het gevoel dat ik vriendelijk blijf praten. En als we het hebben over een confrontatie waarbij ik vervelende dingen meen te zien waarbij Marjan zich niet kan verweren dan zeg ik het."
Pa: "Waarom zou Marjan zich niet kunnen verweren??"
Ik: "Als u haar zoveel inspraak gunt, waarom hebt u die discussie dan niet met haar??"

"Ach!" briest Pa Lewin, die mijn woorden telkens vol afkeer aanhoort, "Marjan heeft jou niet nodig! Straks heeft ze weer een andere vriend en die beweert weer wat anders. Moet ik me daar allemaal aan storen?!"
Ik: "Al krijgt Marjan 10.000 vrienden, het principe blijft."
Pa: "Ach! Jij hebt geen smaak!"
Ik: "Ik heb juist stijl."

Ma: "Als jullie maar thuiskomen wanneer jullie willen dan krijgen jullie slaaptekort. Ik weet niet hoe het met jou is Wim maar Marjan moet om kwart over zeven weer op, want die moet werken."
Pa: "En als je niet uitgerust bent dan kun je je niet in het verkeer bewegen. Daar kan ik je genoeg voorbeelden van noemen. Op maandagmorgen hebben we de meeste ongelukken."
Ma: "En jij Wim, jij moet morgen toch ook een tentamen doen en dan ga je toch niet zo laat naar bed dat je niet kunt denken?"
Pa: "En als ze te moe is om haar bed uit te komen dan zien we wat er gebeurt: ze zet melk op het gas en gaat weer slapen. Ze valt meteen terug in haar bed zodat die hele pan staat te verbranden."
Ik: "O, ja, dat zijn natuurlijk vervelende dingen. Als dat werkelijk de gevolgen zijn…"
Pa: "Als ze niet genoeg slaap gehad heeft dan kan ze niet rijden."

Marjan verklaarde nu dat ze zich helemaal niet zo slaperig voelt.
Ik: "Ja ik weet niet beter dan dat u moet zeggen: Marjan, je bent groot. Als ze per se zo laat naar bed wil dan zal je het wel voelen, dan zal je het zelf wel merken."
Pa: "Nee, nee! Dat zeggen wij niet! De ouderlijke zorg gaat door."
Ik: "Als ze nou een bakvis van 14 was…"
Pa: "Nee, als ik bij mijn ouders kom en er moe uitzie dan zegt mijn moeder het ook. En als ik bij mijn schoonouders kom ga ik trouwens ook op normale tijd weg; er zijn namelijk regels…"
Ik: "Natuurlijk. Moeders zullen het altijd wel zeggen als hun kinderen er slecht uitzien, maar ze kunnen niet altijd blijven bepalen hoe laat hun kinderen naar bed moeten."
Pa: "Waarom niet!"
Ik: "Omdat ze volwassen geworden zijn."

Kees: "Wat wilt u dan, dat kinderen altijd hetzelfde blijven?"
Marjan: "En als ik vroeger laat thuis kwam dan zei u er ook niks van."
Pa: "Nee Marjan want dat was je werk."
Marjan: "Nou het was heus niet altijd m'n werk hoor. Ik bleef echt wel eens een paar uur napraten."
Pa: "Was dat je werk?"
Marjan: "Nee hoor heus niet altijd. En als ik nou getrouwd zou zijn en ik bleef buiten in een auto napraten, dan zou u er ook niks van zeggen, als ik bijvoorbeeld hier op visite was geweest."
Ma: "Wat maken jullie het moeilijk. Is het dan zo moeilijk wat we van je vragen? Kun je dan niet gewoon enige medewerking verlenen? Je weet toch dat we het goed met je menen Wim? Je mag een weekend mee naar de bungalow…"
Vervolgens tegen Marjan: "…en wat hebben we voor jou niet allemaal over? Maar als we dan eens een eenvoudig advies willen geven dan pak je het niet aan hè, maar al het goede pak je wel aan. Je bent toch vrij in alles? Je mocht vorig jaar toch veertien dagen alleen op vakantie? Is het dan zo moeilijk? Een fatsoenlijk meisje blijft toch niet zo lang weg? En die huiselijke regels zijn toch niet abnormaal?"
Ik: "Waarom zou een fatsoenlijk meisje niet lang weg blijven?"
Ma: "Nou bij een meisje is dat anders. Een meisje is veel kwetsbaarder…"
Ik: "En wat zei u net ook alweer… dat was ook een kernpunt. Even denken…"
Ma: "Weet je het nou al niet meer? Als je zo kort van memorie bent moet je het maar opschrijven."
Ik: "O ja… huiselijke regels! Vindt u niet dat je er vanuit moet gaan dat regels er voor de mensen zijn en niet andersom? Volgens het principe 'leven en laten leven'? In de Bijbel staat: 'Gij zult niet stelen.' Dat heeft een functie. Want stel u voor dat iedereen maar gapte wat hij wilde hebben, dan werd het een chaos. Het heeft een duidelijk sociaal nut. Maar wat is dan de functie van uw normen als het er niet om gaat dat u bezorgd bent? En als u dus ook niet in uw slaap gehinderd wordt-"
Pa: "We zijn helemaal niet bezorgd voor Marjan. We zijn eerder bezorgd voor jou."
Ik: "Nou ik heb mezelf erg goed onder controle moet ik zeggen."
Pa: "Nee Marjan heeft je echt niet nodig. Wij geven jou helemaal geen verantwoordelijkheid!"
Ik: "Ik voel me verantwoordelijk."
Pa: "Ja, je kan het wel allemaal wetenschappelijk gaan uitrafelen, maar wij hebben gewoon onze normen."
Ik: "Maar wat is daar de functie dan van?"
Pa: "De functie… die is dat er orde en regelmaat moet zijn."
Ma: "Ja jij maakt het allemaal zo moeilijk. We vragen je gewoon iets maar jij maakt overal een probleem van. Verschrikkelijk gewoon. Je kan er hele boeken over schrijven…"
Pa: "Je maakt van een mug een olifant."
Ma: "Dan kan ik me voorstellen dat je zolang moet zitten praten, als je alles zo opblaast. Zo heb je overal uren voor nodig. Zo heb je altijd tijd tekort."
Ik: "Ja, de tijd is ook mijn vijand."
Ma: "Je praat als een professor maar je gedraagt je als een baby."
Ik: "Hahaha! Wat een originele creatieve formulering!"
Ma: "Ja dat kun je weer opschrijven."
Ik: "Nou, ik heb dus als ik 's nachts praat niet het gevoel dat ik iets heel erg raars doe…"
Pa: "Nee, dat heb je nooit gehad! Dat is altijd zo geweest."
Ik: "O, nou maar de gedachte dat iemand dus naar huis moet vanwege de normen van iemand anders, terwijl ze niemand hindert, dat vind ik onaanvaardbaar. Ik voel me geen verlengstuk van Marjan haar ouders. Dus als ze niet naar huis wil dan ga ik niet zeggen: je moet."
Pa: "Nou dan vind je het maar onaanvaardbaar, die tegenstelling tussen jouw en mijn normen…"
Ik: "Ik zie een heel andere tegenstelling. Namelijk tussen uw eis dat Marjan iets doet volgens uw normen, terwijl die normen voor haar geen inhoud hebben."

Marjan: "En dan kun je helemaal jezelf niet meer zijn. Zo verloochen je jezelf."
Pa: "Waarom zou je jezelf niet verloochenen??"
Ik: "Waarom je jezelf niet moet verloochenen??? Dat lijkt me toch vanzelfsprekend. Dat zou toch het naar beneden halen van je persoonlijkheid en je waardigheid zijn…"

Pa tot Marjan: "Jij kan je gedrag niet verantwoorden."
Marjan: "Pappa misschien niet maar ik wel."
Pa: "Kan ik m'n gedrag niet verantwoorden?! Nou ik denk beter dan jij… Als je getrouwd bent heb ik niks meer met je te maken maar-"
Marjan: "Nee gelukkig niet."
Pa: "En dan hoef je je niet meer aan onze regels te houden."
Marjan: "Dat zal ik toch nooit doen. Nu niet en als ik getrouwd ben niet."
Pa: "Nou ik heb het al eens meer gezegd Marjan, als het je hier niet bevalt dan moet je het zelf maar vinden."
Marjan: "Op kamers gaan? Ja, dan lijkt me nu dat het juiste moment daarvoor is aangebroken. Als vier mensen nog niet eens met vrede in een huis kunnen leven hoe zal er dan ooit vrede in de wereld komen?"
Ma: "Daar moeten we moeite voor doen. En we moeten bidden dat God ons erbij wil helpen, want geen mens kan zonder God. Wij bidden daar wel voor. Ik weet niet hoe dat bij jou is…"

Ik had haar een tijdje vol begrip aangekeken maar nu niet meer. Ik keek zo van: het spijt me maar het is nu eenmaal zo. Ik wilde nu niet de zijweg inslaan van een gesprek over het geloof.
Marjan: "Er zijn heel gelukkige mensen die niet in God geloven en er zijn heel ongelukkige gelovigen."
Kees: "Ja maar ik begrijp niet wat dat hiermee te maken heeft."
Pa: "Voor mamma heeft het er wel mee te maken…"
Marjan: "Als u dan niet begrip wil hebben voor onze vrijheid, waarom moeten wij dan nog stil zijn als u overdag slaapt en er geen piano gebruikt mag worden?"
Pa: "Ik had ook wel een andere baas kunnen vinden hoor Marjan, zonder nachtdienst. Maar daardoor is Marjan geworden wat ze geworden is. Als je daar dan geen begrip voor op kan brengen dan zal ik voortaan als jij slaapt 's nachts piano gaan spelen."
Kees lacht om deze geestigheid. Ik weet niet tot wie ik tolerant moet kijken, want in de laatste scène zit iets wreeds; iets met tragiek en hekel. Kees praat verder over dwang.
Pa: "Ja maar dat is dwang naar het goede, geen dwang naar het slechte. Trouwens, ik begrijp niet welke dwang je bedoelt. Dat je 's morgens naar school moet en met eten thuis moet zijn? Wat is dat nou voor dwang? Als je het anders niet doet dan is die dwang kennelijk nodig."
Ik: "Tja, tegenover een grotere vrijheid moet natuurlijk altijd een groter verantwoordelijkheidsgevoel staan."
Pa: "Ja, inderdaad. Dat is het precies. Nou, die verantwoordelijkheid, waar is die dan??"
Ik: "Daar hebben we het juist over gehad."

Pa tot Marjan: "Sinds je Wim Heins kent heb je allemaal moeilijkheden."
Kees: "Ooh nee! Dat heeft er niets mee te maken. Al was Wim Heins nooit geboren!"
Ik: "Misschien ben ik niet zozeer de oorzaak, alswel de aanleiding hiervoor en zit de oorzaak veel dieper. De Eerste Wereldoorlog is ook uitgebroken naar aanleiding van een futiliteit maar de oorzaak lag veel dieper."
Ma: "Je bent wel een moeilijk sujet, dat we er nu al de hele avond over praten."
Ik: "Het leven van kinderen kan tegenwoordig nu eenmaal niet synchroon lopen aan dat van hun ouders."
Ma: "Natuurlijk niet. Maar jullie hebben toch je vrijheid. Heel wat meer dan wij vroeger."
Kees: "Vroeger kostten de toverballen 1 cent."
Ik: "De reden dat ik er zo langdradig over doorga is niet dat ik dat thuiskomen om half één op zich nou zo zwaar opneem, maar omdat het gesprek hierover het symbool is van alle situaties waarin Marjan moet toegeven aan normen die ze zelf niet waardevol vind en dingen moet doen die ze niet wil. Misschien hebben we elkaar begrepen, zij het dan niet aanvaard."
Pa: "Ja, begrepen wel…"

De avond was verstreken en toen ik mevrouw Lewin een hand gaf zei ze: "En als je zelf later kinderen hebt zal je het misschien beter begrijpen. Misschien denk je morgen: had ik dat en dat maar niet gezegd en misschien word ik morgen pas kwaad over bepaalde dingen. Ja mijn man is een beetje opvliegend… Ik heb er nu in ieder geval hoofdpijn van…"

Voor ik het huis verliet hield Kees een boek onder mijn neus vanwege het zinnetje: "Alea iacta est."
Woorden van Ceaser toen hij met zijn leger de rivier de Rubicon was overgestoken en ook in onze taal welbekend: "de teerling is geworpen".
Kees wees me erop dat ik dat zinnetje van Marjan moest zien. En daarmee was dan uitgedrukt welk een tragiek eruit voortkomt als de generaties elkaars vrijheden niet respecteren. Alea iacta est – onverbiddelijkheid en onverdraagzaamheid leveren in korte tijd een breuk op met veel verdriet: ouders die niet willen horen moeten maar voelen.

De Leeuwin zei na afloop tijdens het luchthappen buiten: "Ik heb vanmiddag een lijstje gemaakt met alles wat ik mee zou moeten nemen als ik het huis uit zou moeten. Want als je kwaad bent dan neem je allemaal dingen mee die je niet nodig hebt."
Even later vervolgde ze: "En ik dacht ook nog: laat ik mezelf doodrijden. Zomaar keihard tegen iemand aanrijden. En toen dacht ik: dat is toch niet zo leuk. Laat ik die epilepsiemedicijnen van Kees nemen. Als je daar teveel van inneemt dan zal je toch wel overlijden? Maar toen dacht ik: ik weet wat veel leukers. Ik nodig alle mensen die op m'n begrafenis zouden komen uit en dan steek ik mezelf als het zover is opeens in brand. Wat een paniek zou dat veroorzaken. Of iedereen schrijven dat je het goed maakt en op kamers woont en dan zelfmoord plegen. En me ouders zouden dan beslist zeggen: zie je wel, komt allemaal door Wim Heins.
Maar ik zou ze schrijven dat dat niet waar is. En dat het hun eigen schuld was. Dan zouden ze vreselijke schuldgevoelens krijgen. Dat is dan de wraak op me ouders."
Ik: "Je mening wordt thuis doodverklaard, je voelt je geremd om je te uiten want je krijgt toch geen begrip, zodat je je uiteindelijk afvraagt waarom je leeft. Je bestaat eigenlijk niet. En daarom wil je liever dood zijn. Je bent het noodlot in jezelf. Hier moet je toch zien uit te komen Marjan."
Marjan: "Op een feestje zou het veel gevaarlijker voor me zijn maar dan zouden we opeens wel laat thuis mogen komen, want feestjes zijn officieel, degelijk en niet links.
Toen ik klein was stak ik op een fiets eens een hele drukke weg over, rakelings langs auto's en aan de overkant zwaaide ik heel vrolijk. Maar m'n ouders waren verschrikkelijk geschrokken en sindsdien denken ze dat ik allemaal rare dingen doe."

19 mei 1971
De tegenwerking komt van onze natuurlijke vijanden: ouders. Met hun valse preutsheid, die ik een afwijking vind, maar die bij Marjan is ingenesteld en uitgezaaid. Marjans vader voelt zich waarschijnlijk constant bedreigd in zijn autoriteit (hetgeen weliswaar één van onze bedoelingen was, maar niet de voornaamste) en voelt zich machteloos tegenover hetgeen "hoort" volgens zijn eigen opvoedingsdressuur. Binnen deze familie moet er eigenlijk een psychiater aan te pas komen, omdat de meegekregen waarden- en normenset normaal leven blokkeert. Hetzelfde geldt trouwens voor mijn eigen ouders. En temidden van deze jungle moet ik na een hongerwinter van 20 jaar proberen liefde te krijgen en dan ook nog uit valse schaamte doen of ik niet onzeker ben.

 

Hemelvaartsdag, 20 mei 1971

De Leeuwin stoof gisteravond om half tien in de Rode Eend langs en gooide een briefje op de deurmat. Toen ben ik maar vertrokken, met de bedoeling me toe te leggen op het symbolisch verhevigen van aanrakingen.
Marjans ouders waren weer in hun vakantiebungalow maar voor ze vertrokken had de moeder tegen haar geroepen, over mijn aanwezigheid in Marjans leven: "Nu ben ik je kwijt! Nu ben ik je kwijt!" Er hadden zich drama's afgespeeld.

De LP van la flûte indienne op de grammafoon van haar ouders in de huiskamer was ieder kwartier afgelopen, zodat ik uit haar eenpersoonsbed erheen ging om hem om te draaien. Eén keer liep ze met me mee en toen de indiaanse fluit weer draaide bleven we een tijd voor de radio omarmd op het tapijt liggen.

Daarna in bed ontdekte ze dat mijn stuitje een erogene zone was. Ik ging steeds harder en zuchtender ademen. Zeker het orgasmeproces dat op gang komt?? Ik voelde me enige tijd gelukzalig versmelten maar dat duurde korter dan ik wilde.

Na een stroom vrolijke strelingen bleek dat zij erogeen was langs: oren, hals, musculus trapezius, oksels, binnenzijde armen, borsten (zacht aaien en in greep nemen), billen, dijen, knieën, zijkant voeten, vagina.
Ik drukte mijn gezicht tussen haar liezen en vroeg: "Wat denk je nu?"
Zij: "Jeetje zeg."
Nu gingen we in het kaarslicht tegen de rand van haar bed zitten, ik met mijn hoofd in haar schoot zodat ik haar goed kon bekijken. Ze had nu iets indiaans zoals bij het paasvuur. Haar gezicht stond zorgeloos en gelukkig in een groot en heerlijk vertrouwen. Het drukte uit "wat kan me nog gebeuren?" Maar ze zag ook mooi moe.
Ik vroeg of de dood veel in haar gedachten voorkwam.
"Ja en wat zou je doen als ik dood ging?"
"Dan zou ik nog heel lang en heel diep over je nadenken."
Ze zei dat ze een boom op haar graf wilde met een Op-Art stam. En als ik zou sterven dan zou zij heel hard en hysterisch gaan schreeuwen.

Ik vroeg wat ze wou dat ik met haar deed.
"Moet ik het echt zeggen?"
"Ja dat doe je toch bij elke prostituant die jou bezoekt."
"Okee, nou, ik wil misbruikt worden en dat je me helemaal neemt."
Ik kroop op haar en begon haar stevig te omhelzen en met mijn van condoom voorzien orgaan zo'n beetje haar vaginamond binnen te dringen.
"Zalig wie heeft dat uitgevonden," zei de Leeuwin, "nee hou nu op anders ben ik geen maagd meer."

We liepen naar de huiskamer en keken uit over het haventje van de Sloterplas. Het was buiten onwezenlijk en doodstil licht aan het worden.
Ik stopte de Leeuwin in bed en dekte haar toe, waarna ze er weer uit kwam om de deur achter mij op slot te doen.
"Dag lieve Marjan."
"Dag lieve Wim."

Buiten was mijn geleende fiets weg. Ik dacht: "Och gut wat onhandig, nu moet ik
f.175,= betalen aan mijn zusje."
Ik zag echter dat de dief het sjouwen snel had opgegeven want hij stond verderop tegen een boom op slot.
Thuiskomend maakte ik per ongeluk gerucht. Mijn vader kwam uit bed op zoek naar inbrekers, net toen ik al in mijn kamer was. Ik lag al in bed toen hij mijn deur open deed en van mij vernam dat ik pas nu, om vier uur in de ochtend, thuis was gekomen van de Leeuwin. Zijn hoofd dat door de kier stak leek wel te sterven van onthutstheid. Met rollende eieren-ogen stamelde hij: "Asjemenou!"

Wat nu gebeurt is een nieuw fenomeen in dit huis. Ik sliep slecht en zweette erg. Ik had een zat gevoel in mijn maag. Ik vroeg me af of Marjan kon slapen, en verzonk in een droom over voorwaarden om prettig te vrijen en voorwaarden om een uitkering te krijgen van de Wet op de Arbeids-Ongeschiktheid, want ik heb overdag een baantje op de WAO-afdeling van het GAK.

Toen ik om een uur of elf beneden kwam liep mijn vader rond te redderen met kringen onder zijn ogen. "Nou over jouw gedrag ben ik helemaal niet tevreden," stak hij van wal, "daar moeten we 's ernstig over praten."
"O ja wat is het probleem?"
"Tja Wim, je hebt me enkele uren slapeloosheid bezorgd."
"O ja?"
"Maar ja, dat is nog niet het ergste."
"O nee?"
"Nee, want als jij werkelijk zo doorgaat dan kan ik je wel vertellen dat't helemaal mis gaat hoor."
"Vertel daar eens iets meer over."
"Nu kunnen je moeder en ik onze twee weken vakantie ook wel opzeggen. Want als je me nu je woord van belofte geeft dan weet ik dat je je er niet aan zal houden, want je beweerde al eerder dat je tegen dat meisje had gezegd laten we maar niet meer tot drie uur doorgaan."
"Ach dat is niet wezenlijk relevant. Als het principe waar het om gaat maar wordt gevolgd."
"Nou zoals jij je gedraagt ben je voor mij een getrouwd man! En een getrouwd man hoort niet in een huisgezin. Ga dan met'r op een kamer zitten en werk en studeer hard zodat je haar kunt onderhouden. Maar vanuit mijn huis wil ik dit niet hebben. Niet vanonder mijn dak!"
"Wat doe ik vanonder uw dak?"
"Zoals jij leeft ben je getrouwd en als je iemand werkelijk liefhebt dan wil je je helemaal voor haar opofferen en je hele leven lang alles voor haar doen."
"Ben ik nu getrouwd?? Wat een krankzinnige bewering."
Na een seconde van diepe vertwijfeling en gestokenheid stiet de van slaapgebrek doorgroefde 47-jarige man uit tegen de 21-jarige zoon:
"Ja voor mij is dat zo en ik wil dat niet vanonder mijn dak!"

Mijn moeder verscheen ook in de huiskamer en begon telkens een duit in het zakje te doen: "Zei je nou dat je niet met Marjan wil trouwen?"
Ik: "Inderdaad."
Pa: "Nou zeg! Zo misbruik je iemand als gebruiksvoorwerp."
Ik: "Gebruiksvoorwerp?? Dat vind ik wel een hele vulgaire gedachte."
Moe: "Jongen studeer toch flink en zoek een goeie baan en trouw met haar."
Ik: "Willen jullie ophouden me zo onzedelijk te benaderen?"
Pa: "Pas als je je helemaal wil opofferen is er echte liefde en anders heb je hier geen recht op."
Ma: "Je kent haar net!"
Pa: "En wat jullie daar doen is zonder meer het misleiden van die ouders die dat niet in hun huis willen hebben. Het is gewoon hoererij!"
Ik: "Op 7 december 1970 hebben wij een gesprek gehad over sex."
Pa: "Wat? Sex? Wie wij?
Ik: "U had bij mij het "Rode Boekje voor Scholieren" gevonden en was daar erg overstuur van geworden. Na een paar dagen vroeg Ma: man wat is er toch? Toen zei u: ik zal het maar zeggen, het komt door dat "Rode Boekje voor Scholieren" en wat daarin staat over sex. Weten we het weer?"
Pa: "Ja wat is daarmee?"
Ik: "Toen bleek de tegenstrijdigheid tussen uw en mijn cultuur, waardoor de ene partij de andere niet eens goed kan zien, en gaat verwijten dat die zich niet om moraal bekommert. En anderzijds-"
Pa: "Nou Wim hou nou maar op met dat moeilijke gedoe. En ik wil er verder ook niet over discussiëren. Je zegt maar wat je van plan bent-"
Ik: "Goed dan zal ik het beknopt samenvatten. Waarom trouwens niet over discussiëren?"
Pa: "Omdat ik het niet neem als dit weer gebeurt."
Ik: "Maar daarom kunnen we nog wel discussiëren. Ik had het over de tegenstelling-"
Pa: "Ja tegenstelling of niet-"
Ik: "En die tegenstelling houdt in dat er twee verschillende vormen van waardebesef tegenover elkaar staan, die alleen maar kunnen coexisteren als ze elkaar respecteren."
Pa (zich bleek bevend beheersend): "Als je maar weet dat ik onder mijn dak vandaan zulke dingen niet neem. Je kunt er op rekenen dat er hooglopende conflicten komen."
Ik: "Ik ben echt wel instaat om mijn zeden en normen te bepalen."
Pa: "O vind jij deze handelwijze werkelijk liefde?"
Ik: "Ik sta perplex, ik sta paf, zo onzedelijk als u over sex denkt."
Ma: "Nou een nét meissie doet zoïets niet hoor. Iemand uitnodigen voor de nacht!"
Ik: "Wat is er dan 'net' aan om zoïets niet te doen?"
Pa: "Je zorgt maar dat je je anders gedraagt en dat meisje wil ik hier ook niet meer over de vloer hebben."
Ma: "Nou, nee, dat hoeft ook weer niet. Maar als je zo doorgaat dan ga ik toch eens een koppie koffie drinken bij mevrouw Lewin. Want als je ruggengraat hebt dan doe je dit niet. Dan wácht je!"
Ik: "Ik sta al twintig jaar op wacht. En dat het beantwoorden aan je natuurlijke behoeftes een kwestie is van geen ruggengraat, dat vind ik een ongezonde opvatting."
Pa: "Wij waren vroeger ook niet zulke lieverdjes hoor, maar ik heb in Mamma het meisje van mijn dromen gevonden! Ik heb het helemaal gewild, anders is iemand een gebruiksvoorwerp."
Ik: "Dat lichamelijkheid op zichzelf liefdeoos is, dat vormt voor mij een vulgaire opvatting."
Ma (met een nummer van Het Beste in haar handen): "Zeg weet je wat ik hier lees? Er zijn meissies die los willen breken uit het ouderlijk huis en dan van alles forceren. Door dan zwanger te worden nemen ze wraak op hun moeder."
Ik: "Ik denk toch dat ik Marjan beter ken dan u."
Ma: "Ze lacht je straks uit als ze-"
Pa: "Ze was het misschien wel van plan toen ze dat briefje hier in de bus gooide en hard weg reed."
Ik: "Daar ben ik van overtuigd ja."
Ma: "Ze haalde je over om mee naar binnen te gaan!"
Pa: "Trouwens, zij loopt jou na! Een jongen behoort een meisje te winnen en niet andersom. Zij haalt jou daar binnen."
Ik (lachend): "Nou het is mijn eigen beslissing hoor."
Ma: "Ja, hij wil het natuurlijk ook zelf."
Pa: "Als je een man was geweest dan was je niet met haar meegegaan."
Ik: "Zo, waarom niet?"
Pa: "Nou zeg, je bent in het huis van haar ouders een rendez-vous aan het organiseren. Als je haar niet wilt hebben dan leidt dat tot niets."
Ik: "Karakter zie ik als het consequent vasthouden aan je eigen principes. Dus als ik daaraan vasthou in plaats van aan de uwe, dan houdt dat in dat ik karakter heb hè. U kunt het voor mij niet bepalen."
Ma: "Marjan wil strijd voeren tegen haar ouders. Ja, jij hebt je altijd kunnen ontplooien, dus jij hebt die geremdheid niet."
Ik: "Als ik die geremdheid niet heb en als Marjan mij aantrekkelijk vindt dan houdt dat toch in dat het bij haar niet uitsluitend strijd hoeft te betekenen tegen haar ouders?"
Ma: "Wees verstandig en zeg: Marjan-"
Ik: "Vroeger was zwangerschap de onontkoombare consequentie van liefde waarvoor je een heel leven samen moest blijven maar nu kan je kiezen dankzij voorbehoedmiddelen. We hebben trouwens nog helemaal niet gecoïteerd."
Ma: "Gekoteerd? Wat is dat?"
Ik: "Wat dat is? Nou er zijn vele woorden voor: cohabiteren, geslachtelijke omgang, met elkaar naar bed gaan..."
Ma: "Oooh, ooh."

22 mei 1971
Zus Immy van 13 heeft een tekening gemaakt van een vrouw die op de grond ligt te treuren, een kind dat z'n hand troostend op haar legt, een geknakte bloem en een hond die zich krabt. Ze wil niet aan haar vader vertellen wat het betekent, maar die denkt dat er een gedachte achter zit. Eerst begon mijn moeder onbenullig: "Ach zoïets betekent toch niks." Maar daarna zei ze zelf dat Immy vanmorgen in haar bed lag met haar handen voor haar gezicht en dat ze zei: "Wim mag niet weg!"
Ik (tot de heer des huizes): "Als ik het goed begrijp gaat u mij het huis uitgooien. Wat heeft dat voor zin?"
Pa: "Ja! Dat heb ik je al gezegd. Ik kan niet verdrágen... dat... maar vertel nou's: vind je dat dan zelf gewoon, als jij een leven leidt alsof je getrouwd bent en gewoon hier blijft wonen."
Ik: "Ik ben niet getrouwd. Hoe durft u mij zo beschamend te storen in mijn ontwikkeling en me steeds te beledigen? Mag ik ook mijn eigen gevoelsproces hebben in mijn eigen tempo? U bent respectloos naar mijn levensgevoel en mijn persoonlijkheid."
Pa: "Toen ik Mamma had leren kennen toen dacht mijn moeder hemeltje lief laat dat meisje toch lopen, straks is het te laat. Maar ik dacht: het is al te laat."
Ik: "En wat heeft dat ermee te maken?"
Pa: "Ik was verliefd en dat is uitgegroeid tot liefde."
Ik: "En omdat het bij mij anders is dan bij u heeft het geen waarde of zo??"
Ma: "Jullie denken natuurlijk dat jullie iets heel bijzonders hebben maar jullie zijn gewoon twee jongelui van 21."
Ik: "Wij maken een proces door dat voor mijn psyche en voor haar psyche heel erg nuttig is omdat we het nodig hebben."
Pa: "Ik begrijp je nu echt niet."
Ma: "Ja, hij kan het nou nooit eens simpel voorstellen."
Ik: "Welke motieven hebt u eigenlijk om hier zo fel op te reageren?"
Pa: "Welke motieven??"
Ik: "Kan het soms zijn de angst dat wat u zelf vroeger met moeite bevochten hebt, dat dat minder waardevol lijkt omdat u bij mij ziet dat het ook anders kan, dus dat uw eigen zekerheden minder zeker worden, dus dat u zo onbehagen uitdrukt over de moderne tijd?"
Pa (hoofdschuddend): "Nee, dat dacht ik niet."
Ma: "Welnee we hebben geen onbehagen over deze tijd."
Pa: "Ik weet niet wat ik hier nou zo gauw op zeggen moet, hoor."
Ma: "Je moet gewoon niet 's nachts in het huis van een ouderling komen als hij dat niet wil."
Pa: "En wie geeft mij de verzekering dat jij niet hezelfde doet als wij op vakantie zijn? Dat jij je niet over laat halen om hier de nacht door te brengen?"
Ik: "Het is echt een misverstand dat ik me over laat halen."
Pa: "Nou je zat hier woensdag toch rustig te werken, er valt een briefje door de bus, en jij gaat weg. Dat wijst er toch op dat ze al zoïets van plan was."
Ik: "Dat hoop ik maar, want het was voor mij ook het juiste moment."
Pa: "Nou en misschien zeg je dan als wij weg zijn: nu is het moment aangebroken voor dat en dat. En dan kan ik niet rustig in Limburg zitten. Want ik wil dat niet. Nou en wie geeft me de verzekering?"
De man keek me bleekjes trillend aan; zijn hoofd vertoonde geregeld zijdelingse schokjes.
Ik denk na.
Pa: "En dan moet je antwoorden: ik. En als jij er borg voor staat dat het niet gebeurt dan geloof ik je en anders kan ik niet met vakantie gaan."
Ik: "Als het doel is dat u alleen op vakantie kan gaan als ik niet ga vrijen, dan is dat voor mij een enorm dwaas soort eergevoel, maar als zou blijken dat door ons samenzijn het huis zou kunnen instorten dan zou ik het inderdaad beloven."
Ma: "Hij blijft redeneren hoor je wel. Er is gewoon niet tegen te praten. Ik krijg slaap. Ja hij wil discussiëren."
Pa: "Ik ben bang dat er een kind uit voortkomt."
Ik: "Echt waar, is dát het?"
Pa: "Ja natuurlijk!"
Ma (tegen haar man): "Wat kan hij zich toch lekker naïef voordoen hè?"
Ik: "Laat ik nou denken dat het u ging om moraaltheologie. Maar het gaat alleen maar om voorbehoedmiddelen."
Pa: "Laat ik je dan als getrouwd man zeggen dat er een moment komt dat je je niet meer kunt beheersen en dan is het meestal de deugd van de vrouw dat het niet gebeurt."
Ma: "De vrouw kan het tegenhouden. Als die het niet wil gebeurt het niet."
Ik: "Op dat punt aangekomen zou je wel stom zijn als je geen voorbehoedmiddel gebruikt."
Pa: "Maar ik walg van voorbehoedmiddelen. Dan is voor mij de lol er al van af."
Ma: "Ach je moet niet zo snel van stapel lopen. Nou moeten jullie dit zonodig doen alleen maar omdat het niet mag. Jullie kennen elkaar nog maar een paar maanden."
Ik: "Biologisch gesproken lang genoeg voor paarvorming en psychologisch kan een relatie levenslang groeien."
Pa: "Tjonge jonge wat een wijsheid zeg."
Ma: "De mens is toch geen dier."
Ik: "Maar hij heeft ook een levensleer."
Pa (emotionele grimassen beheersend): "Zorg dan dat je een huis krijgt zodat je langzaam naar de grote dag toegroeit waarop je helemaal van elkaar bent. Ik wil niet beweren dat je acht jaren verkering moet hebben zoals wij maar wel dat we niets overhaast hebben gedaan, en dat onze verhouding heel goed is!"
Ma: "Ik geloof helemaal niet dat jij maar gewoon met iemand naar bed zal gaan."
Ik: "Ik tref in mezelf niets aan dat het met jullie eens is."

2 juni 1971
In haar Rode Eend scheurde de Leeuwin vanuit haar werk langs onze deur. De brief die ze naar binnen wierp was geschreven met rode ballpoint op de achterkant van een werkstencil en had een echt briefhoofd meegekregen. Dit bestond uit enkele zuilen plus een zandlopervorm, geheel opgebouwd uit louter woorden "IK".
"Briefnummer: IK weet niet".
"Betreft: Waarom IK niet weet dat IK het niet weet".

"Ik heb genoten van het weekend," las ik de eerste zin.
"Ik ben ook in het Zwanenwater geweest. Ik was daar met Hans van der G. Ik zag daar vogels die op drie eieren zaten. Ik zag vogels die ons aanvielen omdat we te dichtbij kwamen. Ik heb Hans om 11.30 in Haarlem op de trein gezet naar Den Haag."
De Leeuwin ging verder:
"Ik ben alleen naar huis gereden. Ik ben toen om 12.00 langs je huis gereden. Ik zag daar licht. Ik dacht HIJ schrijft me. Ik lees als ik straks thuis kom ook wat van hem.
Ik heb tussen Haarlem en Amsterdam een huilbui weggepraat. Thuis was ik erg verbaasd toen er geen brief was. Ik ging lekker slapen. Ik ging lekker niet schrijven. Ik verwachtte je vanmorgen ook niet op de rotonde.
Ik vind het frappant dat Hans het ook leuk vindt dat ik lang haar heb. Ik heb hem wel gezegd dat ik het niet los draag. Dat heb ik ook tegen Madt gezegd. Ik weet wie Madt is en ik weet dat jij het niet weet. Ik ga tussen de middag altijd met Madt weg. Ik ga b.v. naar het strand. Ik ging zelfs al een 2-zitsbank kopen in Haarlem. Ik heb daar geen huis, maar Madt wel. Ik vind Madt een kunstenaar, ongetrouwd.
Ik kreeg gisteren een brief vol zwarte letters van jou waarin stond dat ik een wild koppig halsstarrig reddeloos meisje was. Maar Hans zei dat ik een lady ben. En Madt zei: je bent inclusief exclusief. Ik voel me niet achteruitgesteld door je of met te weinig aandacht van je. Je geeft misschien wel te veel. Je hebt veel geduld. Je offert je op. Maar dit moet ik alleen opknappen. Ik wil wel dat je komt vanavond."

De brief was ondertekend met een hartvorm waarin het woordje IK stond.

Om 8 uur vanavond 2 juni 1971 typte ik eerst de tekst van Lenny Kuhrs "De Troubadour" uit en daaronder volgde mijn brief aan de Leeuwin, vol bluf dat ik met al die heren contact was bezig op te nemen, en dan: "Veel geduld? Ja dat zei mijn kleuterleidster ook. Maar ik heb niet genoeg geduld om me te laten afschepen met vage verhalen over aanbidders. In deze fase van mijn leven en midden in dit gevoelsproces kan ik geen experiment erbij hebben met extra partners. Als ik dat doe laat ik met me sollen. Om je te helpen ontdekken welke gevoelens je hebt (en of er een basistoestand is) deel ik je bij deze mede dat de droom uit is. De dagen zijn aangebroken dat ik je alleen nog maar onthoud. Je ziet wel waar je toe gedreven wordt. Wees gelukkig met Madt - als je kunt - haha.
Morgenochtend sta ik niet meer bij de rotonde. Ik zit daar niet meer hoog op mijn keukentrap te wachten en met een verrekijker naar je uit te zien.
Wees gerust: de tijd is mild. Ze vertraagt en verzacht. De tijd is goed. Ze geneest levenden van hun ziekte en zieken van hun leven. Je hoeft haar niet te geloven. Met zachte hand heft ze op wat bestaat en het is voorbij gegaan. Alles hult ze in nevelen. Het verbitterde ontspant zij. Het snijdende troost ze. Woede tempert ze. Boosheid dooit en verdwijnt. Heimwee zinkt weg en wordt licht. Waarde vermindert ze, behalve liefde: ik zal altijd van je houden."

Op de envelop schreef ik "Voor de Leeuwin. Duisternis. Gaat deze beker aan je voorbij?"
Ik stapte op de fiets voor mijn dagelijkse stuk zwemmen in de Sloterplas, maar vooraf belde ik aan bij Marjan, liet de brief uit mijn handdoek rollen en vroeg: "Is je moreel goed?"
"Ja hoor."
"Bereid je dan maar voor op het ergste."
"Ben je kwaad?"
"Nee, gereserveerd..."
Ik vroeg haar nog of ze eigenlijk helemaal naakt was onder haar peignoir, maar ze zei van niet.
Ik rende naar beneden, de treden sloeg ik over, de trappen niet. Ik zwom de 100 meter naar de steiger en weer terug.

Toen ik in de rijzende schemer mijn rug afdroogde, zag ik een vrouw opdoemen. Ik herkende haar niet, maar het leek of ze iets van me wou, of ze iets had gedacht. Het was de Leeuwin.
Ik vroeg: "Heb je hem al gelezen?"
"Ja. Ik vind het gemeen."
"Dat zal wel ja."
"Waarom doe je dat?"
Ze leunde met een hand tegen de bagadrager van mijn fiets; haar stem klonk wankel en reikte aan weerloos huilen. Hoe vaker ik daar aan terugdenk hoe meer ik me er immuun voor ga voelen.
"Waarom ik dat doe? Nou dat staat er toch allemaal in?"
"Ik vind het maar gek. Je bent gewoon boos."
"Nee hoor ik ben niet boos."
"Waarom schrijf je dan zulke brieven?"
"Nou het is gewoon hoe ik er over denk."
"Hoe je er over denkt? Is het niet wat meer dan dat?"
"Nee."
"Vind je dat dan nodig? Vind je het nou ook niet een beetje raar? Je gaat van veronderstellingen uit."
"Ja als je niet duidelijk wil zijn..."
"Moet dat dan? Duidelijkheid als principe?"
"Waarom niet?"
"Ik krijg niet eens de tijd voor een beslissing."
"Ja hoor. Ik ben niet boos. Maar als je niet precies weet wat voor gevoelens je hebt is dit misschien wel een goeie manier om daar achter te komen."
"Waarom moet dat dan zo? Hou die fiets vast klungel! Je doet allemaal achterlijke dingen."
"Ja en daar ben ik nog trots op ook. Zo ben ik er ook trots op dat ik 's nachts ga zwemmen."
"Het is geeneens nacht, het is avond."
"Nee het is diep in de nacht."
"En als je daar trots op bent dan ben je zeker verliefd op jezelf?"
"Nee hoor ik vind mezelf niet aardig."
"Je gaat uit van veronderstellingen. Ik kan ook wel zeggen jij bent op een ander verliefd, op Loesje, of wie ook, ik maak het tussen ons uit."
"Ja ik meen het toch niet echt. Het is voorwaardelijk."
"Ooh nou meen je het weer niet."
"Ik ben niet op Loesje verliefd, wat een onzin."
"Op wie dan? Op mij soms, nee."
"Nou ik ben op niemand verliefd. En wat jou betreft, ik ben niet verliefd op je maar verliefdheid duurt toch niet eeuwig."
"Nee, het is geen basistoestand."
"Maar het idee dat ik je zou verliezen schokt me wel."
"Waarom schokt dat je?"
"Omdat we midden in een gevoelsproces zitten."
"Ben ik daarvoor naar buiten gerend? Ik heb alleen deze jurk aan."
De Leeuwin verbreedde haar blik tot de gehele nacht en ik zag ontspanning over haar gelaat gaan zoals de allereerste golfjes het strand overspoelen.
Ze vroeg: "Is er nog meer wat je wilde weten?"
"Wat deed Hans eigenlijk helemaal bij het Zwanenwater?"
"Hij kwam me opzoeken."
"Is-ie verliefd op je?"
"Weet ik niet hoor."
"Heeft die Madt je ten huwelijk gevraagd?"
"Nee hoor."
"Je ging alleen maar met hem mee een tweezitsbank kopen."
"Misschien wilde ik je wel jaloers maken."
"Waar moest je tussen Haarlem en Amsterdam om huilen?"
"Ik was kwaad op Hans. Dat had je niet gedacht hè? Raai eens waarom."
"Hij heeft je gepakt."
"Wat is pakken?"
"Onder tieners een meisje vasthouden en met handen naar organen die met sexualiteit te maken hebben."
"Ooh nee."
"Hij heeft je beledigd?"
"N... Ja..."
"Door iets te doen. Niet door iets te zeggen."
"Ja."
"Hij heeft goederen van je vernield."
"Nou goederen..."
"Het was van jou."
"Hij wilde gasgeven en jij sturen?"
"Nee, hij heeft wel gereden en geschakeld."
"Hij wilde je zoenen?"
"Ja. Als de trein er aankomt ga je iemand toch niet ineens zoenen?"
"O ja is dat zo?"
"Ik vind jullie alledrie wel aardig. Maar mijn moeder zei je kunt er geen drie hebben."
"Wat dacht je toen je mijn brief las?"
"Nou ik was kwaad. Ik dacht: wat denkt hij wel?"
"En mijn vorige brief over het onderwerp maagdelijkheid?"
"O, ik heb genoten. Ik moest haast bij elke zin lachen."
"Wil je achterop?"
"Okee. Dat hebben we wel eens meer gedaan hè?"
"Ja. Een jaar en een maand geleden."

12 juni 1971
Recent heb ik de Leeuwin meegedeeld dat, wat wij in bed doen, door mijn vader wordt beschouwd als "een meisje misbruiken". Nu vraagt zij af en toe: "Wanneer gaat het misbruiken weer beginnen??"
En omdat de ouders van de Leeuwin weer naar hun bungalow gaan, sprak ik met Marjan af, voor de verandering eens 's morgens om 5 uur naar haar toe te gaan. Ze gaf mij de huissleutels en we hoopten dat zij nog zou slapen als ik haar kamer binnen sloop.
Aan mijn eigen ouders liet ik weten dat ik met Marjan in alle vroegte naar het Amsterdamse Bos zou rijden, teneinde met de nieuwe bandrecorder van haar broer (een "cassetterecorder") vogelgeluiden op te nemen. In het broedseizoen konden we immers tal van mezen observeren, en fitissen met hun wegstervende zang, maar misschien behoorden zelfs de specht en de nachtegaal tot de geluidmakers in het broedseizoen.
Volgens mij is mijn vader zo'n vogelliefhebber door het sexloze voorkomen van deze diertjes.

Toen ik gisteravond op de WC zat die naast onze keuken ligt hoorde ik door de muur dat mijn vader bezwaard aan mijn moeder kenbaar maakte: "Maar niemand garandeert ons dat hij niet gewoon bij dat meisje in bed kruipt."
Vooral het woord "kruipt" kwam vulgair op me over.
Door het gedempte rinkelen van de afwas vernam ik vervolgens slechts een stilzwijgen.
Blijkbaar zat er weinig anders op voor de vijand om er maar in te berusten.

Toen ik om een uur of vier op een braakliggend veldje bezig was herderstasjes en een enkele paardebloem te plukken om aan de Leeuwin te geven, remde er een een politiewagen af die mijn verdachte gedrag had opgemerkt, maar niet ernstig genoeg vond om helemaal tot stilstand te komen.

Vreemd om daar zo vroeg met sleutels het huis binnen te gaan. Als je slaapt ben je lief, zeggen ze. Gold dit ook voor de Leeuwin? Het idee drong zich sterk aan me op dat zij zich slapende zou houden.
Marjan lag met haar armen langs haar hoofd omhoog gestrekt. Ze keek niet zozeer open en ontspannen maar ernstig, alsof ze diep in haar innerlijk ergens een oplossing voor zocht, waar ze moeite mee had. Ik legde mijn hand op haar haren en zei: "Doe maar niet of je slaapt."
Nu schrok ze wakker.
Knipperend vroeg ze: "Ben je er dan al zo lang?"
"Ik ben de heilmasseur," zei ik, "had u mij dan niet besteld?"
"Ik slaap pas drie uur," concludeerde ze vanaf de wekker, "zullen we maar doorslapen?"
Ik 'kroop' bij haar in bed. Na een tijdje zei ik, alleen om haar gerust te stellen: "Ik heb een condoom bij me tegen nakomelingschap." Om dit laatste woorde moest ze lachen. "Het is je onveilige periode," orakelde ik. Dat wist ze zelf niet eens.
Ik deed het condoom om maar verder waren we voor alles te moe. We vielen in slaap toen de wereld begon met zijn gebruikelijke rumoer, zoals de melkboer die panisch op de huisbellen drukte alsof het vandaag Luilak was.
Ik had nog nooit samen geslapen. Onder de dekens werd het gauw warm. Ik kon me voorstellen dat gescheiden tweelingen het koud denken te hebben in bed. Je moet ook te veel spiergebruik vermijden anders lig je krampachtig te omarmen.
Ik keek uit bed haar kamer rond. Van alles hing er aan de wanden: een fluit, een gitaar, een meisjespop, een teddybeer, een plaatje van Che Guevara (wat was daar zo belangrijk aan?), een Egyptische diadeem en zelfs een zwarte pruik.
Ik streelde haar een tijd en legde toen haar hand op mijn dij. Daarna "zocht" en "vond" ze mijn dynosaurische middendeel.
De Leeuwin zei: "Doe es of je me helemaal pakt."
Ik: "Pakt? Pakt?"
Zij: "Ja, alsof je me neemt."
Ik omhelsde haar en begon met mijn condoomorgaan tegen haar vulva aan te dringen.
"Ik wil het nog beter voelen," klonk het aanstonds.
Ik: "Ik voel helemaal dat je vaginale contracties hebt, hoe vind je dat nou?"
"Hoe ik dat vind?"
"Is dat prettig of zo?"
"Ja, een lekker gevoel, maar ook wel eng."
Toen ik met mijn hand in haar vrouwelijkheid voelde begon ze te zuchten en kroop tegen me aan.
Ik wist niet echt wat ik moest doen en daarom begon ik te zwammen: "Wel erg voor Hans dat hij je niet krijgt. Is wat ik nu zeg een impliciete boodschap? Ken je die theorie? Wat heb je een hevige vlagen, net een stormpje. Ik ga je nu in een klem leggen om je te ontmaagden."
Aan haar lach zag ik weer dat ze zulke spelletjes spannend vond. Ik trok haar knieën wat uit elkaar en vervolgde met wat ik het liefste doe: vederlicht strelen.
Zoals je niet half maar helemaal onder de lekkere douche wil staan, zo logisch vond ik het om ook met mijn gezicht naar haar vulva te gaan, en tussen haar labia te likken en te zuigen. Die zintuiglijke sensatie had ik nog nooit meegemaakt maar tegelijk proefde ik iets heel bekends. Maar toch een nergens anders door na te bootsen unieke smaak. Ik was blij dat het aan niets anders deed denken dan aan wat het was. Een goddelijke smaak. De Leeuwin hijgde en maakte ontwijkende bewegingen maar ik had mijn armen om haar heupen en likte door. "Nee!" riep ze. Ik keek omhoog en toen weer naar haar.
Ik wist uit een boek precies wat ik zag: de kleine labia waren bloedrood gekleurd en groter geworden. Tevreden stelde ik vast dat dit dus echt bestond. Wat ik niet wist, maar wat ze later vertelde, was dat ik door had moeten likken, want dan was zij volgens haar klaargekomen.

 

21 juni 1971

Omdat 21 juni de 'langste dag' is had ik met de Leeuwin afgesproken voor de kortste nacht. Hoe kort ook, het gesternte boven mijn leven hing er onheilspellend bij als een schip met zure appelen.
Bloot met Marjan voor haar bed staande begon ik: "Vorige maandag toen het zo regende kreeg ik het gevoel dat het herfst was geworden."
"Waarom?" klonk ze klein.
"Omdat de bladeren die afvallen nooit meer wederkeren. Misschien komen wij ook onder de macht van een herfsttij te verkeren."
Therapeutisch voegde ik er nog aan toe: "Hoe voel je je nu?"
Marjan: "Terneergeslagen."
Ik: "Ga maar op je bed zitten."
Zij: "Waarom?"
Ik gaf het voorbeeld en vervolgde: "Ik kan je toch niet altijd aan me binden?"
Zij: "We kunnen toch gaan samenwonen in een flatje?"
Ik: "Dat kan niet want jij wil kinderen krijgen en dat past niet bij mijn levensloop."
Zij: "Waarom heb je het een paar weken geleden dan niet zo gelaten?"
Ik: "Nou, in mijn gevoel zaten we in een bepaald proces en ik kon dat niet in het midden afkappen en dat kan ik nu nog niet. En daarna heb jij gekozen..."
Verbeten en wankel bracht ze uit: "Ja, maar wáár heb ik dan voor gekozen!?"
"Voor mij..."
"Ja maar wáár dan voor?"
"Dat is het probleem."
De Leeuwin: "In mijn gevoel zitten we nog maar aan het begin van een proces. En ik zie dat het steeds hechter wordt. Het gaat niet over of zo als het "herfst" of "winter" is. Eerst word je verliefd en beetje bij beetje wordt het sterker tot je op het laatst weet wat echte liefde is. Jij werd verliefd op mij en ik op jou, maar als jij het nu niet meer bent, waarvoor moet het dan nog verdergaan..? Dacht jij dat ik op die Hans verliefd was, of wat dacht je?"
Ik: "Nou ik heb het zo geformuleerd: je wist niet wie je wat waard was."
"Ja... en dus dacht ik: laat ik ze allebei naast elkaar aanhouden, want je moet toch wat meer ervan weten dan alleen de buitenkant. Maar toen kwam jij dus, en toen... Maar het was wel goed, want ik zag hoe ik het vond om jou te missen. Sindsdien zijn mijn gevoelens voor jou alleen maar sterker geworden."
Ik wees er op dat ik ook verliefd op haar was gebleven.
"Ja," begreep de Leeuwin, "zoals jij dat noemt als je slecht kan slapen en eten en werken. Je hebt zelfs een grafiek uitgevonden om aan te tekenen hoe verliefd je op me bent..."
Ik riep: "Ja het komt periodiek boven de 60 graden verliefdheid op de Schaal van Heins!"
Zij: "En nu is het alleen nog maar het aflopen van een proces??"
Ik: "Nee ik ben niet bezig alleen nog de andere helft van het toverwoord uit te vinden. Ik hou gewoon van je. Ik vind het heel erg de moeite waard, maar hoe lang moet dat duren? Moeten we niet afspreken als jij een andere weg op wil dat je dat ook doet?"
Zij: "Ik heb liever dat ik weet wat je voor me voelt dan dat ik iets denk wat niet waar is."
"Ik heb bepaalde wezenstrekken die geen huwelijk verdragen en ik moet aan die natuurwet voldoen."
Zij: "En mij vind je niet waard om dat mee samen te doen? Dan ben ik je ook niet veel waard... Maar misschien kan je die dingen veel doelmatiger bereiken als je je laat helpen. Wil jij zo bewust leven dat je alles kan opschrijven? Ik vraag me alleen af of je het ooit ergens voor gebruikt wat je allemaal stenografeert. Als ik daar tien jaar op zou moeten wachten dan zou ik toch wel willen weten wáár ik dan op wacht."
"Wil je dat dan?"
"Nou het lijkt me absurd. Als je eerst boeken wil schrijven of films maken of wat je dan ook bedoelt, waarom moet dat tien jaar duren? Waarom geen vijf? Je hebt toch eeuwig tijd tekort. Waarom kan je er dan geen huwelijk naast hebben?"
Ik: "Dat zou een draai in mijn levensloop zijn waardoor ik er helemáál niet meer aan toe kom. Daarom moet je misschien je affectieve fixaties naar een ander transmigreren."
"Dat zou zeker gebeuren."
Ik: "Morgen is niet de goede datum".
Zij: "Jij kan ook best een ander tegenkomen."
Ik: "Ik heb er geen behoefte aan om alles op korte termijn opnieuw mee te maken."
Zij: "Je zou het niet nog een keer met mij willen ervaren??"
Ik: "Het valt me op dat ik steeds meer aan je gehecht raak, dus ik vraag me stijgend af: wat doe ik jou aan?"
Zij: "Wat denk je?"
Ik: "Dat je uit elkaar gaan heel erg zou vinden. Dus misschien kan je de overgang vloeiend laten verlopen."
Zij: "Als ik al van je loskom. Maar hoe zou jij reageren als ik zei: wacht maar een jaar of zeven, want ik heb het zó druk."
Ik: "Dan zou ik zegen hee dat heb ik ook, want ik heb zulke buitenissige strevingen dat ik niet op de gebruikelijke manier met mijn gevoelens om kan gaan."
Zij: "Stel dat we afspreken voor over tien jaar. Dan is het toch ook wel slap als jij na twee jaar zegt: ik houd het niet meer uit. En weet je zeker dat je zo graag wil wat er daarna dan zou komen? Ondertussen ontmoet je zoveel mensen dat er van die tien jaar niks terechtkomt."
Ik: "Wat wij nu hebben, vind jij dat slap en zinloos?"
Zij: "Ja wat heb ik nu voor relatie? Die zou ik dan toch als... heel waardevol waarderen."

Stilte.

Ze lag met haar hoofd op mijn knieën en werd suffig, zei ze, en ze vroeg zich af over welke rare dingen ze nu toch zat te praten met een vreemde man. Dan: "Weet je het al?"
Ik: "Ja voorlopig doorgaan, of weet jij iets beters?"
De Leeuwin: "IK weet helemaal niet iets beters."

In de sterren voor 'Leeuw' stond deze week: "Houd uw familie te vriend en doe geen speciaal beroep op vrienden wat die zijn niet te vertrouwen en die weten niet wat ze willen."

"Misschien kan ik je beter vermoorden," opperde Marjan, "en daarna mezelf vermoorden, want je moeder zou het me wel erg kwalijk nemen."

Ik kleedde me aan en we liepen naar de gang. Ik zei: "Wil je nog iets zeggen?"
"Nee jij wel dan?"
"Nee hoor."
"Echt niet??"
"Er zijn drie uren voorbijgegaan."
"Lieverling - geloof je dit nog steeds?"
Zij: "Nog half."
Ik: "Kan je in vijf woorden samenvatten wat er veranderd is?"
Zij: "Het geloof in je woorden."
Ik: "Begrijp ik."
Zij: "Nu moet jij het me weer laten geloven."
Ik: "Ik ben eeuwig en ik pas op je. Geloof je het??"
Zij: "Ja dat geloof ik echt."

De leuningen waren rails toen ik de trap af snelde en buiten was de nacht ver heen in zijn worsteling. Het licht viel steeds verder weg en er was niemand anders dan ik getuige toen er zich een nietzeggende, uitsloverige motregen aandiende. Er was nergens een ziel langs de huizen die de stad zin schonk. Je eigen geest moest de zin geven maar dat was te vermoeiend.
Toen ik mijn fiets thuis in het berghok zette draaide de kat zijn slaperige kop om en keek me sjagrijnig met lodderogen aan, maakte een geluidje dat waarschuwde: als je niet ophoepelt ga ik harder schreeuwen.
Zelfs de kat is tegen mij.

Ik droom dat het me misselijkmakend mislukt iets kloppend te krijgen. Ik wordt wakker met een wee gevoel in mijn buik en lig wakker van de kou.

WIM HEINS - DAGBOEK UIT 1971
in opbouw want moet worden overgetypt.



Terug naar Dagboekenoverzicht