Terug naar Dagboekenoverzicht
Onderdeel van de KijkAan.nl Servicepagina's



 Dagboek over 
 BELINDA 


Amsterdam, 19 april 1985.
BELINDA de schoonmaakster liep naar het open raam op de werkvloer van de centrale administratie. Omdat ik die morgen te laat was gekomen zat ik nu ook nog laat te werken, en toen ze me zag toonde ze een blijde lach.
"Oh wat kan je hier leuk uitkijken over al die tuinen zeg!"
Haar opmerking nodigde mij uit om naast haar te komen. Ze hield me een pakje filtersigaretten voor van het merk Belinda en verklaarde guitig over haar eigen merk rookgerei te beschikken.
Om op gelijke hoogte over de vensterbank te hangen hield ik mijn knieën wat gebogen. Vlak naast me zag ik haar wenkbrauwen, zwarte waaiers van aandacht om ietwat verscholen bruinige ogen heen. De zon maakte nog andere kleuren; haar iris was zo veranderlijk als een vloeistofdia. Ik voelde wat angst. Kon ik haar echt aankijken? Ik nam haar wel buiten haar gezichtsveld om op, zoals je doet als je iemand aantrekkelijk vindt, maar dat betekende nog niet dat dat wederzijds zou zijn. Ik voelde dat zij mij ook bekeek en ik voelde tegelijk mijn eigen oordeel over mezelf.
Ik ging nu met mijn rug naar de zon toe op de vensterbank zitten. Zij stond nu rechtop. Ik voelde wel dat er iets tussen ons speelde maar ik kon me dat niet anders voorstellen dan dat ik haar tijdens het schoonmaken wel beter zou leren kennen, dat we misschien samen zouden gaan eten.
Ik kon me niet voorstellen dat ik haar nu zou aanraken - omdat ik verwachtte dat ze dat brute, egocentrische opdringerigheid zou vinden. Ik zat op de vensterbank in mijn eigen gevangenisje alsof ik tegen een glazen muur zat gedrukt en zij daarachter. Ze was nu afgestudeerd aan de dansacademie en vond dat ik maar mee moest doen op de lessen die ze gaf: bewegingsverkenning van de jongste levensfasen. Ik dacht je zou niet bang moeten zijn, je zou het moeten doen.
Toen ik zelfs ging uitleggen waarom ik niet zou durven toelaten wat er bij "overeind leren komen" te ontdekken zou vallen, legde ze haar hand op mijn knie.

Dat vond ik een amicaal gebaar. Maar omdat ze hem op mijn knie liet liggen, vond ik het vervolgens een erotisch gebaar. Reeds tussen de eerste en de tweede indruk in beantwoordde ik het het gebaar, door half amicaal, half intiem mijn hand op de hare te laten rusten. IK  had het niet nodig om er weken over te doen. Zij hoefde maar een gebaar te maken. En dat deed ze met kennelijke natuurlijkheid en gemak. Ik streelde de blanke gladde dalen tussen haar knokkels. Ik vroeg me nog af of ze het erbij zou laten. Het weldra voldoende zou vinden. Ik ging op de grond staan en had geen vrees. "Wat ben je lief," roerde ik het nu openlijk aan.
De omarming die nieuw plaatsvond was nog zonder interpretatie, zoals speels, of serieus geïnteresseerd.

Ik dacht: heb ik eigenlijk andere bindingen die lastig zijn als ik met haar een relatie begin? Nee die had ik niet. Ze legde haar armen in een stevige greep om me heen en moest af en toe een beetje lachen waarbij ik ietwat zocht naar het waarom daarvan. Ik dacht ook: Dit is het dus. Maar wat was dit dus? Ja ik bedoelde zo veel als: dit is dus waarnaar ik verlang maar wat zullen de bijbehorende problemen van deze relatie worden? Ik was zo gewend dat er bij een relatie problemen horen, dat ik deze direct trachtte te peilen.
"Ik sta te trillen op mijn benen," merkte ik op. "Ja..." zei ze, alsof ze het zelf ook voelde. Ze vond het fijn gestreeld te worden.

Toen ik opkeek viel mijn oog op het gemeentelijke plastiek aan de muur, waarop ik prompt zei: "De drie kruisen van het Amsterdamse wapen betekenen drie of meer kussen, wist je dat?"

Onze monden vonden reeds elkaar. En ik deed het in de stijl zoals ik het zelf wil en tegelijk met het gevoel dat het strategisch was.
"Ik vind dit heel betoverend," zei ik. Ze lachte. "En ook zo mooi met die zon," sloot ze aan. Ik maakte wat woorden vuil aan het begrip locus amabilis. Tussendoor wierp ik blikken op haar, die haar vergeleken met vroegere vriendinnen en die afcheckten in hoeverre ze leek op een ideaal.
Ik legde mijn handen om haar haren en zocht onwennig een zo gevoelig mogelijk raakvlak van onze gezichtshuid. Ik wou vragen of ze geverfd had want ze rook in de verte naar terpentine, maar dat liet ik na omdat ik dat niet romantisch vond en bovendien was hier op de werkvloer zelf geschilderd.

"Ik vind Belinda ook zo'n lieve naam," zei ik naar waarheid. Alles wat ik opmerkte, zei ik strategisch, maar ook naar waarheid. "Vroeger vond ik het niet leuk," zei ze glimlachend.
Verder zei ik ook nog naar waarheid dat ik haar vorig jaar al meteen heel lief vond. "Ja ik voelde ook meteen al iets."
De telefoon ging. Ik voerde een kort hulpverlenend gesprek, in mijn rechter hand de hoorn, in mijn linker de hand van Belinda, die de mijne warm tegendruk bood.
"Ik wil je NOG wel eens zien," zei ik. "Vanavond?" vroeg ze. Ik zei: "Ja, je kan bij mij wel wat eten... iets van prei, of knäckebröd, ja ik heb niet zo veel meer in huis dan knäckebröd. Vertel's, wat lust je??"
Ze deed of ze nadacht en besloot: "Nou, bijvoorbeeld... knäckebröd." Alles sloot kennelijk harmonisch bij elkaar aan. Hoe was het mogelijk?
Ze vond het leuk als ik haar vanavond uit haar training zou halen waar ze haar theaterpersoonlijkheid wou ontdekken.
We liepen hand in hand naar de straatdeur. Toen we één van de vele trappetjes afgingen zei ze 'hoeps'.
Ik liet haar uit en liep terug. Ik dacht: krijg ik mijn huis wel aan kant voor ze komt, ook met iets zuchtends van ben ik nu wel echt verliefd?

De Tandy Model I Computer op mijn bureau stond klaar met de tekstverwerker geladen en ik begon meteen aan dit dagboek te typen.
Terwijl ik tekst invoerde, vroeg ik me af of ik het gebeurde niet zou verstoren door bruutweg de stof te gaan gebruiken in groffe taalformulering en daarmee mogelijk doden. Tegelijk merkte ik dat wat gebeurd was langzaam begon te bezinken in mijn geest zoals ongefilterde koffie langzaam bezinkt in een glas kokend water. Er lag een onuitwisbaar feit. En ik voelde hoe dit feit een substantie en een gewicht had in mijn geest, waaromheen ik waarschijnlijk iets wilde gaan spinnen en de consequenties van aanvaarden. Zou dat verliefdheid heten?

"Wat ga jij doen?" vroegen haar vriendinnen nieuwgierig toen we theatercentrum 'Het Veem' uitkwamen en ze bij me in de bedrijfsbus van mijn werkgever klom.
"Jaaa..." lachte ze. "Bij MIJ eten," riep ik. "O je gaat nog eten," begreep een harer gezellinnen. Ik vatte het woordje 'nog' op als vrijpostige humor. Later realiseerde ik me dat het tegen elven liep dus dat eten inderdaad NOG zou geschieden.
"Als ik dat zo zie krijg ik zin om ook weer eens te rijden zeg," zei ze naast me in de bus.

"Vind je het niet vreemd om zo maar met mij mee te gaan naar zo'n vreemde buurt?" "Beetje wel, maar ook best spannend."
Onder de maaltijd knäckebröd met tomaat, sla, kaas, banaan en wijn gebruikte ze het woord 'lekkerte' en dat werd een terugkerend humorwoord.
Over een deelneemster aan haar workshop die langdurig niet wist of ze ermee door wilde gaan zei Belinda flauw glimlachend, ontspannen maar zeker van haar zaak: "Als je er al zo lang over na hebt gedacht... ik vind dat je DAN een beslissing moet nemen."
Ik stelde vast dat deze uitspraak een reminiscentie in mijn hoofd verwekte. Namelijk: "Misschien zal Belinda op een gegeven moment wel een bepaalde richting met ons op willen terwijl ik zwevend blijf en misschien vindt ze dan dat ik een beslissing moet nemen tegen haar of voor haar, en misschien maakt ze het dan uit..."

Na enige tijd begon ik bang te worden dat we geen gespreksonderwerpen meer zouden weten. Ik vond het wat koud in de kamer en voelde mijn gevoel niet goed. Dit doorbrak ik door naar haar te reiken en te zeggen: "Ik ga een beetje dichter bij je komen... Ik denk dat jij heel veel houdt van lief, van lief aaien." Ze lachte flauw, beaamde het niet, alsof ze nog niet precies wist hoe ik het bedoelde.

"Ik vind Belinda echt een hele lieve naam," zei ik weer en dacht eraan dat ik me zelfs ooit letterlijk gewenst had een Belinda te krijgen. "Lelijke namen..." vervolgde ik, en zag een schrikreactie in haar ogen, "zijn er zoveel." Ze knikte meteen ernstig alsof ze zich daar ook dikwijls aan had gestoten. "Mooie arm," vond ze, mijn ongebruine onderarm tegen haar borst vlijend.
Ik begon over het moment dat ze haar hand op mijn knie legde. (En had het gevoel: we zijn nu al zo ver dat we kunnen terugkijken - evalueren).
"Nou ik schudde je door elkaar."
"Ja maar met een fijne radar voor mijn reactie waar je je volgende stap onmiddellijk op afstemde, en die was dat je je hand op mijn knie liet liggen."
"Maar je reageerde er ook heel snel op."
"Blijf je bij me slapen?"
Ze aarzelde even en antwoordde toen beslist: "Ja! Lijkt me fijn."

Toen we naakt op bed zaten leefde ik in een lichte trance, een fluïdum dat mij afsloot van alle andere aandacht dan aandacht voor haar, en voor de prille luister van haar naaktheid. Ik strekte mijn hand uit naar haar heup. Geen wonder dat in andere culturen tempelpriesteressen erotische relaties onderhielden: het heilige der heilige is toch minstens een symbool voor het grensoverschrijden naar het lichaam? Ik spreidde mijn vingers in alle richtingen rond over haar huid om omvatte haar heup zoveel ik kon.
Toen we onder de dekens gingen keek ze om zich heen en stelde vast dat mijn huis leuke kleuren had.

MORGEN
"Ik ben de nieuwe wekker!" fluisterde ik in haar oor. Door haar slapende gezicht heen ontblootte zich een glimlach, een onderhuids plezier nog met gesloten ogen. "Waarom loop je dan niet af?" fluisterde ze, heel lief, maar ook met leedvermaak. "Ik loop nu af." Eveneens met haar ogen gesloten gaf ze een mep op mijn hoofd.

"Dit is een examen," fluisterde ik, "in het leervak opstaan. Ik ben de examinator. Als ik terug kom van het theezetten geef ik je een cijfer." "Maar de examinator bevindt zich bij de kandidaat in bed!"

Eindelijk zaten we op de bank.
"Wat krijg je dan van dierlijk eiwit?" "Daar krijg ik dit van," zei ze, en deed haar zojuist aangetrokken truitje zonder aarzelen meteen weer uit. Haar schouders zijn namelijk nog lichtelijk bezaaid met kleine rode plekjes die pokdalige littekens kunnen achterlaten. "Dat heb ik pas twee maanden geleden ontdekt." Haar lichaam is rank en ook haar rug heeft iets fragiels. De smalle roodgevlekte schouders riepen mijn deernis en begeerte op. Meteen begon ik ze te aaien waarbij de lichtere punten van littekenweefsel oplichtten wanneer de huid werd samengerimpeld en weer vervloeiden als een streling hem elastisch aanspande.
"Dus met andere woorden," begreep ik, "je moet plantaardig eiwit eten." "Nee helemaal zo weinig mogelijk eiwit. Eiwitten bestaan uit aminozuren!" "Met andere woorden," vatte ik, "je moet gewoon helemaal weinig eten." "Nee weinig eiwitten!" "Ja maar schat alles wat leeft en groeit bestaat toch uit eiwitten?" "Ja dat weet ik wel! Eiwitten bestaan uit aminozuren en in dierlijk eiwit hebben die een andere structuur!" "Dat betekent dus dat je plantaardig eiwit wil eten."
"Ja dat zeg ik toch!"
"Nee je zei helemaal geen eiwit. Maar nu wat anders. Ik heb net eend gegeten. Nu weet jij zo mooi te zeggen dat eiwitten uit aminozuren bestaan. Kan je dan ook verklaren waarom ik geen eend word. Ik weet dat je wil zeggen dat ik het al ben maar dat is dan het foute antwoord."
"Precies. Het goeie antwoord is namelijk dat je een eend bent en dat daar de verklaring in ligt dat je zo kwaakt. Ik vind het fijn dat je me stimuleert om juiste antwoorden te geven. Dankzij jou krijg ik zelfvertrouwen!"

Even later zat ze weer aangekleed met haar gezicht naar me toe. "Je wenkbrauwen zijn zwarte bogen van aandacht om je ogen," zei ik. Mijn op de computer ingetoetste tekst kwam van pas. "Je ogen zijn van een afstand vergeestelijkt en streng maar dichtbij wat hulpeloos, dan zie ik je innerlijk, dat is heel kwetsbaar. Maar er is ook genieting. Je wangen zijn mollig en je mond heeft vaak een genietende trek, zelfs haast elitair. Maar meer naar je ogen toe is er een doelgerichte alertheid en vergeestelijking."

Ze lachte om wat ik zei, zeker zoveel om de taal als om het feit dat het haarzelf betrof. "Als je me niet kwalijk neemt." "Nee hoor," lachte ze. "Heb je nou groene of bruine ogen?" "Daar ben ik zelf de laatste tijd pas achter. De kleur verandert steeds. Soms zijn ze bruin." "Ik kon het al niet zien in de zon voor het raam."
We keken elkaar aan. Zij lachte wat. "Wat denk je nu?" vroeg ik, uit een soort onzekerheid. "Ik dacht wat zou hij nu van me denken." "O ik dacht wat denkt ze nu." "Zo houd je de dialoog vicieus op gang."

Toen ze de haarspelden weer in ging doen had ik een groffe kam in mijn handen. Ze had zelf haar haren al gekamd. Toch zei ze: "Maar JIJ mag mijn haar wel kammen."

Op de hoek van de 2e Laurierdwarsstraat wees ze waar ze woonde. Ze zei dat ze best spannende dingen ging doen in het weekend. Ik was in elk geval blij dat ik mijn slaapgebrek zou kunnen inhalen.
Daarna reed ik naar twee schrijfmachinezaken in de Utrechtse straat om diverse apparaten te gaan proberen, daar ik op mijn werk een nieuwe typewriter/printer nodig heb.

Op mijn werk had iemand een gedichtje naast mijn bureau op de muur geplakt:

When I am dead
I hope it may be said:
His sins were scarlet
but his books were read.

TWEEDE KEER BIJ MIJ SLAPEN 22-4-1985.
"Zullen we de kussens van de bank hier neerleggen," zei ik toen we voor de kachel zaten, "en er naakt op gaan zitten?" Ze dacht een ogenblik na en lachte. "Of wil je liever in bed?" "We kunnen ook hier al wat uit doen," opperde ze, "en daarna in bed." "Wil je eerst met mij onder de douche?" vroeg ik, "dan kan ik je wassen." Bij dit laatste zag ik iets oplichten in haar ogen omdat het een tederheid was die ze heel graag wilde. Ik maakte aanstalten om haar haren los te maken, die ik ook wilde wassen, maar dat hoefde niet. Onder de douche hield ze haar vlecht op haar rug met haar hand weg van de straal maar toen die toch doordrenkt begon te worden liet ze hem maar los. "Lieve Belinda!" zei ik. Woorden die ik zo graag wil zeggen omdat ze een opening vormen naar mijn gevoel, maar het gevaar is dat ze te bedacht worden uitgesproken en dan averechts werken. Ze nam mij in ogenschouw. "Als ik deze woorden zeg zie ik dat je waakzaam kijkt," sprak ik uit. Ze knikte kort en murmelde vluchtig 'ja'. "Waar ben je dan waakzaam voor en wat denk je er dan bij of denk je er niets bij of wat denk je dat ik wil als ik dat zeg of denk je niet dat ik iets wil, ach ik weet het wel, of zaag ik te veel door over iets waarover niets te zagen valt?"
Ze lachte wat. "Nou ja laat maar," zei ik. "IK zeg er niets over," stelde ze rustig. Even later zei ze toch iets liefs terug maar heel heel zacht gefluisterd in mijn oor als ware het niet tegen al te veel daglicht bestand.
Toen we weer voor de kachel zaten bekende ze soms verlegen te zijn. "Ja maar ik ben ook heel verlegen en onzeker!" Ja dat had ze al gezien. Ze wist alleen niet onmiddellijk concreet waarom zij verlegen werd. "Drink je wijn op," moedigde ik haar aan, "dan schiet het je wel te binnen." Ze was bijvoorbeeld verlegen als ik haar vragen stelde omdat ze het gevoel kreeg dat ze het antwoord moest weten.
"Als je geen antwoord weet is dat voor mij alleen maar een waarheid," zette ik snel uiteen, "zoals de wijn uit een fles. Als de wijn op is dan ga je toch ook niet beweren: de fles is niet goed?!" Ze lachte met een bepaalde lekkerte  uitgedrukt in het optrekken van haar neus, zoals negerzangeressen in een passage met lekkerte. "Als je lacht ben je net een katje," zei ik, "je mond wat open en je neus wat opgetrokken, net zoals een kat kijkt die miauw zegt."
Ik zei: "Schorpioenen hebben wel wat met vi-"
Ik zweeg maar vreesde al te veel te hebben uitgesproken om nog te vragen: "Raad mijn sterrenbeeld eens." Ze had het al gehoord. Het leek haar veel informatie te verstrekken. Ze keek net zo inzichtelijk als toen ze naast me in de bus op weg naar mijn huis vlak voor de Funen-molen zomaar toegaf een ochtendmens te zijn. Dat was voor mij het teken dat we wel nooit uit zouden kunnen slapen.
En zo murmelde zij thans voor de kachel: "Goh, een vis, ja... verschillende mensen die heel belangrijk voor me zijn geweest waren ook vissen." "Het kan ook de andere kant op gaan," roerde ik aan. "Ja, een schorpioen kan een vis heel ongelukkig maken."
"Nou!" riep ik, en dacht aan Stella en aan het moment dat die walgend vernam wat ik voor een sterrenbeeld had.
"Ik ben een vis maar ook een vos," voer ik voort. "Ja als je rent dan klakken je hoeven zoals bij een paard maar van boven lijk je je in te houden." "Ik ben helemaal geen paard!" wierp ik tegen. "Ik ben een sluipende vos!" Dit wilde Belinda ook wel inzien. Ze deelde mee dat diverse kennissen haar in verband hadden gebracht met een konijn. "Maar een konijn bevalt me eigenlijk niet," stelde Belinda. Nee mij ook niet, dacht ik. "Ik had zelf gedacht aan een beertje," bekende ze bescheiden - het leek me geen onredelijke eis.

"Ben jij kwetsbaar?" vroeg ik. Terwijl ze nadacht kreeg haar mond de trek van een klein bloeddorstig roofdiertje met ontblote tandjes, haar ogen vernauwden zich ietwat als van een vrouw die eigenlijk behoefte heeft aan een gesloten vizier en het timbre van haar stem werd haatdragend samengeknepen toen ze uitsiste: "Kwetsbaar? Nee!"
Ik vroeg naar een slechte eigenschap. Haast op dezelfde manier als zojuist zei ze, bij tijd en wijle, gebrek te lijden aan discipline, waarvan zoals ik opmerkte de verbetenheid eveneens de bewering logenstrafte.
"Misschien ben ik te gulzig," meende ze. Ik legde dit voor mezelf uit als "te toeschietelijk", wat me verontrustte.
"Wat je wel bent," zei ik, "is psychisch gezond. Namelijk omdat je kunt genieten en omdat je met een bepaalde rust en natuurlijkheid nieuwsgierig open staat voor een ander zonder de hele tijd alles naar jezelf om te willen buigen. En ook omdat je een bepaalde opgewektheid uitstraalt en niet erg angstig bent ingesteld, omdat je voor je problemen wegen kunt vinden, omdat je heel zelfstandig bent..."

Toen ze de morgen na mij in de trein zat op weg naar ergens lesgeven had ze een heel goed gevoel, een vol gevoel, vanwege de woorden die gesproken waren (in bed).

Ik schreef Belinda op 26 april 1985:

"Niet meer geldig zijn de vorige keren dat je bij me was. De nawerking verschraalt in galm. Hoognodig moet ik me opnieuw aan jou geven. De vorige maal geldt niet meer, zoals een melodie een aantal maten verder niet meer geldt, doch wordt verwacht bij herhaling. Mag ik gauw weer teder voor je naakte lichaam zijn? Ik moet "lichaam" schrijvende mijn hand forceren omdat ik in de war raak met het woord lingam en omdat ik voor me zie hoe zacht jouw hand hem omvatte. Als je maandag niet bij me zou slapen zou het een misstap zijn tegen de voorzienigheid en misbruik van het leven. Ik fluister: daaag."

 


KONINGINNEDAG 1985.
Belinda geeft direct intuïtief commentaar op de beeldende kunst aan mijn wand.

 


Over de ets van Frits Lindeman: "Moeder aarde en de knielende uitgemergelde mens. Moeder aarde slaapt en weet niet hoe haar kinderen te voeden. Ze hebben dorst naar haar borst, maar hoe dichtbij ze ook is, ze zien haar niet."

 


En over zijn ets met de tank en de melkwagen: "De aarde rijdt weg en de oorlog komt er aan. De nar heeft zijn masker afgelegd en Christus hangt tussen de bomen. Met gesloten afwezigheid, alsof hij denkt: ik dacht wel dat ze het weer zouden gaan doen, luisterden ze nou maar. Maar al met al hang ik hier lekker tussen de bomen."

Ik was enthousiast. Ze opperde als ik nog meer hiervan wou horen, dat we mogelijk eens naar een museum konden gaan.


Nu wilde ik commentaar op de litho van mijn levenslange vriendin Lineke Drost, het zelfportret van de kunstacademie uit haar jeugd.

Belinda: "Ik weet niet of ik er wel wat over mag zeggen. Ze is lief, bedroefd, gekwetst. Te oud voor haar leeftijd. Ze laat zich pakken. Je houdt veel van haar. Ik weet niet of ik me ermee mag bemoeien want als ik er naar kijk voel ik me een indringer."

 

 

Ik had de Renault 5 van Lineke ter beschikking (die zat in Zuid-Afrika). We ontweken de stampvolle stad. 's Middags zaten we in IJmuiden aan de havenmond op het terras. Er kwamen weinig schepen langs. In de verte lag een kolos met een rode band om de voorsteven, die zich maar langzaam verplaatste. "Dat is wel een suizende boot zeg," meende ze. "Als je dat suizen noemt dan vrees ik dat we over het begrip suizen van opvatting verschillen."
"Nee ik bedoel niet die grote maar die!"
Inderdaad was voor zover de nevels het zicht er op niet belemmerden, halverwege de kolos en ons, een zwart vormloos object te zien dat goeddeels onder de golven verloren leek te gaan maar zich wel met redelijke snelheid voortbewoog.
"Wat is het?" vroeg ik, "een onderzeebootje of een stuk wrakhout?" "Laat die man het niet horen," stelde ze. Het ding leek uit twee delen te bestaan die elkaar gelijkmatig volgden, een zeil voorop en een stuurhuis wellicht. "Nee dan loopt hij rood aan," gaf ik toe. Ze vond dit heel leuk en begon verrast te lachen. "Dan wordt hij purper," zei ik dus. We lachten erg.

Daarna gingen we pannekoeken eten in Johanna's Hof te Castricum. Voor het restaurant liep pluimvee. "Dag sierhoen!" riep Belinda. "Wat leuk," stelde ik, "dat je zegt 'dag sierhoen'. Er spreekt dierenliefde uit. Maar ook leedvermaak omdat dit schepsel moet leven voor de sier. Net als wat ik vannacht droomde, dat ik zei: dag Paus."
Een der vogels had bovenop de snavel een stijve lel die zich begon te verlengen. "Oh wat heb jij een mooie neus!" zei Belinda, "aansteller!" "Hij heeft een erectie," meende ik. Ze ging hier serieus op in. "Bij een erectie wordt je toch juist stijf. Dat ding wordt zo te zien helemaal slap."
Ik had een recorder in de auto met de cassette die ik ook draaide toen ze voor het eerst bij me kwam: Indiaanse gitaar/fluit van Facio Santillan. Dat vond ze heel leuk. Ze had hem op haar schoot en zat met licht gebogen hoofd dromerig te luisteren.
Op de terugweg had ik een Nescafé-potje met zwartwit-pepermunt snoepjes die ze achter elkaar in mijn mond begon te voeren met een vriendelijk leedvermaak. Thuisgekomen had ze het potje nog steeds in beide handen omklemd. Ik reikte ernaar maar ze gaf het niet af. "Ik wou het afpakken," zei ik, "omdat ik bang was dat je het mee naar huis wou nemen." Ze trok haar wenkbrauwen op. Ik besefte wel dat dit een wantrouwige opmerking was. "Waarom zeg je dat nou??" vroeg ze. "Ja, niet omdat ik het meen hoor. Ik dacht even dat je het aan me wou geven. Daarom wou ik het aanpakken. Maar toen je het niet aangaf toen leek het net of ik het af wou pakken. En daar was ik verlegen mee. Daarom zei ik maar iets geks." Ze lachte. De verklaring was in orde.

VERLOOP VAN DE RELATIE
Op therapie heb ik 8-5-85 tegen dr. Teer gezegd dat Belinda zo goed kan genieten maar dat ik me afvroeg hoe dat met mij verder moest, omdat ik de teugel nogal in de hand houd als ik vrij en heel bewust aandacht geef uit angst tekort te schieten of misschien als legitimering van het vrijen.
Hij suste dat ik nu eenmaal zo'n type was, dat anderen dit pas later als probleem ervaren en dat je je in het begin ook zorgen maakt of het wel goed gaat. Of ik niet te ongeduldig was? Hier kwamen we op een wezenlijk punt.
Ik zei mijn hele leven al te wachten. Van thuis moest je ook wachten voor je mocht genieten. Met opstaan lag ik ook te wachten of er ook nog iets leuks zou komen. En dat ik het wel moeilijk vond dat ik nog steeds geen gemeenschap met haar heb gehad.
Immers toen ze menstrueerde en onvruchtbaar zei te zijn moest ze eerst een tampon uithalen en daarna was ik al weer zacht. Ze moet eerst open gaan door bepaalde genietingen.
Pas nu besef ik opeens de realistische achtergrond van het schuine jeugdliedje "na tien minuten rukken, zat hij er eind'lijk in". Nu pas realiseer ik me dat er veel vrouwen zijn bij wie ik niet zomaar naar binnen zou kunnen. Ze moesten eigenlijk (tenzij ze kinderen hebben gebaard) wat breder gebouwd zijn. Anders snap ik het niet.
Ik slaap er minder diep door. Het is niet zo bevrijdend meer als de eerste keer dat ik heel ontspannen naast haar sliep. Het is een onuitgesproken thema. Zij heeft verteld 10-5-85 te hebben gedroomd dat we opeens neukten en dat ze geschrokken besefte dat de anticonceptie ontbrak. Ik antwoordde dat ik het idee bij me rijpte om me te laten steriliseren. Want dan hebben we tenminste geen gedoe met een pessarium; ik weet zeker dat ik daar weer zacht bij wordt.

Nu heb ik een vriendin en nu kunnen we geen gemeenschap hebben, denk ik, zoals in de mop van de vrouwen in de hellekroeg zonder vagina en pilsflesjes zonder bodem. Is dit het zich openbarende probleem dat ik per definitie verwachtte? Of blijft dat beperkt tot lastige eetgewoonten en lichamelijke kwetsbaarheid van Belinda?

Aan de andere kant noemen we elkaar nu openlijk mijn vrouw en mijn man. "Blijf je altijd bij me?" vraag ik openlijk. Tegelijkertijd weet ik dat ik hiermee alleen mijn gevoel zo sterk mogelijk probeer te maken. Ik ben niet eens verliefd op haar in gedefinieerde zin. Ik betrap me er op dat ik eigenlijk nòg wel een keer wil meemaken om een vreemde vrouw tot de mijne te maken; er lopen zoveel mooie rond en door Belinda heb ik weer even dat gevoel van nu ben ik aantrekkelijk aan het worden of nu gaat het echt gebeuren. Ik merk ook helemaal geen weggeslagen werfdrang. Dat gevoel van 'ik ben voorzien' en er genoeg aan hebben van Belinda te zijn vervuld - dat mis ik.
Het belangrijkste is voor mij dat een leuk meisje mij als vriend accepteert. Ik ben gewoon een onvolwassen puber met duizendvoudig verlangen die nu een heel klein beetje bevrediging krijgt en nog veelvuldig zou willen experimenteren als antwoord op een grote leegte. Ik ben ook bang dat ze qua type niet echt weergaloze indruk op me zal kunnen maken. Daarom probeer ik zo verwoed om liefde te simuleren, en vergaande dingen te zeggen in de hoop ze ook te zullen gaan voelen. Ik ben maar zo volledig mogelijk met Belinda in zee gegaan omdat je toch wat moet. Dit zijn overwegingen waar ik eens voor ga zitten omdat ik er al doende liever niet aan denk.

Zaterdag 18-5-85
In bed door mij getroeteld, heeft ze eerst weer het dartele van een mythologisch veulen. Grote lenigheid, zich op de zij werpend, kussens knedend, het hoofd ver achterwaarts leggend, in een boog gaan staan, speels mijn haar doorwoelen, een verlangend neuriegeluidje dat nergens anders bij past dan bij een genietende vrouw.
Maar bij oplaaiende lust wordt ze vervaarlijker en verscheurender, slaakt rauwe kreten en omvat mij ruw. Ze is sterk. Ik moet haar met grote kracht in bedwang houden. Haar ledematen scheuren zo hard langs mijn huid dat ze hem bijna aan flarden trekt. Ik vraag me met mijn hand in haar vulva af hoe dat met een penis zou moeten, zó gewelddadig bewerken haar benen de inhoud van haar kruis.
Als ik haar later in bed liefkoos en omvat komen er tranen in haar ogen en zucht ze "wat gebeurt er allemaal met me".
Het blijkt dat ze door de innigheid zich het gevoel herinnerde van toen ze zwanger was. De afgelopen weken is er een herinneringsbeeld bij haar opgekomen, alsof die zachtheid weer bij haar terug was gekomen, maar ook het daaraan verbonden verdriet. We hebben wel geen gemeenschap, maar ze is heel blij met de zachte liefde tussen ons.
"Ik moest opeens weer denken aan mijn kindje... Ik dacht heel sterk en hoe is het nou met je?"
Ze sprak alsof ze het kind had gekend. Ik vroeg heel rationeel: "Was er dan sprake van een kindje??" "Dat kan jij je misschien niet voorstellen. Het is alleen maar een gevoel. Ach het is stom geklets." "Nee hoor," lijmde ik, "het is een echt gevoel." Onderwijl vroeg ik me af of ze ook het gevoel had een kind van mij te willen.

Wat ik ook merkte was die spanning in mijn kop alsof al mijn gevoel daar samengekneveld ligt en onbeschikbaar is. Soms als ze me even op de goeie manier streelt komt er een klein beetje los. Dan merk ik hoe boeiend dat is en hoe bevrijdend en hoe ik altijd maar doorga zonder te weten hoe ik dat moet ontsluiten. Hoe ik me ook bij het vrijen ten dele verveel en afvraag hoe ik aan mijn trekken moet komen. Dat gevoel heb ik ook onder het eten als ik eigenlijk niet echt weet waar we over moeten praten.
Bij mijn computer voel ik me dan nog vertrouwder.
Toen ze na de brunch op mijn schoot zat zei ze: "Weet je wat? Ik ben verliefd."
"Wat leuk," zei ik, "ik wil je heel graag hoor."
's Avonds wilde ze me alweer zien. Toen we op haar deurdrempel een Beldinda rookten nadat ik haar bel gemaakt had, vond ik haar heel mooi en was ik trots als er mensen langs kwamen, dat ik met haar ging.

9 juni 1985
Zaterdagmorgen droomde ze dat ze een vriendje had, al wist ze niet, zei ze schalks, of ik dat was, en daar was ze mee aan het neuken. Er was ook een vriendin bij haar, die was eveneens aan het neuken. "Dat vriendje deugt niet," zei die vriendin, "daar moet je zo gauw mogelijk vanaf." Belinda antwoordde haar vriendin dat ze zich moest ontspannen, "dan ging het lekkerder."
Ik boog het hoofd bij dit verhaal. Bij 'deugt niet' kon ik me veel voorstellen: neurotisch, niet in staat tot bindingen, of "te rationeel" zoals mij soms verweten wordt door mensen die zelf zo koud zijn als een dweil.
Bij dat ontspannen dacht ik dat Belinda in haar droom een dialoog voerde met zichzelf.

Zaterdagavond toen ik opbelde voor een sauna-afspraak was ik blij dat ze nog niet thuis was. Ik voelde me slap als een vaatdoek en ging het liefst naar bed. Want haar vroege opstaan die morgen was toch wel een verstoring van mijn nachtrust geweest. Inderdaad kwam ze om half tien bij me. Terwijl ik wat eten voor haar maakte voelde ik hoe weinig mijn hoofd er eigenlijk naar stond. Het was ongewenst bezoek.

Op de bank vroeg ik of ze mij interessant vond. Ja, vanwege mijn nuchtere afstandelijkheid en tegelijk betrokkenheid waardoor WARMTE, DIEPTE EN VERTROUWEN ontstonden.
Bovendien had ik een doelgerichtheid en een scherp oordeel, ook zichtbaar rond mijn mond, dat haar aantrok.
Daarna gingen we onder de douche, ik op een kruk gezeten en zij op mijn schoot. Ik had haar overgehaald om met me te douchen, met het oog op vrijen en het likken van haar kitty. Maar in bed, haar daar beroerend, viel ik al half in slaap, en zij ook.

Na een uur of zes slaap werd ik wakker en kon daarna, hoewel we tot de middag in bed lagen, mijn slaap niet afmaken. Ik leed onder spanning die ik tot twee keer poogde af te breken door gym. Het kwam door het samen slapen. Het gevoel van weinig ruimte. Toen we opstonden voelde ik me half depressief en onbeschermd. Een wrakkige spanning in mijn hoofd, een totaal ontbreken van initiatief en associaties. Toen ik na het ontbijt, zwijgend en verveeld opgegeten, bamboekoffie zette en echte voor mezelf knapte ik wat op.

Ik trok me terug in het herlezen van mijn psychiatrisch dagboek over mijn broer, terwijl zij op de bank in slaap viel. Ik bedacht hoe gek het was dat ik een leuk meisje onder handbereik had en dat zij lag te slapen terwijl we allebei zo verlangen naar liefde.
Later met haar op de bank gezeten verklaarde ik me de hele dag mat te voelen, en dat er niets van me uit ging. Er hing een sfeer met veel zwijgen en introverte gezichten. "Wat een problematische sfeer hè?" zei ik. Ze knikte, "die hangt er de hele dag al. Ik geloof dat ik maar naar huis ga." Ik voelde een lichte schrik. Ging ik haar eigenlijk verliezen? Ik zag haar gezicht en vond haar mooi en verlangde naar liefde. "Het komt door mij," zei ik, "dat vind ik jammer..."

"Zal ik je masseren?" bedacht ze opeens. Terwijl ik op een deken lag en een licht nieuwsgierige, genietende trek rond mijn mond voelde, streek ze aandachtig en liefdevol over mijn spieren en tilde mijn hoofd.
Na de behandeling gingen we met de benen om elkaar zitten. Ze was wat verdrietig in verband met de verwachtingen die ze had. Ik vroeg me af of ze neuken bedoelde. Ze verklaarde naar haar bed te gaan. "Is alles nu nog hetzelfde tussen ons?" fluisterde ik, "ga je niet voor eeuwig bij me weg?" Daarop zweeg ze en zei eindelijk: "Ik moet niet meer dragen dan ik kan." Ze bracht het niet tot een verklaring van deze spreuk.
Het ging er niet om dat ze dacht dat ik eisen aan haar stelde. Ook niet om eisen die ze aan mij stelde. Meer kreeg ik niet los. Ze haalde haar schouders op en wist het niet en huilde een paar keer. Ik omarmde haar geruime tijd. Ik wilde haar behouden maar bedacht tegelijkertijd in mijn achterhoofd dat ik naar zoveel vrouwen verlangde.
Daarna vertrok ze. Ik gaf het restant suikerkoekjes mee van het pak dat ze uit de kast gehaald had en al bijna geheel had genuttigd, en bracht haar naar de tram.
Toen die wegreed keek ik haar na: een zelfstandig meisje met parmantige haarspelden en een rugzakje over haar kordate colbert. Ik vind het erg dat ik niet met haar kan neuken. Het glijdt voorbij zonder dat ik er vat op krijg.
Als ik deze zin vasttyp aan het verhaal van Belinda, is het buffergeheugen van mijn computer tot de rand toe vol. Is het verhaal nu uit?

Terug naar Dagboekenoverzicht

23 oktober 1985
Belinda kwam eerst vergeefs bij me aanbellen nadat ze haar moeder naar Schiphol had gebracht. Ik sliep en hoorde de bel niet. We hadden een afspraak voor deze dag. Pas later in de middag belde ik haar op. Na vieren gingen we nog naar Artis en toen ze 's avonds bij mij te kennen gaf graag te blijven zei ik tegen mijn zin okee. Ze vertelde later dat ze alleen maar lekker naast elkaar had willen liggen. Ik had het gevoel gehad dat ze verwachtte te worden klaargemaakt. Enigszins geforceerd zonder sexueel gevoel besloot ik dat we maar moesten gaan slapen. Ik vond dat ik me onvoldoende kon bewegen in bed en lichter sliep en was eigenlijk vijandig. Nadat ze vroeg was vertrokken om te gaan schoonmaken op kantoor probeerde ik vergeefs nog wat slaap te vatten. Dit was de laatste keer dat wij samen sliepen.

Ik had op het schoolbord op mijn WC een doodskop getekend met doodsbeenderen als stralen er omheen. Zij had ogen en botten ingekleurd en er onder geschreven: "Iets leuks, iets leukers, iets leukst. Leven en dood, de zon verteert, het vlees van het bot, een schampere lach. The sun laughs: this fool thought he'd survive!"

De volgende dag 2-10-85 bezichtigde ik voor het eerst Belinda's nieuwe bovenverdieping. We zaten te kouten voor het open raam. Ik verontschuldigde me voor mijn bemoeizucht wat betreft stroomdraden, maar Belinda riep dat ik juist betrokken was.

Woensdag 4-9-85 voel ik me de hele dag koud, gevoelloos en saai. Dit is het afwezigheidsprobleem waarbij ik me zo opgesloten voel raken dat ik bang ben in een gekkenhuis te zullen belanden.
's Avonds was ik met hetzelfde impotente, impulsloze gevoel bij Belinda. Ik dampte uit verveling, maar vond de rook vies. Feitelijk wist ik niets om over te praten en zat er aan te denken wanneer ik weg zou gaan. De bel ging. Het was Nelis, de frauduleuze autosloper die onverwachts uit Nijmegen kwam aanrijden.
"Dat is niet zo slim van je," lachte Belinda. "Ik had me er nogal op verheugd om je te zien," bekende de man met een brede grijns die zijn rotte tanden toonde. Belinda bloosde.

Hij stoorde zich niet aan mij en begon honderduit te vertellen omtrent zijn gestorven dochtertje, zijn ex-vrouw die nog een popje van het kind had gevonden en wel erg zal hebben moeten huilen. Ik maakte van zijn aanwezigheid gebruik om er tussenuit te knijpen. Ik kon het doen voorkomen als een gepaste beleefdheid. "Prettige avond," wenste ik hen hoffelijk toe, en dacht er achteraan dat dit misschien wel zou betekenen dat mijn afwezigheid hen uitstekend in de gelegenheid zou stellen om te gaan vrijen. Ik vond mezelf een lul die zijn meisje laat afpakken door een gozer die gewoon binnenkomt wanneer hem dat schikt zonder noemenswaardige notitie van me te nemen.
Later vertelde ze dat ze met een hele goeie vriend uit Nijmegen naar bed was gegaan, waarop ik antwoordde dat dat me niet verbaasde.

De volgende dag 5-9-85 op mijn werk voel ik me nihil en ziek. Na een telefoongesprek met mijn levenslange vriendin Lineke neem ik aan dat het psychisch is. Ik zei tegen haar dat ik nu iets moest gaan doen. Namelijk Rebirthing-therapie, en ik beweerde zelfs met het ontzag van iemand die zijn les geleerd heeft, dat ik tevens op zou houden met intensieve computerstudie.
Die avond hielp ik Belinda met spullen verhuizen. Het koude afwezige gevoel trok geleidelijk aan weer sterker in me en ik verliet het pand met een wazig, nietswetend gevoel - beschaamd dat ik haar zo weinig had te bieden van een vitale levensgeest.

Zaterdag 7-9-85 koop ik met Belinda een nieuwe geiser, in de bus van mijn baas, en sluit hem ook nog aan.
De volgende dag doen we de kachel naar boven en ruk ik stofvretend de oude rieten vloerbedekking los op haar te verlaten etage.

Op 9-9-1985 bezocht ik samen met Belinda de introductie-avond Rebirthing van Swami Prem Aurobindo, waar zij wegens geld tekort nog maar 1x kwam, doch waar ik mijn hoop voor genezing op vestigde.

De volgende dag sloot ik de kachel aan terwijl Belinda naar school was. Ik hielp haar met haar nieuwe huis vanuit het gevoel dat ik immers haar vriend was, maar ook vanuit een behoefte aan compensatie voor hetgeen ik haar voelde te onthouden. Toen ik klaar was kwam zij thuis en vond het gezellig mij nog aan te treffen.

Zaterdag 14-9-85
Op weg naar mijn kunstvriend Frits Lindeman belde ik Belinda op vanuit Bergen op Zoom en zei: "Voor de goede orde wil ik even zeggen dat ik niet thuis ben."
Later zei ze dat het "voor de goede orde" haar een gevoel gaf van: wat hebben we nou eigenlijk voor een relatie?
Gelijk had ze wel: ik had gewoon geen zin gehad eerder van me te laten horen dan vanaf Bergen op Zoom.

Op vrijdag 27-9-85 keken Belinda en ik TV in haar nieuwe bedhoek. Ik was te laat gekomen door een lekke band. "Zal ik bij je blijven slapen?" Ik had een warm aanminnig gevoel naar haar toe. Maar ze vond zich vanavond niet gezellig om mee te slapen. Ze had kennelijk een afzijdig gevoel zoals ik dat ook pleeg te vertonen. Pas toen ik al buiten stond zag ze in dat ik geen fiets had. Ze bood aan dat ik terug kwam, want zij zou toch wel meuren, maar ik rende nu liever naar het station.
De zondag daarop verrekte Belinda haar linker knieband met dansen in Arnhem. De volgende dag reed ik haar op de fiets naar de huisarts toe.
Ik heb het gevoel dat ik haar met deze invaliditeit verder een beetje heb laten stikken. Bijvoorbeeld op 4-10-85 bleef ik tot laat op kantoor zitten, en tobde over de vraag of ik haar op moest bellen. Ik probeerde te ontdekken of ik ergens zin in had. Er was iets wat me tegehield: eigenlijk niet goed weten waarover te praten en een gevoel dat er niets van me uitging.
Ik voelde me ook zo vaak moe, gebroken, eenzaam, opgesloten: een geestvernauwing waarin de omgeving, zelfs vertrouwde mensen, ver weg waren.

Op 10-10-85 moest ik er opnieuw heel lang en moeilijk over nadenken voor ik Belinda tenslotte wel belde. Haar vraag of ik nog langs wou komen beantwoordde ik met te zeggen dat ik dat niet bedoelde.

Op 11-10-85 ging ik met Belinda eten in de Golden Crown. Nu had ik het gevoel dat er voldoende stof was om mededeelzaam te zijn. Zij is heel wel bereid te luisteren en het gesprokene in overweging te nemen. Maar stel dat er geen dingen van de dag zijn, dan resteert er niet een spontane, stevige aankleving met spraakwater tussen ons, zoals ik die dan nog wel heb met Lineke, overwoog ik. Toen we terugwandelden in het straatje bij Belinda's huis vroeg ik haar vanuit de hoop toch iets echts met haar hebben en vanuit een vage vrees, om de volgende avond met me naar de film te gaan (zodat ik haar al weer heel snel zou zien).

Dus 12-10-85 bezochten we Flesh and Blood (met Rutger Hauer) en op weg naar huis probeerde ik hand in hand te lopen, wat ik niet meer had gedurfd, omdat ik me in feite al lang beschaamd voelde, en daarom niet tegen beider beter weten in zo maar durfde te veinzen dat we nog een vitale relatie hadden. Maar tenslotte probeerde ik het toch en voelde dat ze haar hand in haar wollen mouw verborg, tegen de kou.
Bij haar thuis begon ze met enige zelfoverreding: "En dan nog een onderwerp..."
Het zou wel gek zijn om er over te zwijgen als ze niet hand in hand wilde lopen. Ik vroeg of ze goed met hem had gevrijd. "Waarom vraag je dat?" "Nieuwsgierigheid." Ik voegde er even later aan toe dat ik zelf een gebrek aan sexuele belangstelling was gaan vertonen, overigens voor wie dan ook. Dus dat ik me nu kennelijk zelf terug trok. Ik zei dat ik de nieuwe ontwikkeling derhalve wel had verwacht. En dat ik rondliep met het gevoel: NU begrijp ik het niet meer.
Belinda zei te hopen dat ze me niet als vriend zou hoeven te verliezen. "Want ik ben heel gek op je hoor." Na enig afwegen zei ik dat ik ook gek op haar was, dat ze aandacht had, eerlijk en niet-claimend was.
Ze gaf me dus te verstaan dat ik als minnaar was uitgespeeld, maar die realiteit was nog niet van mijn brein naar mijn hart gezakt.

Dat gebeurde toen ik de woensdag 16-10-85 daarop, Belinda belde om te vragen weer eens te gaan eten. Het happige geluidje dat daar in de regel spontaan bij wordt ontlokt liet op zich wachten. Ze bedacht zich. Zei toen: "Kunnen we volgende week wel doen ja."
Ze ging namelijk naar Nelis en in het weekend naar haar moeder (die leed onder een ruishart). Toen ik de hoorn had neergelegd, op mijn werk, boog ik het hoofd.
Nu voelde ik iets echts: een fysiologisch alarm. Deed dit me meer dan welke liefdesbereidheid ook? Was ik echt die perverse gek die zichzelf pas als een eenheid beleeft op het ogenblik dat zijn onheilsverwachtingen worden bewaarheid? Inderdaad, de wereld begon weer te kloppen: ik werd niet meer aantrekkelijk gevonden. Ik zat alleen nog met de waarheid dat zij mij wel aantrekkelijk gevondend HAD, van ganser harte zelfs. Had ik daarom mijn eigen hinderlaag opgebouwd om er vandaag of morgen in te storten?

De volgende dag voelde ik me verzwakt door het besef dat ik het met Belinda liet mislukken. Dikke bult. Verlammende, knevelende spanning met de toonkleur van mijn thuisland: de muziek van het verlies. Mijn brein was zo kien dat ik constructies kon maken als: je bent een fundamentele verliezer, door scriptbevelen van je opvoeding, en je creëert je eigen nederlaag, het liefst bij personen die jou niet willen. Als het niet anders kan bij personen die je alsnog  niet willen. Maar mijn brein was niet zo kien dat het dit ook kon voorkomen.
Een halve dag later verwierp ik die constructie weer. Dan ging ik er gewoon vanuit dat ik uiteraard het liefst gelukkig was met een vriendin, maar dat ik me tegenover Belinda mijns ondanks ambivalent heb opgesteld en dat het daarom misging. Die middag haalde ik een nieuwe bedrijfsbus voor mijn werk van een garage te Aalsmeer (met dieselmotor) en betreurde dat ik zo een afwisselende leuke baan niet kon uitoefenen tegen de achtergrond van een gelukkige liefde.
Weer op kantoor aangekomen telefoneerde ik een uur lang met Lineke over Belinda en registreerde het gesprek op een speciaal daarvoor gekochte cassettetape.

Op maandag 21-10-85 belde ik Belinda om te zeggen dat de eetafspraak voor die avond een vergissing was want ik moest naar Rebirthing. Ze haastte zich een reden te noemen waarom ze ook niet kon: lesgeven, werken in huis. Het liefst maakte ze helemaal geen afspraak. Ik zag haar woensdag wel als ze weer schoon kwam maken.
"Ik hoop dat ik goed flip vanavond," zei ik, bedoelend: te worden geconfronteerd met verdrongen pijnen.
"Nou flip ze!" wenste ze me toe. Ik hoorde hier de impliciete boodschap in: als je zo stom, cynisch en masochistisch bent om zelf te willen flippen dan toon ik ook geen respect.
"Dank je!" zei ik. Ze begon op haar royale toon om het stijleffect te lachen. Maar ik lachte niet mee.

Voor we neerlegden verbeterde ze zich nog: "Ik wens je een heel goeie Rebirth-avond."
Ik flipte inderdaad: Aurobindo was ziek. Langzaam fietste ik huiswaarts, voornemens om dan maar alleen te Rebirthen. Een unheimisch gevoel hield me echter tegen. In plaats van te rebirthen rukte ik me af, maar het gaf geen release. Toen mijn sperma spoot zei ik tegen mezelf: "Alsjeblieft, je FAKE."

Ik viel in slaap en werd zwetend wakker. Na een uur ging ik uit bed en vroeg me af hoe erg ik Belinda had laten stikken. Ik pakte mijn dagboek en telde de ontmoetingen: gemiddeld 1 in de 3 dagen.
Ook pakte ik haar foto. Ik hoopte er wijzer uit te worden wat ik precies voor haar voelde of met haar had of waar ik bang voor was. Ja voor blokkade. Niet van dezelfde lading zijn. Ik keek naar haar ogen.
Er klopte iets niet. Ik wilde haar heel lief vinden maar zij was een heks of een karatekat. Je kon haar aaien maar als ze krols werd haatte ze angst voor 'screwing'.
Ze had ook een hoog voorhoofd en een geest als een kathedraal die al veel ouder was dan haar leven. Was dat waarmee ik dealde? Waarom keek ze zo stug? Met godsdienstige onbuigzaamheid. In haar ogen het koudvuur van een lynx. Een vergeestelijkt wezen zwanger van primitieve ontvlambaarheid die ze koesterde. Uiteindelijk kreeg ik niet het gevoel wijzer te worden van de foto.

Geconfronteerd met het gevoel van innerlijk niet uitkomen, zoals elke morgen, stelde ik het opstaan nog een paar uur uit. Het was een milde consideratie van mijn lot dat ik werk had dat hier elastisch in mee kon veren.
De volgende avond, dinsdag 22-10-85 deed ik thuis wel Rebirthing. Wat vervelend als je net bent begonnen een blaasbalg van je longen te maken, om de lucht heen en weer te zuigen. Maar gelukkig ging de drug wel werken. Ik begon te snikken. "Dit is gewoon huilen," dacht ik. "Dit is niet het diepe, autonome huilen van Rebirthing." Toen ik in de spiegel op de muur keek zag ik dat mijn gezicht toch vertrokken was in de karakteristieke grimas van Rebirthing en dat ik op die manier huilde. Ik ging overeind zitten en probeerde de zakdoek van de plank te pakken maar mijn handen waren al helemaal verkrampt. Ik had behoefte, terwijl ik verder huilde, mijn hardgevroren klauwen als een klein kind voor mijn ogen te houden.
In scheutjes vertoonde zich gevoel. Ik huilde over Belinda. Er werd ook bij gedacht, namelijk dit: "Waarom mag ik mijn hele leven al geen warm mens zijn? Ik voel nu toch ook! Ik heb heus wel spontaan warmte! Waarom mag ik daar niet van leven? Waarom voel ik me met Belinda zo vaak leeg? Ik ben heel vol! Ik ben ook een warm mens."

Ik zag herinneringen uit alle tijden waarin ik het probeerde, ondanks mijn schraalheid, om spontaan te zijn en waarin ik desnoods veinsde. En ik zag in gedachten Belinda. Wat een lief gezicht. De waarheid deelde zich mee als zacht verdriet. Na een uur huilen voelde ik me een stuk heler.
Ik stond op en ging eten, waarbij mijn gebruikelijke gedachten en onmachtsgevoelens zich haastten om hun stellingen in mijn hoofd weer te bezetten.

Woensdagmiddag 23-10-85 op mijn werk voel ik me gekneveld, bijna misselijk, in ademnood. Ik trek mijn jas aan en mompel tegen mijn chef: "Ben even een boodschap." Hij zend mij een wantrouwige blik. Ik loop als een zombie over de Rozengracht en eet mijn appel. Het voelt als een droge smakeloze massa die ik wegkauw. Ik heb het gevoel dat mijn levensgang door een rijstebrijberg van problemen voert. Altijd altijd problemen die mijn brein belasten. Altijd proberen te doorzien, te verhelderen, te analyseren. Altijd de samenhang zoeken en de release. En als het niet mijn eigen problemen zijn dan die van anderen of zelfs van de maatschappij of de derde wereld. Steeds sterker het gevoel dat wij met zijn allen, maar in elk geval ikzelf, lelijk, lelijk in de stront zitten weg te zakken.

 

 

Gisteravond stond ik voor de spiegel en dacht: stel dat dit denkmodel niet klopt en dat er helemaal niet alleen maar psychische pijnen naar buiten moeten komen om te genezen, maar dat ik gewoon defect ben en kapot ga en genadeloos gek aan het worden ben... Het denkmodel temt de wanhoop. Als ik geen denkmodel had zou ik helemaal niet weten wie ik was. Waarom die alarmgevoelens nu Belinda niet meer wil? De verhouding had toch al lang gebrek aan vlees en bloed? Ligt de werkelijke zin van mijn bestaan soms in het archetype van het verlies?
Want ik voel een ontzetting die niet past bij de mate waarin de verhouding bevredigde. Ik zie zelfs allerlei beelden van her en der uit mijn leven, verjaardagen, wandelingen, waarin ik stuk voor stuk bezig was met wachten en uitstellen en mijn onheilszwangere innerlijk te dragen. Door de bank genomen was ik altijd meer bezig met illusies dan met werkelijke bevrijding. Allemaal situaties waarin ik leed onder het gemis aan een "vriendin", mij onbekend wie. Opkomende zeepbellen zijn het die elk op hun beurt één filmbeeldje weerspiegelen. Toen en toen had ik ook het gevoel van ik hou het niet meer uit, ik wil er uit!
Het zou kunnen dat het helemaal niet om Belinda gaat, maar om een beschilderde wand waarin een een silhouet is uitgezaagd, waar dus iedereen in kan stappen. Steeds voel ik me losgescheurd van de persoon die daar in heeft gestaan, terwijl het in wezen gaat om de beleving van een oer-scène.
Ik lijd ineens aan alle verschijnselen van rouw terwijl ik nota bene nauwelijks meer met Belinda had dan een soort aanminnige amicaliteit. Wat is dan het wezen van het electrisch alarm dat mijn organisme onder spanning zet nu Belinda heeft laten merken dat ze juist niet meer dan dat verwacht?
In die verlammende misselijkheid kan ik niet verder doordringen dan door hem te verdragen. Als ik mijn geheugen verloor en niet wist waardoor, hoe zou ik dat dan verklaren? Als uitgewerkte verdoving na het verwijderen van mijn hart. Het losgescheurd zijn van een wederhelft, zoals ik dat immers mijn hele leven al ben?
Als het waarnemend, denkend bewustzijn een voedingswortel heeft voor energie en creativiteit, dan is dat de wederhelft waarvan ik ben afgebonden en dan zal ik die in een geliefde ook altijd zoeken omdat ik daar bevrediging en bevrijding verwacht (die Belinda juist uit had willen wisselen).

Dan zal iedere breuk daarom aansluiten bij mijn onvermogen tot leven en mijn oerscène vormen.

Mijn gebrek aan inspiratie toen ik haar had heeft plaats gemaakt voor overwaardering nu ik haar kwijtraak. Als je zo'n prachtig meisje verliest, met zo'n veelzijdige, rustige geest, zo zelfstandig en aantrekkelijk, dan heb je het wel gehad.

Terwijl ik doorwandel tot de Marnixstraat met een ijzig niemandsland tussen mij, de heldere herfstlucht en de blauwe hemel, taxeer ik de passerende vrouwen als ware ik weer to have. Het valt me op hoe ellendig grauw, lelijk, neurotisch en onaantrekkelijk zij zijn. Zeker ook de bevalligsten vervullen mij met walging en verveling. Er is er van Belinda maar één.
Ik heb mijn best gedaan de puzzel correct te leggen en zij is het stuk dat ik overhou.

BELINDA KOMT SCHOONMAKEN MET NIEUWE MINNAAR.
's Avonds om vijf uur zitten Kurt en Klaas nog te praten. Ik word onrustig omdat Belinda zo zal komen. Ik verlaat mijn werkplek, ren een paar kilometer door de stad, koop bier en ga weer achter mijn bureau. Ik zet het raam wijd open, net als toen ze voor het eerst verscheen. Nu is het om deze tijd al bijna donker.

Het laatste oranje licht flakkert tussen de takken, die al zwart zijn, en schijnt op het glas, waar het goed gereflecteerd wordt dankzij vuil en krassen. Als avondlicht op het toneel zo flakkert dan zeg je dat is niet natuurlijk. Ik luister als een kat. Gekraak in het pand, stootgeluiden van vrachtwagens, zacht hees geloei van claxons op de gracht.

Kwart voor zeven klinken er stemmen op de trap. Daar is zij. We knikken welgemoed. Ze draagt een helgeel hemd dat ik nog nooit had gezien en ze wordt onmiddellijk gevolgd door die Nelis. Ik voel een zweepslag van schrik omdat ze dus verpletterend benadrukt hoe voorbij het tussen ons is.
"Ben je daar al?" zeg ik geforceerd olijk. Ze slaakt verbaasde uitroepen dat de muren zo wit zijn geverfd in de tussentijd. Ik weet me geen houding. Ik sta op met de bedoeling hen op een of andere kwasigepaste manier te begroeten. Terwijl ik om mijn bureau heen loop kijk ik even naar links, zogenaamd om te zien waar ik loop, maar in werkelijkheid om een grimas van beschaming die ik over mijn gezicht voel schaduwen af te wenden.
Ik geef hem een hand en haar een kus en ga weer zitten. "Kom je helpen?" vraag ik hem met opvallend relaxte stem. "Ja, je kunt een invalide hier toch niet alleen laten werken."
Dat vat ik op als een impliciet verwijt, omdat ik haar met schoonmaken nooit heb geholpen. Er blijkt ook uit hoe ondubbelzinnig hij als minnaar aan haar zijde staat. "Als we het raam open doen is het voor jou misschien lastig," zegt Belinda. "Nee hoor, ik heb tot nu toe gewerkt," zeg ik, alsof ik niet in feite op haar heb gewacht, "en nu ga ik naar huis!"

Meteen gooit Belinda de ramen open. "Nou ik ga beneden beginnen," roept Nelis. Belinda rept zich naar de kamer van de directeur en begint met de stofzuiger over de morsige vloerbedekking te boenen. Ik besef dat ik kan weglopen maar ook nog wat doen. Ik besluit te zeggen: ga je nu met hem? Ik trek mijn jas aan en pak mijn tas en ga dan naar Belinda. "Heeft hij dit al eerder gedaan?" vraag ik. "Nee hoor het is de eerste keer."
"Ga je nu met hem?"
Deze vraagt brengt haar wat van haar stuk. Zwijgend wendt ze zich zijdelings af en stofzuigt verwoed een spreekkamertje.
"Waarom zeg je niks?"
"Het is een beetje een lullige vraag."
"Het is maar een vraag hoor..."
"Ja het is een vraag."
"Je hoeft er geen antwoord op te geven." Haar gezicht staat stuurs. Ze vindt het een gekke vraag, maar voegt er aan toe: "Ik vind mezelf een kreng."
"Neem me niet kwalijk," sus ik maar. Als ze niets zegt weet ik niet beter dan: "Nou, tot kijk." Ook hierop zwijgt ze en stofzuigt stug. "Wat is er?" wil ik dan weten, omdat haar zwijgen in dit geval een boodschap bevat, die ik echter onduidelijk vind.

Ze zegt: "Nou ik vind het vervelend dat je in deze aangedane toestand vertrekt. Je voelt je heel erg klote, dat is je duidelijk aan te zien." Ik knik. Mondjesmaat raap ik moed bijeen om te vervolgen: "Ik beschouw het als mijn eigen mislukking... mijn eigen schuld." Belinda knikt kort. "Ik heb gemerkt dat het wat jou betreft uit is," zeg ik. Ze zegt "ja". "Ik heb heus wel gemerkt dat je dat aangeeft, sinds vorige week woensdag."
Ik haal diep adem en trek mijn schouders even op. Vervolg dan: "Ik ben de laatste tijd in alles geblokkeerd, ook in relaties. Dus ik vind het redelijk, wat er gebeurt." Ze knikt. "Maar ik heb toch de normale betrokkenheid." Ze staat met de stofzuigerpijp in haar handen en zuigt niet door maar de motor blijft draaien. Dat we zo moeten praten, denk ik. "Ik moet toch de normale rouw doormaken," ga ik verder, "daar ben ik heel erg mee bezig. Daar heb ik het erg moeilijk mee, al klinkt het misschien gek." Ook op dit laatste zegt ze ja. We staan nu besluiteloos in de gang bij de gonzende zuiger. "Misschien had ik hier beter niet kunnen zijn," stel ik, "maar ik dacht dat we een afspraak hadden." Ze doet een stap achteruit en kijkt opzij. "Ja, we hadden ook een afspraak. Maar ik heb lang doorgewerkt in mijn huis want dat moet eindelijk af. Daar heb ik hulp bij nodig. Dat kan ik niet alleen."
Later zal ik het een rotstreek vinden dat ze me zo behandelt, maar op het moment heb ik geen primaire reactie klaar. Ik lach naar haar. Dat betekent: vind je het ook zo'n toestand? Ze laat met enig aarzelen de stofzuigerslang los en omarmt me. Ze zegt iets tegen me. "Wat zeg je?" vraag ik. Ze herhaalt: "O mennetje."
Zie ik er uit als een kleine jongen? Als een omarming plaatsvindt na het breken van de betovering, lijkt het weer heel even of het weer aan is. Ze laat me snel los en zegt: "Je bent gewoon een goeie vriend van me."

Ik denk even dat ze zal zeggen: een goeie vriend geweest. Ik vraag me meteen af, of ik als goeie vriend zou kunnen blijven functioneren dus ik antwoord: "Dat zal de toekomst leren, hoe dat moet."

Nu is het afgelopen. Ik zie Nelis, die kennelijk weer aan kwam lopen, zich van ons verwijderen en naar beneden gaan. Ik ga ook.

Op de trap kom ik hem weer tegen en zwijg. Wat een walgelijke werkelijkheid. De boodschap die ik er uit lees: "S.v.p. even niet denken dat je al pluis bent Heins - je worstelde toch met een problematiek en je bent toch in therapie en je dacht toch voor je met Belinda ging dat je beter helemaal niet aan een relatie kon beginnen zolang je nog niet veranderd was? Pak aan, hier komt bewijsstuk A de trap op om aan te tonen: jij bent niet pluis."

Het valt me steeds op hoe ik gelijk een robot gewoon kalm doorfunctioneer op mijn werk. Je kan alles blijven doen, niemand merkt kennelijk iets maar je loeit van ellende met een gemoed van vloeibaar lood, gloeiend en tegelijk verpletterend kwijnend. Als er niemand aanwezig is het hoofd heel diep laten zakken, hoog stemhebbend zuchten, niet diep genoeg kunnen inademen, heel hulpeloos kinderlijk zijn.

Ik heb eens een rijksdaalder geleend aan iemand die hem, bij het teruggeven, voor de grap verhitte. Ik liet het stuk metaal toen van mijn ene hand in mijn andere vallen, te heet om vast te houden. Zo doe ik ook met mijn realiteit over Belinda, want die is een vijandige duivel in mijn web. Ik spin hem in met mijn gedachten. Met Krishnamurti zeg ik nu: denken is afleiding. En meer dan om de inhoud is het schrijven als bezigheid verdacht: het dwangmatig vervormen van de werkelijkheid naar rationele en literaire normen. Dat is wat mij op gespannen voet met het eigenlijke leven doet staan, maar tevens wat me in evenwicht houdt met mijn lot.

De volgende avond komt Belinda weer boven om schoon te maken.
"Zeg, heb jij dat gedichtje doorgekrast?" vraag ik en wijs naast mijn bureau op de muur:

When I am dead
I hope it may be said:
His sins were scarlet
but his books were read.

"Nee dat heeft Nelis gedaan."
"Waarom?!"
"Hij is gewoon heel jaloers."
"In zijn positie? Bedoel je dat hij jaloers is op mij..? Waarop!"
Ze staat nu in mijn hoekje en is bereid nader met mijn gedachtengang te dealen. "Ja, waarop? Op wat ik misschien nog met je heb... op wat ik nog met je had."
"Ik vond het heel interessant dat het was doorgekrast. Het leek me voor jou te agressief, maar ik wist niet wie dan wel. Waarvan kende hij dat gedichtje dan?"
"Van mij natuurlijk," zegt ze, en kijkt of er iets niet klopt.
Juist omdat het gedichtje van haar komt was Nelis toch jaloers? Ik besef dat ik me slecht kan voorstellen hoe zij dit Engelse gedicht schenkt aan een autosloper.

Ik denk er weer aan hoe ik haar en Nelis afgelopen vrijdag toevallig onder de Westertoren tegenkwam. En hoe impliciet tartend ik hem vond, toen hij in mijn bijzijn tijd inruimde, om liefkozend een haar van haar linker slaap te verwijderen.
"Ja hij is gewoon heel bezitszuchtig."
"Benauwt dat je niet?"
"Ergens wel maar ik vind het ook wel lekker."
"Ja het geeft je natuurlijk het gevoel dat hij echt voor je kiest en dat je veilig bent maar aan de andere kant kan het je ook wel in je bewegingsvrijheid gaan beperken."
Het valt me op dat ik de begrijpende partij speel, dat ik vragen stel en dat zij bereid is zich daardoor te laten leiden.
"Is hij verliefd op je?"
"Ja."
"Wil hij met je trouwen?"
"Ja."

Ze vraagt of ik wat te roken heb. Alleen mentholshag met de verraderlijke naam Evergreen.  Ze stemt er zelfs tegen haar gewoonte mee in dat ik de sigaret voor haar draai.
"Ik zal me zo goed mogelijk bij je aanpassen," geef ik commentaar, "en hem draaien op een Belindamanier en het teveel tabak er aan het eind aftrekken."
Ik ga door met het stellen van indiscrete vragen: "En wil hij kindjes krijgen?"
"Ja."
"Dacht ik wel."
"Waarom dacht je dat wel?"
"Omdat hij een vrouw en een kind verloren heeft en omdat kindjes krijgen jou aanspreekt. En omdat hij zich heel ondubbelzinnig opstelt als een minnaar."
Ze lacht knikkend.
Ik vraag: "Heb je je bedenkingen tegen hem overboord gezet?"
"Ten dele..."
Kwetsbaar en met warm ontzag voegt ze er snel aan toe: "Maar ik ben heel gek op hem hoor."
Belinda is inmiddels bezig het schennerswerk dat hij aan het gedichtje op de muur begonnen is met haar nagel voort te zetten.
Ik wil weten: "Heb jij nou eigenlijk de afgelopen tijd opeens een beslissing over mij genomen dat je niet meer wilde? Want op 12 oktober toen we naar de film gingen leek het nog vrij normaal..."

Ik vraag me af of dit op weg helpen niet schoolmeesterachtig zal worden gevonden en averechts uit zal pakken. Maar ik doe het omdat ik zo graag haar gedachten wil weten. En omdat ze in dergelijke gesprekken vaak zwijgzaam gaat talmen. Dan lijkt ze even weinig loslippig te worden als een communistische ambassadeur.
Belinda begint moeizaam te vertellen dat je een relatie met iemand begint, dat bevalt niet, dan wordt je verliefd op een ander...: "Toen ik zei nog wel vriendschappelijk omgaan, toen zei ik dat wel, maar ik weet helemaal niet of ik dat kan... Het is wel zo... ik heb heel veel sympathie voor jou..."
Ik kijk haar onderzoekend in haar ogen. "Dat geloof ik wel, omdat het aansluit bij mijn ervaringen met je... Ga je met hem trouwen?"
"Misschien."
"Ja, het lijkt me wel dat hij zich inderdaad heel positief opstelt en dat hij je heel royaal helpt, zelfs op kantoor, en een hele week in huis. En alle positiefs dat op je afkomt... dat wens ik je van harte toe..."
Belinda kijkt een beetje of dat haar meevalt en knikt.
"Maar ik ben natuurlijk ook heel kwaad," vervolg ik, "al zal ik je heus niet gaan verwijten dat je het uitgemaakt hebt..."
Ze kijkt nu of ik een ongerechtvaardigd standpunt ter tafel begin te brengen maar die uitdrukking verdwijnt meteen als ik vervolg: "...want daar heb ik helemaal geen gronden voor, dus ik zal mijn woede alleen op een bespiegelende afstandelijke manier meedelen, maar ik ben natuurlijk heel woedend..."

Al sprekend vind ik tegelijk dat ik achteraf makkelijk praten heb. Ik zit op mijn bureau. Belinda's been is al weer zo hersteld dat ze op haar knieën op mijn kantoorstoel kan zitten. Ze manipuleert haar sigaret tegen de asbak om de as er voorzichtig af te duwen, zelfs met haar vingers.
"...en ik ben ook jaloers. En ik voel me ook heel lullig, als bij een nederlaag. Ik voel me een verliezer omdat ik vind dat ik je zo weinig te bieden had, ik voel het als een mislukking... Jij hebt mij getroffen in een ongelukkige fase."

Terwijl ze probeert hoe goed mijn pakje shag open en dicht kan verklaart ze: "Ik ben een wriemelaar. Dat komt doordat ik zenuwachtig ben." Ik vind eigenlijk dat ze zich daar niet voor hoeft te verontschuldigen. Ik weet niet beter te zeggen dan: "Ja hoor, begrijp ik wel!" Ze lacht. "Wil je een halve appel?" vraag ik.
"Nee."
"Wil je een boterham?"
"Nee."
"Wil je drop?"
"Ja."
We steken het allebei tussen onze tanden. "Taai," vindt ze. "Ja, lekker hè?"

Dan verklaart ze: "Ik denk er over om uit Amsterdam weg te gaan."
"Why!?"
"Ach, ik kwam hier om op school te gaan en dat is nu afgelopen. En lesgeven lukt niet erg."
"Waar wil je dan heen?"
Ik neem aan Nijmegen. Waarom aarzelt ze zo dit antwoord te geven? Als een schoolmeester die het zelf al weet wacht ik af. "Naar het buitenland?" help ik. "Nee...! Nijmegen! Ik hou heel veel van wandelen in de bossen. Amsterdam is alleen maar stad. Dat staat me sinds juni een beetje tegen."
"Neem maar geen overijlde beslissingen!" komt spontaan uit mijn mond. Ze hapt meteen: "Ja... dat lijkt me een erg goed advies!" Dat bevestigt de reserve die ik bij haar voel.
"Wat doet hij ook al weer?"
"Autosloper, en chauffeur."
"Ja ja, nog steeds dus. Dus hij sloopt auto's en hij werkt ook voor een bedrijf. Hij is bemiddeld hè."
"Ja een heleboel zwart geld. Dat gaat zo bij dat volk. Maar nu zit de belasting achter hem aan, dus het is maar de vraag of hij er veel van overhoudt."
"Wat heeft hij vroeger eigenlijk gedaan?"
"Hetzelfde. Hij is echt een jongen van de straat."
"Ziet je moeder hem zitten? Hij praat niet als een doorsnee vrachtwagenchauffeur. Maar ja, hmmm, ik vraag me af wat je precies met hem hebt, vandaar dat ik vraag wat deed hij vroeger, omdat ik me afvroeg wat voor opleiding hij had of zo, hmmm, kan je dan eigenlijk wel je geestelijke belangstellingen met hem uitwisselen?"
"Ach moet je dan alles uit kunnen wisselen?"
"Nee maar je moet wel genòeg uit kunnen wisselen." Wat ze ook vindt.

Even later vervolg ik: "Ik schrijf natuurlijk heel veel op. En daar voel ik me ook heel eenzaam bij. Daarom zou ik je er deelgenoot van willen maken. Gewoon van: moet je dit eens lezen. Zal ik het je geven, de tekst van wat er nu gebeurt?"
Ze kantelt haar hoofd opzij en denkt met gesloten ogen na, terwijl ze kijkt of ze vredig slaapt. Dan blikt ze omlaag en blijft zo lang dralen dat ik al begin aan te nemen dat het antwoord ontkennend luidt.
"Ik vind dat ik me gek gedraag," verklaar ik, "daarom zou ik willen dat jij kan zien hoe dat bij mij van binnen verloopt."
"Nu niet," besluit ze, "misschien kan ik het nog niet verwerken."

"Okee, niet vandaag dan, niet morgen, over hoeveel jaar? Vijf of tien wisselingen van zomer en winter moeten kunnen..."
Ze zwijgt, waarop ik vervolg:
"Ik ga met alles akkoord, wat wil je. Begin volgende eeuw??"
Ze deelt me mee: "Je bent heel belangrijk voor me geweest."
Ik besef terdege dat ik "geweest" versta als de tekst van een requiem.
"Nou ik ben blij dat je dat zegt... Maar waarom precies?"
"Ja, waarom... Omdat ik iets van jou heel erg nodig had. Iets wat jij me kon geven. Je kalmte en aandacht... Geloof je dat?"
"Ja want het sluit aan bij wat je van de zomer hebt gezegd: dat je me aantrekkelijk vond om mijn nuchtere afstandelijkheid gepaard aan emotionele betrokkenheid."
Ze knikt.

Geleidelijk begin ik het gevoel te krijgen dat de gespreksstof uitgebrand raakt. Ze neemt nog een sigaret en ik neem er ook nog één.
Ik houd met twee handen haar schouders vast en zeg: "Ik ben heel blij dat we hebben gepraat."
Ik kijk haar een tijdje recht in de ogen. Ze kijkt terug met waakzaam vertrouwen, humor en acceptatie. "Het beste," zegt ze. "Hjaahh..." lispel ik, het beste!" Ik trek een pruilmond. Ze moet lachen.
"Nou daag!" roep ik en sla mijn armen om haar heen, wat ze beantwoordt.

Terwijl ik haar in mijn greep houd denk ik aan onze eerste omarming voor het open raam onder de westertoren en voel evenals toen mijn benen trillen.
Onder de granietlaag van mijn bewustzijnsdrempel voel ik levensbloed waar ik niet bij kan. Een besef dat ik emotioneel zou moeten zijn maar dat het niet uit de verf komt. Ik kan niets anders dan haar te omklemmen en de suizing van mijn innerlijke grot te voelen. Ik ontwijk haar mond met kusjes maar zij de mijne niet. "Zorg maar goed voor jezelf," raadt ze aan. Omdat ik eerlijk gezegd niet weet hoe, weet ik er ook niets op terug maar toch komt er al wat uit mijn mond: "Ja aardig gezegd."

Ik race naar huis, naar Rebirthing en als Aurobindo nog ziek blijkt, weer naar huis. Er is een grote druk van me afgevallen. Energie stroomt door me heen.
Mijn gedachten gaan snel en welgemoed.

 

 

Passerende trams reflecteren een gevoel van geestdrift over mooie trams. Passerende bussen weerspiegelen dankbaarheid voor bussen. Waarom konden we ook al weer niet vriendschappelijk met elkaar omgaan?? Omdat we dan allebei weer te veel naar elkaar zouden gaan verlangen! Dat is nog eens een krankzinnige bak! Betekent dat niet gewoon dat we elkaar terug willen?

 

Zoals je een band kan oppompen zo kun je met zulke redenaties ook een zin aan je leven geven, maar dat betekent nog niet dat het daardoor zinnig wordt.

Ik fiets langs een vrachtauto van een dansgroep. Hoe zou Belinda dat vinden? In een flits hoor ik haar blij kraaien: "Jaaa!" Die ware geestdrift pril als een verlengde groene loot. Ik gun het haar en voel me tekort geschoten, verdrietig.


Het jaar 1985 liep ten einde toen ik mijn Afrikaanse geomantische orakel vroeg of ik haar ooit nog zou zien.
Het antwoord:

 "De vreemdeling zal niet zo spoedig 
 terugkeren als je verwacht." 

*****************************

 

 21e Eeuw 

De vogelspin der technologische voortvarendheid heeft de afgelopen tientallen jaren een web aangelegd dat de hele aarde omspant en alle afstanden korter heeft gemaakt.
Aan de nieuwsgierigheid van mij naar Belinda en die van haar naar mij, kon inmiddels klakkeloos worden voldaan, alleen maar door op internet te gokken met trefwoorden en namen.

9 september 2008

Dag Wim,
 
Wat verrassend om een mail van je te krijgen. Toen ik jaren geleden je dagboekenoverzicht op het internet ontdekte was ik verbaasd over de details die je beschreef, zoveel herkenning!
Enige tijd geleden, ik weet niet meer precies hoe lang, stuurde ik je een mail. Toen je niet reageerde dacht ik dat je onvindbaar was. Reageer je nu pas? Hoe gaat het met jou?
 
Het is 23 jaar geleden, de Amsterdamse tijd, en het voelt als een heel leven geleden. In augustus was ik in de Nieuwe Kerk op de Dam bij de tentoonstelling "Black is beautiful". Daarna liep ik nog even door de Jordaan, erg leuk om daar weer eens te zijn.
Kunst prikkelt, ik hou daar veel van. Kijken en voelen. Alles is mijn verhaal (overdrijving).

En wat liefde betreft: Ik ben al lang gescheiden. Mensen verliezen is moeilijk, maar we kunnen het wel. Stukjes van onszelf verliezen kunnen we niet. Rouw gaat over terugnemen wat je met de ander deelde, want het is van jou.

Een psychiater/vriend zei eens: "Liefde? De meest overschatte emotie!"
Heerlijk, zo'n relativerende opmerking.
 
Hartelijke groeten, Belinda

 

BELINDA KOMT BIJ ME THUIS OP 3/4 JANUARI 2009

Vanaf dat ze om 11.15 op 3-1-2009 over het perron naar me toeliep uit de verte, liepen we meteen hand in hand.
Het lot was goedgeluimd en de sfeer in orde terwijl we door de frisse vrieslucht naar mijn huis wandelden waar ik tien jaar geleden op stand ben gaan wonen.

In de keuken zei ik: 'mag ik je even omhelzen' en 'wow wat ben je mooi' en 'mag ik je zomaar kusjes geven' wat ze allemaal beaamde.
Omdat de elektrische kachel in mijn werkkamer niet op kon tegen de kou, zaten we even later bij de gashaard in de huiskamer achter de wintercomputer. We bekeken op internet wat bijzonderheden over de man waar zij inmiddels lang van was gescheiden: Nelis.

Bij het raam kussend, mijn gecharmeerde woordjes horend, sprak ze uit voorzichtig te willen zijn met zichzelf en met mij.
Ik opende mijn foto-album uit 1985. Ze wees op de foto van haar, liggend op het strandzand in Zuid-Porugal waarheen ik haar had meegetroond, en vond zichzelf iemand die zich egoïstisch alles maar liet aanleunen. Belinda zei nu niet meer zo te zijn.
Ik sprak onder het eten schaamteloos uit dat ze mij in 1985 had uitgevreten, waar ze een schrikbeweging van maakte.

Belinda onthulde dat mijn kantoorchef haar in dat jaar had betrapt in de stad, hand in hand lopend met een Engelse jongen, terwijl hij wist dat Belinda met mij ging. En die blik in zijn ogen, die boodschapte dat zij voor hem haar integriteit voorgoed verloor, die is toen scherp op haar netvlies gebrand.

Ik zei dat ik er maanden mee had gezeten dat ze me nadien geheel negeerde zijnde niet meer nodig.
Later op de avond vroeg ik of ze bleef logeren. Omdat we niets verwachtten of verplicht waren, aarzelde ze even of je om deze zelfde reden net zo goed wel of niet kon blijven logeren, maar concludeerde dat ze dus daarom eveneens wel kon blijven.

Zoals ze de volgende dag zei was ze moe geworden van haar eigen praten over therapie-gerelateerde items waar ze zoals ik zei stampvol mee zat.
En ik antwoordde de volgende dag dat ik haar maar had laten doorpraten maar wel bezorgd was of dit in het vervolg bespreekbaar zou zijn, omdat ze er blijkbaar geen oog op hield of ik het bleef incasseren.
Belinda beaamde in zo'n geval te moeten gaan "mentaliseren", bijna geschrokken dat ze weer over haar therapievak begon.
Aan de andere kant gaf ik wel blijk gretig te zijn naar haar inzicht.

Toen ik zei je bent geweldig, haar knuffelend, meende ze psycho-analytisch gezien "tegenoverdracht" te mogen diagnosticeren.
Ik zei jolig "okee we gaan tegenoverdracht doen" waarop ze wel wat lachte.

Ik was enorm geïnteresseerd in haar relaas over de borderlinetherapieën, waarbij ze zich in de steek gelaten voelde doordat ze de low-level groep qua bewegingsexpressie zonder collega moest draaien (bij een proef met zijn tweeën ging het tijdelijk veel beter).

Dus ze zat na het eten een beetje uitgeput van zichzelf en wat ingekeerd op de bank; we gingen naar een DVD kijken met mijn film over het dementieproces.
Haar commentaar dat de alzheimerpatiënte zichzelf van een vroegere foto niet herkende omdat deze ook toen al niet werkelijk typeerde hoe zij was, vond ik orgineel en helder gezien van Belinda.

Na een douche lagen we naakt in bed wederzijds op onze zij met haar hoofd onder mijn sleutelbeen.
Daarbij was er, vond ze later, "wel een vibratie". Ik voelde mijn genegenheid en liefde uitgedrukt in mijn greep, maar die werd nooit te stevig volgens haar,  omdat ik volgens haar "communicatief" ben.

Ze ontving mijn liefkozingen welwillend ook toen ik haar likte en geleidelijk sliep zij in tot ik apart ging om überhaupt te slapen, tot 8 uur 's morgens, waarna we weer omarmd gingen liggen.

Ze maakte zich zorgen over haar hongerende katten. Rond het middaguur kwam ze even op mijn schoot waarbij ik meteen genoot door de tijdelijke stilling van mijn levenslange honger naar fysieke genegenheid.

Ik bracht haar naar de trein en zei onbesuisd: "Die wolkenkrabber daar is wel een goede zelfmoordtoren vind je niet?"
Ik bedacht dat dit een beetje tactloos kon overkomen, omdat ze niet wist dat ik nog rondliep met een grimmig rouwproces uit de nieuwe eeuw, ook al had ik tevens liefde voor haar.
Ze meende dat je niet dood moest vallen maar op een aanbedene.

Op het perron wachtten we op de trein met de arm om elkaars middel en ik kon niet laten haar schoonheid en aantrekkelijkheid te benoemen. Ze zei nog desgevraagd over mijn zoete woordjes dat iets in haar zei 'doe niet zo mal', maar dat ze dat dan weer "rationeel relativeerde".
Ze beaamde dat ze het "ergens" ook graag wou.

Kernpunt in Belinda's karakter is het item of zij er 'mag zijn'.
Ze heeft me onthuld, toen ze in 1985 een typering gaf bij de litho van Lineke Drost, die ook nu nog aan mijn muur hing, dat voor haar de relevantie hierbij was geweest, dat ze zichzelf durfde laten zien zoals ze was, namelijk met de gevoelde beleving van de litho. Het was toen essentieel dat ze zich bij mij durfde te uiten met een ongekende openheid, namelijk door uit te spreken hoe ze over de litho voelde.

Het komt me voor dat de draad hiervan nu nog steeds kan worden opgepakt en vervolgd.
Wel benadrukt ze soms nu wezenlijk openhartiger te kunnen zijn in vergelijking met de vroegere vergaande geslotenheid, al moet ze daar ook nu nog erg haar best voor doen.
Haar gedachteleven manoeuvreert constant langs psychiatrische thematiek waarbij haar beroep en haar eigen leven vervlochten zijn op denkniveau.

Weer thuis voelde ik me kwetsbaar door kort slapen en uitgeput. Op een tranquillizer sliep ik alsnog. Daarna voorzag ik de pagina Actueel op mijn website van bloederige vuurwerkfoto's, en schreef vervolgens een email aan Belinda, overlopend van liefdesverlangen.

Zonder enige consequenties af te wegen, geef ik me onbedingd over aan het verliefd verbonden te willen zijn. Ik denk niet eerst verstandig na maar begin Belinda zonder terughoudendheid te adoreren en hunker naar versmelting.
Terwijl ik dat doe voel ik heus ook wel de laag van mijn tegenwoordige leven die vol ongeluk zit en vol gefrustreerde, afgebroken levensdrift uit de 21 eeuw.

Mijn algemene gevoel is dat zij bij lange na niet zo hard van stapel loopt als ik, en mogelijk (nog steeds) een vrij passieve houding aanneemt qua geven van affectie, en dat zij ook erg zuigend zal zijn in de vorm van onverzadigbare praatverslaving, ook in docerende stijl doorspekt met psychologische vaktermen.

Belinda is dan tegelijk zo kwetsbaar en wantrouwig dat zij liefdesverklaringen met een zowel hartelijke als hardvoelende lach beantwoordt; half cynisch, half geroerd doordat ik overhaast handel. Ik vraag me af of zij uit dit patroon vandaan zal gaan en of ik niet in wezen veelal volgzaam maar te eenzaam aan haar zijde zou verkeren.

Het zou ook kunnen dat wij met onze therapeutische en zelfreflexieve inslag een stukje kunnen groeien in het losweken van elkaars gevoel, als we beiden ware veiligheid zouden willen geven, zo redeneer ik.

Terug in het rouwproces omtrent de afgelopen jaren, zag ik mijn verloren geliefde toevallig ineens opduiken met een wat vettige man die een sigaret in zijn bek had en een enigszins terugwijkende haarlijn. Mogelijk een bedgenoot. Ken hem niet. Voel me ongelukkig en geshockeerd en nieuwsgierig al weet ik niet eens of ze een verhouding met hem heeft. Maar wel dat er een vloek op me rust en dat ik wat mij betreft dood mag gaan, omdat mijn leven mislukt is en waardeloos geworden.


13 januari 2009

Lief vliegwiel Wim,
Dank voor je beschouwingen. Ja, toen ik op je knie zat en begon te vertellen over... en ik me realiseerde dat ik me af moest vragen hoeveel zin jij nog had in mijn verhalen, wilde ik vertellen over 'n zwakke plek in mijn gevoelsleven. 
Rechtvaardigheidsgevoelens zijn o.k. en zorgen voor een moreel goed en effectief contact. Maar daar waar een 'bedreiging' of vermeend gevaar leidt tot zelfbescherming, ontstaat strijd in de persoon, het contact en de relatie.  Het overkomt mij als ik met iemand ben die ik lief vind, van het mannelijk type, en er sprake is van contactgroei. 
Het was inderdaad die Engelse jongen met wie ik in 1985 hand in hand was betrapt door je chef, (van t'ai chi), dat ik me pijnlijk bewust werd van mijn onvermogen om open te zijn, van de angst en de boosheid die ik ècht voelde voor een potentiële geliefde.
Gekwetst als ik ben door mijn vader die verbaal zó lelijk tegen me deed toen ik héél klein was. Vier jaar. Die me zó liet schrikken dat ik nu nog moeite moet doen om er over heen te kijken als een man van mij wil houden.
Dat jij dat nu ook gevoeld hebt, betekent dat ik er nog niet klaar mee ben. Het speelse meisje in de volwassen vrouw, Wim, daar gaat het om. De speelse jongen in de volwassen man die jij bent. Hoe klinkt dat?
Belinda

 

IK BEZOEK BELINDA
11/12 FEBRUARI 2009.

Het eerste (weer)zien met Belinda was het makkelijkste want het meest vrijbijvend. Maar nu, de tweede keer, zit er al een tendens in met verwachting.

Ik verwachtte dat het niet alleen maar leuk en makkelijk zou zijn, door de noodzaak om haar met iets te confronteren uit mijn gevoel over hoe zij met mij omgaat.
Om er ontspannen in te staan nam ik een benzodiazepine-capsule, en hield het erop dat eventuele sexuele lading hierdoor minder werd, dit dan weer met aftrek van eventuele nerveuze spanning.

Voor het station in de zuidelijke stad begonnen we elkaar meteen te tongen. In haar auto zag ik een lingerie-achtig jurkje onder haar jas uit steken, en ik liet me onmiddelijk ondubbelzinnig uit dat dit me zo'n heerlijk gevoel bezorgde.
Belinda zei: "Mij ook."
Toen we door de stad reden vroeg ik of mijn hand achter haar haren aaiend, misschien te afleidend was. Ze zei dat je op rijles leerde dat je de bestuurder niet mocht afleiden (later besef ik: dit antwoord dient om haar gevoel niet bloot te geven).

Het station uitgaan en bij haar thuis komen was een kleine bewustzijnsversmalling waarin de gebeurtenissen me op sleeptouw hadden.

In haar rijtjeshuis omarmde ik haar (ze voelde lekker, iets zachter of gevulder dan vroeger) en ik zei zonder nadenken temidden van een paar liefdeswoordjes: "Ik wil bij je blijven."

Ze heeft dan iets van o gut o jee. Ik waarschuwde meteen dat ik zonder nadenken alles maar zei. Dat ik gek op haar was trof haar zichtbaar niet onaangenaam, maar ik kreeg er ook geen duidelijke reactie op, want ze zei: "O wat leuk voor jou."

Al pratend keukenhandelingen plegend zette ze koffie waarna ze me langs haar bovenverdiepingen leidde: haar zoon zijn verlaten kamer, nog ingericht, zou haar werkkamer worden; haar dochter had de hare nog zichtbaar in gebruik. Op haar slaap/werk-zolder trof de sfeer mij sympathiek en veilig; volgens Belinda was deze vibratie achtergelaten door vroegere bewoners.

"De Kunst van het Sterven", uit mijn tas, wou ze wel van me lenen en ik vroeg me af, omdat ze zo ver weg woont, als het contact niet doorging, of ze het boek dan zou houden, maar het kon me niet schelen als ik het niet terug zou krijgen.

Ik had Droste's chocola in ludiek papier verpakt. Na opening van haar cadeautje gaf ze me een intieme kus.
Ze vond het leuk dat ik twee avokado's bij me had die we bij verwarmde broodjes gebruikten.

In de loop van de dag, weer in de keuken gezeten, had ik een ogenblik waarop ik tegen mezelf zei: "Nu moet je oppassen."
Ik voelde namelijk innerlijk uit balans te gaan raken in een neerslachtig isolement bij gebrek aan menselijk contact. Het is een moment waarop ik voel dat mijn uitingen los raken van de omgeving. Ik blijf opmerkingen maken, maar ik voel innerlijk over te hellen naar een staat van onmacht, onwaarde, vernedering, onder spanning komen, en tijdens mijn conversatie maak ik me steeds meer zorgen hoe het met mijn innerlijk verder moet.

Ik voelde ineens een bittere frustratie opkomen over het uitblijven van vrijerigheid.
Deze liefde was voor mij het dringendste wat ik nodig had, en daarbij vergeleken was al het andere bijkomstig. Ik voelde dat ik daar smachtend op wachtte, maar Belinda blijkbaar niet. Ik wist, als die bevestiging er maar was, dat ik voor al het andere een basis zou hebben!

Gelukkig stond ze even later naast de kruk waarop ik zat en kon ik met een arm om haar middel mijn hoofd tegen haar borst aan leggen. "Ik ben verliefd op je," zei ik zachtjes alsof ik een probleem bekende. Ze zei er niets op terug en liet mij maar begaan. Op zulke momenten waarop ik intimiteit zoek, wijst ze mij niet af maar gaat wel spoedig over op iets anders, zogenaamd op dat moment noodzakelijk. Deze momenten van aanraking haalden me gelukkig wel over mijn dreigende doodsdrift heen.

We spraken over (haar) relaties: ik raadde dat Theo (2003-2006, maatschappelijk werker) de geslaagdste liefde was die ze ooit had gekend. Ze was er niet echt los van zodat ik mooi de vergelijking kon maken met mijn geliefde borderline-meisje.

Haar gevoelens hierover waren wel dusdanig dat Belinda de liefde met Theo ook weer niet met directe ingang graag terug zou krijgen.
Theo had bij haar een fiets in de schuur gezet maar die bovendien op slot gedaan zodat haar kinderen de fiets niet konden lenen.
Ze ging met hem op vakantie maar hij stond niet op het treinbalkon om haar te verwelkomen toen ze opstapte om met hem verder te reizen.
Ze schetste het praktisch: hij zag haar nog te weinig naar zijn zin (bijna elke week) maar hij ging toch niet bij zijn kinderen uit de buurt wegwonen. En Belinda ging op haar beurt ook niet nog verder van haar werk af bewoning zoeken.
Het treinreizen naar zijn vergelegen woonadres, na het haastig boodschappen doen op vrijdagavond, had haar ook jaren uitgeput en op zondagavond terug, laat natuurlijk, haar kinderen vragend 'hadden jullie een leuk weekend?' gaf haar toen ook niet echt een leuk gevoel.

Haar vroegere echtgenoot Nelis heeft haar nog eens zomaar opgebeld met: het is gelukt! Want hij had een internetkabel doorgetrokken. Heel kinderlijk. Hij riep zelfs: kom eens langs met Theo, gezellig. Dat vond Belinda niet kunnen.
Ik: "Dan neem je mij toch mee!"

Haar vrijvriend Johan kan erg goed koken. Hij schept zelfs als een verzorgende vader de borden op. Dat deed hij ook bij Belinda thuis. Maar zij wil zelf opscheppen in haar eigen huis!
Hij ging ook zomaar plintbedekking aanleggen in háár huis, alsof hij bij haar woonde, maar dat doe je toch in overleg, roept ze uit. Johan ziet zichzelf onbesuisd als haar partner, voor het leven.
Zij benoemt het goede vrijen met hem in termen van het "reageren van zenuwstelsels".

Ondertussen kan ze er niks aan doen dat er ook "emotioneel" hechting ontstaat. Inderdaad, ze heeft gevoel voor hem en vindt hem een goeie jongen en waardeert ook zijn kwaliteit als "een verleider".

Verleidt zij hem ook? Dat vroeg ik nog niet, maar betwijfel het. Hij heeft aanvalskracht (volgens Belinda mede door langdurig voetbal spelen) zoals bleek toen ze met hem een schermles kon krijgen.
Johan repareert wapens, als burgerpersoneel. Aan schietlessen zou Belinda ook graag deel willen nemen.

Belinda staat nu voor het probleem binnenkort bespreekbaar met hem te moeten maken dat ze eigenlijk niet met hem door wil gaan. Als symptoom hiervan zou het vrijen met hem eronder kunnen gaan lijden. Ik zeg: "Je zou dat argument dan kunnen gebruiken", wat ze niet tegensprak.
We zijn het eens dat dit een zware dobber is; ze ziet er tegenop hem te kwetsen.
Ik: "Maar je hebt inmiddels een andere koers op het oog."
Belinda knikt min of meer om aan te geven dat ze begrijpt wat ik zeg maar volgens mij ook om het te beamen. Ik vraag me daarbij af wat we denken.

Ik denk bij mezelf: je bent met mij in zee aan het gaan. Zoïets moet zij ook heimelijk denken. Het is evident dat ze mij vergaand toelaat. We hebben het daar niet over. Maar het gebeurt wel, met dezelfde voorbestemming als in april 1985, alsof we elkaar al kennen (wat nu zo is, maar in 1985 niet in letterlijke zin). Er is een vorm van reeds bij elkaar behoren, maar dit vormgeven in de bestaande realiteit is gecompliceerd.

Ik doe het gedachte-experiment: indien ze Johan verliest en mij wint wat is voor haar dan groter: verlies of winst?
Als optelsom gaat ze erop achteruit. Een toegewijde dichtbijwonende behulpzame vrijer die veel van haar houdt krijgt een pijnlijke shock in een deplorabele fysieke situatie nog wel want zijn knieën begeven het, waarna ze geen beroep meer op hem kan blijven doen (zoals zijn auto tijdelijk gebruiken) omdat hij niet kan omschakelen naar "vriendschap" (Belinda misschien wel) zodat het voor haar neerkomt op het verlies van deze ongecompliceerde lieve jongen.

Met mij krijgt ze dan een gecompliceerde jongen erbij. Wel één die op geestelijk niveau meer verwant is, en zeker heel gewaagd aan haar, omdat de wederzijdse neurotische gevoeligheden voor een labiel evenwicht zorgen. Maar omdat er wederzijds de wil is hieraan te werken kan er sprake zijn van een groeirelatie, die echter ook makkelijk op een rots kan lopen.
De woonafstanden tussen mij en Belinda zijn nog dramatischer onhandig dan bij Theo.

Later op de avond voor haar computer op internet rommelend had ik het gevoel dat we blijkbaar nergens op afstevenden wat intimiteit betreft. Ik geneerde me bijna om mijn verlangen daarnaar te uiten.
"Wat gaan we doen?" zei ik maar eens. Ze haalde haar schouders op en zei: "Hier wat rondhangen."

Uiteraard impliceerde dit antwoord voor mij de totale desinteresse om met mij te vrijen, wat niet klopte met de zich ontwikkelende praktijk. Ik stapte hier dan ook maar noodgedwongen overheen en opperde om in bed te gaan liggen. Maar daar stemde ze meteen mee in, een beetje alsof ze er zelf niet op had kunnen komen.

Ik vroeg of ze ook iets had van wijn. Goed dat je het zegt, vond Belinda, en haalde helemaal van beneden 1 glas wijn.

Uiteraard deed het me erg goed, toen ik vroeg of ik haar uit mocht kleden, dat ze antwoordde dat heel graag te willen. Meteen omhelsde ik haar, kuste haar, sprak uit het zo fijn te vinden dat zij dit zei, zo gelukkig te zijn dat ik bij haar was.

Wat mij betreft ging het daarna wel harmonisch omdat ik nu een heel mens kon worden zonder mezelf geweld aan te doen met de wilsinspanning om naar haar verhalen te luisteren, daarbij feitelijk smachtend naar lichamelijkheid. Vooral de hunkering dat zij naar mij toe aanhalig, belangstellend en lief was hoefde me nu niet langer te kwellen.

Later op bed troetelde ik een tijd met mijn tong haar kitty. Ik had toen ik hier kwam de indruk dat ik misschien voorlopig niet bij haar in zou kunnen gaan (omdat ik me niet hecht genoeg in gevoelsuitwisseling kon voelen staan).
Maar spontaan voelde ik nu dat mijn erectie het wel toeliet dit toch te proberen. Mijn orgaan was niet keihard maar voldoende om in haar te gaan en te blijven. Ik bewoog geruime tijd en drukte me tegen en in haar en omarmde haar en kuste haar, terwijl ik tevens voelde hoe wij beiden min of meer solisten waren, maar nu samengaande solisten...

Belinda vroeg of ik het niet koud kreeg. Dat was niet zo. Ik vroeg het haar ook. "Nee hoor, want jij ligt op mij, en dat is lekker."

Later toen ik uit haar was kwam er een fase waarin het me opviel dat zij gesloten zweeg. Ik vroeg hoe zij zich voelde. Ze antwoordde ontwijkend: "Vind je het moeilijk dat ik stil ben?"
"Stil? Nee helemaal niet, stil is geen probleem!" hapte ik op haar suggestie. Ik besloot niet te zeggen: ik vroeg hoe je je voelt.
Zij vroeg wel hoe het met mij was gesteld. "O goed hoor, ik vind het okee, geen probleem."
Later vroeg ik toch nog hoe ze zich voelde.
"Kan ik niet zeggen."

Rond dat we gingen slapen gooide ze plots het schuifraam achter de gordijnen open. Een enorm stemmengerucht en verkeersgeluid kwam ongevraagd te gast in onze intieme sfeer.

Belinda sliep spoedig en ik voelde me een heleboel keer in slaap vallen om daar dan vervolgens weer uit te rollen omdat iets in mij sterker was dan ontspannen. Het leek dan of er kou aan mijn blote schouders knaagde. Maar ik kreeg ook een behoorlijke spanning in mijn hoofd, die mijn bewustzijn op het nachtslot draaide.
Later deed ik mijn voor slapen meegenomen t-shirt aan. Maar dat was toch niet het probleem.
Nog later kwam de ochtendspits blijkbaar op gang. Ik vond het verkeerslawaai bizar. Na een tijdje overwegen dat Belinda ingrepen aan haar huis niet pikte, besloot ik toch stiekem het raam dicht te schuiven. "Wim wat doe je?" vroeg ze slapend. Ze was het er niet mee eens. Ik deed het raam weer open en zei dat ik er niet van slapen kon.
"De hele nacht niet?"
Dat beaamde ik. Nu mocht ik het raam weer sluiten.

Later vlijde ik me met mijn gezicht bij haar hoofd, legde mijn arm om haar schouder. Meteen voelde ik me alleen. Ik ging weer terug en vroeg Belinda of ze mijn arm niet prettig vond. "Jawel waarom denk je dat?"
"Omdat je niet reageert," zei ik.

In de loop van de nacht had ik liggen terugdenken en voelen naar talloze kleine momenten waarop ik toegenegenheid uitte, vaak impliciet, vaak expliciet, door gewoon te zeggen dat ik gek op haar was.
"O wat leuk voor jou."
Een antwoord van Belinda waar je nog wel om kon lachen, als het niet een lijn was die ze consequent volgde. Alles wat persoonlijke betrokkenheid betrof, en wat haar uitnodigde daarop te reageren, werd door Belinda ontweken. Ik bedacht dat daar mijn stress natuurlijk door veroorzaakt was.

Nu ik had gezegd "omdat je niet reageert" was het een kleine stap ook de rest uit te spreken.
"Ik vind het zo moeilijk dat alle affectie van mij moet komen. Ik heb het zo nodig dat jij het ook doet naar mij."

Half verbaasd nadenkend sprak ze tegen dat er geen affectie van haar terug was gekomen. Ik zei: "Elke uiting van affectie die ik naar je doe wordt door jou genegeerd. Ik denk dat jij geen verantwoordelijkheid wil nemen voor dat gevoel."

Belinda vond: "Gevoel is er of het is er niet en als het er is stroomt het."
Ze informeerde of de beweging van haar naar mij er alleen niet was bij intimiteit, of dat dit de hele dag gebeurde. "Niet zozeer met vrijen," zei ik, "maar de hele dag. Ik denk dat het een karaktertrek van je is."
Belinda vroeg of ze dat in 1985 ook al had.

Ik dacht aan de afgrijselijke eerste week in Portugal, toen ze verliefd was op die Engelsman, met wie mijn chef haar had betrapt hand in hand.
Ik dacht aan wat ze 3 januari 2009 zei: dat ze nu niet meer zo was als vroeger, om het zich allemaal te laten aanleunen.
Ik dacht eraan dat ze inderdaad mijn zware inzet in 1985 beantwoordde door niet echt een verbinding aan te gaan.

"Ja ik denk het wel," zei ik nu, "dat herken ik wel van vroeger."
Ik wachtte geruime tijd omdat ik niet veel tekst meer had. Ik wachtte of zij nog wat terug zou zeggen, onderwijl bedenkend dat ik geen drukkende stilte wilde, waarin op haar de doem van schuldigheid gelegd zou worden.
Ze wou weten waaróm ze volgens mij dan geen verantwoordelijkheid zou nemen.
Ik zei: "Omdat daar een risico aan zit."
"Risico waarop?"
"Kwetsbaarheid, blootgeven, afgewezen worden."

Ze gaf een theoretisch antwoord dat ik voor mezelf uitlegde als psychische afweer, een weerstand waar ik niet tegenin wou gaan, daar ik dan in een uitzichtsloze woordenstrijd verstrikt zou raken.
Toen ik het er op dat punt dus bij liet, hervatte ze echter zelf dat ik wel gelijk had over haar moeite met het uiten van gevoelens.
"Dat heb je zelf kort geleden ook al zo gezegd, toch?" haakte ik in.

Ze zei dat ze in een moeilijke situatie zat en in verwarring verkeerde. Ik kon me niet anders voorstellen dan dat dit de waarheid was. Maar ik hield het er voor mezelf wel op dat haar patroon niet gebonden was aan haar actualiteit.

Belinda bracht vervolgens in, als je niet bepaald erg gesteld bent op jezelf, zoals zij, dat je je moeilijk kan voorstellen dat een ander wel van je houdt.
"En als dat dan toch het geval is dan moet er wel iets niet in de haak zijn met die persoon," citeerde ik een zin uit mijn leerboek over het borderline-syndroom.
"Je kan het dan niet geloven," vervolgde ik, mijn houten kop pijnigend tot empathie, "dat die ander je wel waardevol vindt."

Belinda vulde aan: "Maar dan zal ik er wel voor zorgen dat hij er achter komt hoe ik ben."
"Als iemand van je houdt..." zocht ik, "...dan raakt dat aan je boosheid??"
"Ja natuurlijk dat maakt me woedend!"
"Dan denk je: daar heb je er weer zo één die... me weer pijn gaat doen..."
"Het komt nooit, ik zal nooit bij iemand echt de geborgenheid kunnen vinden..."
Mijn lieve Belinda was nu heel eerlijk geworden.

Ook zei ze: "Ik denk dat je waarschijnlijk nooit bij mij zal vinden wat je bij me zoekt."

Belinda had verdriet en ik hield mijn armen om haar heen en hield van haar, maar vond het toch niet passen om zomaar te zeggen: "Maar schat zou je die geborgenheid ook nooit kunnen vinden bij mij want ik wou dat ik je die kon geven."

Belinda zei dat ze haar kinderen had, en haar baan, en zich veilig voelde in haar huis, dat ze haar zegeningen dan maar moest tellen, ondanks problemen.
Ik opperde dat je daar minder machteloos in staat dan tegenover gevoelsproblemen omdat die dingen praktisch zijn.
"Ja dat kan jij makkelijk zeggen met een uitkering, lekker makkelijk."
Nee als zij door werkontslagen haar huis moest verkopen dan gaf ze het geld aan haar kinderen en ging ze op een kamer wonen. "En dan wil ik dood!"
Ik zei later dat ze niet moest denken dat ik haar onderschatte. "Ik vind je een moedige vrouw."
"Ja dat dacht ik ook."
"Ik heb hoge waardering voor je."
"Nou dat is fijn om te horen."

Later taxeerden we hoe laat het was: zij zat er maar 10 minuten naast. Ze zou koffie halen. We verklaarden beiden wat hoofdpijn te hebben.

Met koffie bovengekomen werd ze een bijzonder spraakzaam meisje dat rechtop naast me zat terwijl ik met mijn rug tegen een kussen leunde, alsof ik verhalen verteld kreeg door Sherehezade.

Zo vertwijfeld als ze kort geleden sprak, zo levendig begon ze nu te acteren. Dat was voor mij met de euforie van caffeïne echt te genieten.

Hoe haar buurman bij haar thuis zomaar had gevraagd hoe zij dat nou deed met sex. Toen het later weer bijtrok met hem, polste hij weer wie die bijna kaalgeschoren man toch was (Johan).
Belinda: "Boosheid heeft enorm veel energie."
Ze had dan ook de fut om enorm fijnmazig de hele psycho-structuur van elke situatie te schilderen, haar levendige gelaatstrekken en scherp stralende kleine ogen dicht bij mijn gezicht..

De andere buurvrouw wou haar naaien door jongerenschade aan haar auto op haar te verhalen; de tut liet Belinda aanschrijven door een rechtsbijstandsadvocaat.
Maar in het park deed Belinda het mens beloven als de verzekering niet betaalde dat de advocaat dan toch niets ondernemen zou. Maar toen dat echt zo gebeurde durfde de buur-teef toch niet haar woord te breken.
Fel hield Belinda haar gezicht bij het mijne en liet zowel haar eigen mimiek uit de conversatie zien als de bezopen en therapierijpe spasmen van haar vijanden.

Belinda had drie jaar haar heg laten opgroeien maar de buurman, met sex als hobby, schoor die in één moeite af.
Deze anti-sociaal gestoorde persoon belde niet haar, maar de politie, toen ze haar auto parkeerde aan het eind van de doodlopende straat. Belinda had gehoopt in deze straat aan de vorige aso-wijk te zijn ontvlucht, maar helaas.
"Wat kan jij goed acteren als je vertelt!" zei ik, "met zoveel details en zo geannimeerd, dank je wel."
Ik omvatte haar en kuste haar en wilde van haar houden en horen: dat zij ook hield van mij.

Ik vroeg of haar hoofdpijn door de koffie verdween.
Vage reactie.
Na alle verhalen vol wrok en wraak stelde ik voor weer even te gaan liggen, maar dat hoefde niet voor haar.
Wel voor mij. En ze volgde onmiddellijk mijn voorbeeld. Ik lag tegen haar aan met mijn hand langs haar venushaar. Ik vroeg of ik haar daar streeltjes zou geven. Ze trok een afkeurende pruilmond en zei dat het niet hoefde.
Later bedacht ik dat ze het misschien wel wilde, maar er alleen de verantwoordelijkheid niet voor wou hebben.

Onder de douche beantwoordde ze mijn verliefde taal ook met een uitdrukking van "hou nou eens op met die flauwe mop".
"Niet lelijk kijken als ik iets liefs zeg," reageerde ik.
Daarna keek ze of ze het in Keulen hoorde donderen.

We lagen daarna opnieuw even in bed maar waren nog een wandeling voornemens. De buurman met sex als hobby zag ons buiten; gisteren had zijn zoon al oplettend genoteerd hoe ik verscheen.

Ik nam Belinda hier en daar te grazen met mijn camera en onsbeiden uit mijn gestrekte arm. Eén foto van ons samen in haar kamer is zo mooi: ik met een vergenoegde grijns en Belinda als mijn vrouw, net op een ogenblik dat je haar zag zoals ze is: esthetisch van aanzien, een vrouw uit de kunst, excentriek gevoelig, wantrouwend waakzaam, ongetwijfeld gecompliceerd.

Toen ze zich voor mijn vertrek wilde laten omhelzen huilde ze een beetje.
"Heb je verdriet?"
Ze knikte. Ik vroeg nog waarover, maar dat was niet duidelijk uit te spreken.
"Dank je wel dat je gekomen bent."
"Ik heb erg van je genoten Belinda," zei ik meer uit wens dan uit waarheid.

Uitgevloerd nog met druk op mijn hoofd denderde ik noordwaarts, bedrijvig foto's schietend uit het treinraam van de grote rivieren.
Ik sliep vannacht wel goed, zodat ik vanmorgen alweer veel sterker in connectie stond met mijn emotionele betrokkenheid op Belinda's wezen.
Optimistisch gezien wil ik de liefde laten zwellen als een ballon.

Potentiële problemen: ik voel me alleen, omdat ik altijd tot haar moet doordringen, want zij zuigt me solistisch pratend uit.
Ons mailcontact nadien gaat erg verliefd van toon van mij af en correct vriendelijk tot gemoedswarm van haar kant.

Dinsdagmorgen 17 februari 2009
Ik belde haar op zogenaamd om haar het beste te wensen voor een sollicitatiegesprek.
Ze sprak gedetailleerd over de begrafenisdag van haar moeders broer de vorige dag, tot er tenslotte een pauze kwam, waarin ik dacht: eens kijken of jij nu ook iets vraagt aan mij.
Hier leek ze onwillekeurig naar te zoeken, maar zich naar mij "ordenen vanuit haar gevoel" zoals de psychiater Maria Terruwe het noemde in "De Frustratieneursose", leek er niet van te komen.

Ik voelde iets alsof zij uitgesproken was en zich vriendelijk naar me opstelde zonder dat ze me belangrijk genoeg vond om een knuffel te geven.
Even later zei ik zelf: mijn mail met steeds een andere kleur letters was wel leuk hè. Ze beaamde het.

We kwamen op haar Johan: zij weigerde in de hoek te gaan staan als degene die hem liet stikken. Hij had haar ge-SMSt zich af te vragen of zij wel een relatie hadden. Belinda meent dat hij alles bij háár neerlegt.
Ik zei dat zij wel degene was die betwijfelde of ze ermee door wou gaan, maar dat het aangaan van dat relatie-experiment op zich niet verwijtbaar was, omdat je in elke relatie moet verkennen hoe het werkt.
Evenmin is verwijtbaar hoe je je daarin voelt.
Als hij haar de hele zwartepiet toeschreef vond zij dat een rationalisatie, want zij had al in een vroeg stadium meegedeeld dat ze niet bij elkaar zouden passen.
Ik constateerde dat dit van haar ook een rationalisatie was omdat zij zich in wezen zo rechtvaardigde.
Na een verweerimpuls te laten passeren beaamde ze dit eigenlijk wel. Ook toen ik zei dat ze hem misschien geen ruimte gaf zweeg ze betekenisvol en murmelde onverstaanbaar een beaming.
Ik ging door: "Jij bent erg goed gebekt en je wil heel graag zeggen hoe het zit maar kan hij ook uitspreken hoe het voor hem is? Hij heeft geen wisselgeld op jouw psycho-analytische taal."
Ik zou willen dat Belinda hem nader bevroeg waarom hij het geen relatie vond in plaats zijn SMS meteen te beamen vanuit het idee dat er toch niet met hem te praten valt.

Zij beleeft zijn adoratie als probleem omdat ze er verwachtingen in ziet die ze niet kan beantwoorden en dat rationaliseert ze door er psycho-analytische termen aan te geven. "Overdracht" of "tegenoverdracht" vallen vlot uit haar mond, zoals ook bij mij op 3 januari 2009, alsof zij de therapeute was en ik niet in orde, maar voor mij was zij niet in orde omdat ze blijkbaar geen aanhankelijkheid kan beantwoorden, maar alleen ondergaan: zich aan laten leunen.

Ik zei nog dat zij en Johan elkaars painbody triggeren, wat haar wel mooi geformuleerd toescheen.
Ik balanceer een beetje aan de rand van haar incasseringsvermogen voor de beleving van kritiek.

Als tegenwicht hiervoor, typeerde ik maar een foto die ik van haar had gekregen, genomen door haar Theo: "Belinda je bent een heel charmerende vrouw, maar ook iemand die zich geen kunstjes laat flikken, want je hebt een kanon naast je staan en dat schiet je helemaal leeg op critici, maar binnenin je woont een heel kwetsbaar meisje."
Belinda lachte geamuseerd en zei meteen: "Ja hebt wel gelijk hoor Wim."

Ze zei dat ze in de kern heel zachte gevoelens had. "Nou die moet je dan maar zoveel mogelijk naar buiten brengen," reageerde ik.
En zij: "Ja nou hoor."
En ik: "Naar mij toe..."
En zij: "...jawel..."
Ik wou weten: "Wat vind je van mij?"
Ze zei dat ze me heel aardig vond.
Ik: "Schat."
Ze griezelt een beetje van "liefdesgedoe".
Toen ik aan het eind zoïets zei als "daag schat" zei ze gevoelloos: "Daahag."
Daarna zei ze echt iets liefs, voorzichtig, als een verlegen bakvisje naar haar eerste vriendje.

Het lijkt een rode draad te worden want haar moeite met affectie triggert mijn affectieve verwaarlozingspijn waardoor ik neig te gaan projecteren en uit het oog verlies wat haar ingewikkelde situatie is.
Ik ben er van overtuigd dat zij als routinereflex het persoonlijke gevoelscontact zoveel mogelijk uit de weg probeert te gaan. Ik zou me bij haar eenzaam kunnen gaan voelen of vervelen want met een soliste is het niet echt gezellig.

Haar overlevingsmechanisme, ooit in haar leven functioneel om riskante situaties te voorkomen, is nu juist de oorzaak van wat het ooit af moest wenden. En ik denk dat dit voor haar relaties het  destructieve mechanisme is.

Het doet me denken aan mijn borderline-geliefde; zou Belinda, borderline-danstherapeute, soms zelf een high level borderliner zijn??
Achter haar gevoelsdistantie en controle zou een sterke verlatingsangst moeten huizen.
Wat ik vooral zie is basisboosheid en een kwetsbare identiteit voorzien van een uiterst probate defensie.
Of heeft zij eerder een frustratieneurose volgens Terruwe? Zou kunnen, vooral met steeds iets anders zeggen dan een gevoelsmatig antwoord, tot aan kille vaktermen toe.

Ik moet zelf wel oppassen niet neurotisch stampvoetend liefesverklaringen te eisen zonder volwassen respect voor haar ingewikkelde leven.

EMAILS MET BELINDA

20 februari 2009

Lieve Belinda,

Als jij liefde betiteld als "overschatte emotie" dan is dat legitiem als jouw beleving. Maar zeg dan "ik" en niet "wij als de mens".
Je kunt het niet maken om over iets wat duizend gezichten heeft een uitspraak te doen namens 'de mens' op basis van je eigen situatie. Vind je trouwens liefde naar je eigen kinderen ook "een overschatte emotie"?
Waar is het in hemelsnaam voor nodig dat je privégevoel tot norm verheft voor iedereen? Ik ben zelf ook lid van de mensheid en ik kan me helemaal niet vinden in wat je zo in mijn mond legt. Ik wil met je vrijen want ik hou van jou en dat is voor mij geen "overschatte emotie".

Ik ben geïnteresseerd in jouw persoonlijke gevoelens voor mij om met je te spelen en het gezellig hebben. Generalisatie naar 'de mens' is juist het tegendeel. Daarom stel ik voor dat we in de ik-vorm praten.

Hier uit mijn vroegere dagboek van 9 juni 1985:

"Op de bank vroeg ik of ze mij interessant vond. Ja, vanwege mijn nuchtere afstandelijkheid en tegelijk betrokkenheid waardoor volgens haar WARMTE, DIEPTE EN VERTROUWEN ontstonden.
Bovendien had ik een doelgerichtheid en een scherp oordeel, ook zichtbaar rond mijn mond, dat haar aantrok. Daarna gingen we onder de douche, ik op een kruk gezeten en zij op mijn schoot."
 
Ben je het in de 21e eeuw nog eens met Belinda's opinie van 9 juni 1985?
Wim H.
 

 

14 maart 2009

Wim H.,

Ik ben het met je eens dat het niet lekker voelt tussen ons.
Ik leg niets in je mond hoor. Ik weet heel goed het verschil tussen mijn gevoelens en die van een ander. Je reactie getuigt van weinig inzicht in en gevoel voor mijn persoon.

Ik vond onze vrijage niet zo bijzonder, maar dat kan ook komen, omdat Johan nog te vers in mijn lijf zat. Zijn erectie is heel goed, zijn liefde is heel erg zacht, mijn opwinding krijgt bij hem alle ruimte. Echt jammer dat hij en ik niet voldoende bij elkaar passen.
Ik weet niet waarom je zegt dat je van me houdt, daar is helemaal geen basis voor. Zulke dingen moet je er niet zo gauw uitflappen.
Het kan zijn dat dat onze vriendschap verder zal hinderen. Dat is dan maar zo, ik moet er eerlijk over zijn. Je krijgt waarschijnlijk geen hoogte van me, omdat je me te weinig kent.
Of omdat je jezelf te weinig kent. Aan het achterste van jouw tong heb ik eigenlijk geen behoefte.
Goed, zo is het wel weer even genoeg.
Groeten, Belinda

 

1 april 2009

Daag Belinda,
 
Dat je laatste mail geschreven is door dezelfde Belinda als bij wie ik op visite ben geweest kan ik me bijna niet voorstellen.
Je schrijft zo afblaffend, kwaaddenkend en uit de hoogte dat ik het direct voel als het dichtslaan van de deur. Ik heb het opgevat als hatemail. Je snapt dat die ook nog iets heeft gedaan met mijn gevoel.
Namelijk dat ik je erg onsympathiek ben gaan vinden schrijven.
 
"Je krijgt waarschijnlijk geen hoogte van me, omdat je me te weinig kent. Of omdat je jezelf te weinig kent. Aan het achterste van jouw tong heb ik geen behoefte."
 
- Nee ik krijg geen hoogte van je omdat jij in een solistisch fort zit terwijl het juist jouw taak is om opening over jezelf te geven, want daardoor krijg ik hoogte van jou. Ik ervaar geen gevoelsuitwisseling met je omdat je daar geen ruimte aan geeft want je wil de hele tijd alles bepalen van boven naar beneden maar als jijzelf ter discussie komt dan word je woest. Er is gewoon geen echt contact.
 
"Ik leg niets in je mond hoor. Ik weet heel goed het verschil tussen mijn gevoelens en die van een ander."

- Nou nee als je begint met "ik ben het met je eens dat" en vervolgens je eigen beleving invult met woorden die ik niet gezegd heb dan leg je mij dus iets in de mond.
 
"Ik vond onze vrijage niet zo bijzonder, maar dat kan ook komen, omdat Johan nog te vers in mijn lijf zat. Zijn erectie is heel goed, zijn liefde is heel erg zacht, mijn opwinding krijgt bij hem alle ruimte."
 
- Mijn erecties moeten het geloof ik meteen weer ontgelden maar die zijn bij mij geen onafhankelijk natuurverschijnsel want die ontstaan door interactie. Gezien hoe je je alles laat aanleunen vielen mijn erecties bij jou thuis nog wel mee (zelfs na ingenomen tranquillizer).
 
Heb je nou al aan hem gevraagd waarom Johan SMS-te dat hij zich afvroeg of hij wel een relatie met je heeft?
Ga jij nu eens niet bepalen hoe het zit maar hou je mond en luister naar hém. Hij houdt van jou maar jij blijft liefde een overschatte emotie vinden.
Liefde is trouwens geen emotie, maar een basisgevoel.

Je schreef:
"Ik weet niet waarom je zegt dat je van me houdt, daar is helemaal geen basis voor."

- Bedankt voor je deskundige informatie over hoe ik iets voel.
 
"Het van de pot gerukte gedoe maakt me boos. Het kan zijn dat dat onze vriendschap verder zal hinderen. Dat is dan maar zo, ik moet er eerlijk over zijn."
 
Ik ben het roerend met je eens dat onze vriendschap nu is verhinderd.
     
Hartelijk gegroet,

WIM HEINS

EINDE / THE END / FIN

 

 

 

 

 

 



Terug naar Dagboekenoverzicht