Onderdeel van WimHeins.nl  

Terug naar Avonturenoverzicht


 Guru Maharaj Ji 
 à la Mutualité, Paris 1973 

 

Parijs, 27 september 1973.

Theater Maison la Mutualité in de rue St. Victor is misschien een gebouw op bescheiden schaal maar in ietwat pompeus patriottische stijl. Helder geelwit: het lijkt wel of het net gesopt is. Deden ze dat maar eens met ons Paleis op de Dam.

 

In de gure avondzon druilen nog maar weinig mensen voor de deur, meest ouder dan 30. Verderop in de straat staat een schare jongelui die er grotendeels intellectualistisch uitzien, met baarden en brillen, met zwarte monturen. Zij spreken kalm en overdacht. Zelfs Engels, si tu veux. Er vraagt er één of ik Arabisch schrijf maar ik zeg: "Non, c'est sténographie!"


Het publiek komt aangezwermd door de affiches waar de stad vol mee hangt. Daarop staat een 15-jarig heilig guru-jongetje: Maharaj Ji. Een knaapje met een hippie-achtige voorhoofdsband om zijn tête. Ik tuurde er vandaag verzonken naar: er zit veel geligheid die mijn hunkering wekt.
Geen okergeel, geen mistlampengeel, geen vuurgeel, ook geen paardebloemengeel maar dat winterse, kortstondige, verdwaalde, met wit verdunde geel uit een trui van mijn zus. Die had vroeger een warme en diepe gloed, maar werd mislukt gebleekt en toen was hij geel als winterriet.
Het is het geel op een oude kleurenfoto van een rotonde narcissen op paasmorgen, half verwaaid en tobberig weerstand biedend aan de gure bries.
Zulk geel zat er in de voorhoofdband van guru Maharaj Ji op de affiches in Parijs.
En zulk geel zat er in al mijn onvolgroeide, half ontwikkelde, half gestorven liefdes. Op het schoolreisje van 1964 droeg zij ook zo'n gelige trui. Nog eerder: de kleuterjuf op wie ik verliefd was, maar nog voor ik zelf op die kleuterschool zat, droeg een rok met een dosis van zulk geel.

De voordeuren van het prestigieuze theater gaan maar sporadisch open want er zijn nu al zoveel geïnteresseerden binnen dat nieuwe mensen nog maar mondjesmaat worden toegelaten.
Het begint hier langzamerhand naar zoete rose lolly's te ruiken.

"Où est le guru?!" wordt er geroepen. Ik begin een conversatie met een jongen in een spijkerpak. Naarmate het later wordt komen we steeds dichter tegen elkaar aan te staan. Tenslotte slaag ik erin om door de barricade bij de deur te komen, maar daar achter zijn nog meer deuren en die worden dicht gehouden. Zwarte deuren met grote ramen in stevige zwarte hengsels.
En weer daarachter bevinden zich mensen die er toevallig door konden glippen toen de deuren even open gingen en die nu naar hun vrienden kijken zoals westberlijners naar hun oostberlijnse verwanten achter de Muur.

Nu begint de massa ongeduldig te worden. Er zitten figuren tussen die voor de sport een steeds grotere druk op de meute gaan uitoefenen en er zo in slagen om de haag jongemannen die een barricade vormen te doorbreken. "Poussez!" klinkt het rauw. "Entrez! Entrez!"
Eén staflid, een natuurlijke leider in keurig kostuum, blijft als een automaat doodkalme tot rust manende gebaren maken.

Achter de volgende deuren verschijnen ook jongens, met metalen buttons op van guru Maharaj Ji's vollemaansgezicht. Eén van hen tettert door de spleet tussen de deuren door: "C'est très stupide à continuer de pousser," namelijk omdat "guru Maharaj Ji van alle mensen houdt en iedereen helpt en dat het dus volkomen onzinnig is om zo te duwen. Ce n'ést pas nécessaire!"

Maar inmiddels is de druk die de menigte van buiten door de eerste twee deuren uitoefent zo groot, dat een meisje in mijn buurt niet meer instaat is om een sigaret naar de grond toe van as te ontdoen. Ook ikzelf kan niet meer goed schrijven op het stenoblok waarop ik dit verhaal kakelvers noteer.
"Guru! Guru! Poussez! Entrez!"

De graad van losbandigheid wordt zo groot dat men achter mij unaniem èn anoniem besloten heeft om de binnendeuren te gaan forceren. Daarachter zijn de bewakingsjongens bezig met hun taak om ze dicht te houden.
Baldadig aangeslagen tuig dringt op met de bedoeling ze uit de sloten te bonken. Ze rammen tegen het glas en slaan met gelijkmatig ritme op de bovenzijde, waar de deur al vervaarlijk naar binnen wijkt. Het ruikt inmiddels naar insecticide, knoflook en zweet.
Een teruggetrokken bescheiden meisje dat zojuist nog beleefd had geantwoord op mijn vragen, verliest nu haar decorum. Ze draagt een zwart dikwollen vest dat als een deken om haar schouders ligt. Haar half lange haren zijn blond maar met iets van twijfel. Ze draagt ook een grote bruine bril met dikke vierkante glazen, heeft een gezicht vol sproeten en zwaar gezwarte ogen. Ze lijkt vergeten wie ze was en alleen nog het vleesgeworden antwoord op de uitdaging van dichte deuren in een zee van onaansprakelijkheid.

Furieus timmert en trapt ze mee tegen de tussendeuren. Maar opeens baalt ze ervan en keert om, weet eruit te glippen en verdwijnt in de snel vallende schemering van het Quartier Latin. Op weg naar een gelukkig leven zonder guru Maharaj Ji.

Achter de tussendeuren zijn behalve de bewakingsjongens een man van ongeveer 50 te zien, klein van stuk en met opgeblazen gezicht, waarmee hij kijkt of het voortbestaan van de wereld afhangt van hem. In zijn mond zit een dode sigaret. Hij kijkt of er dingen gebeuren die hem wanhopig maken.
Het harde ondubbelzinnige bonken van het geteisem op de deuren resulteert tenslotte in een niet mis te verstaan kraak- en breekgeluid.
Het gezicht van de kleine bezorgde man is nu knalrood. De rij jongens aan de andere kant is enthousiast bezig de deuren tegen te houden. Bij iedere stoot van de binnendringers deinen zij ook een slag terug.
Dan klinkt er luid gejuich als de rij jongemannen door de deuren naar achteren wordt gevaagd en de massa dus naar binnen stroomt zoals ook het water op 1-2-1953 door de Zeeuwse dijken.

Ik houd mijn stenoblok stevig vast en spoel met de maalstroom mee. Men slaagt er tenslotte in de buitendeuren te sluiten. De lui die nu nog op straat staan kunnen er zeker naar fluiten?

Ik spoed me naar het balkon. De theaterzaal lijkt op Carré. Op het toneel zit welzeker guru Maharaj Ji.
Ik herken zijn gegoede, doorvoede, welwillende gezicht van de affiche. Hij zit in een fauteuil die met een groot donker rood kleed is overdekt. Zijn voeten rusten op een zilveren kussen. Over zijn knieën loopt een sliert bloemen. Tegen de achtergrond van witte gordijnen, op de witte vloer naast hem, staan drie keurig westers geklede Indiërs. Aan de andere kant een microfoon met een meisje.

De in sneeuwwit maatpak gestoken guru spreekt met een laconiek-verwonderde intonatie, die nog iets verraadt van zijn jeugdige leeftijd, welke ik er trouwens niet aan af zie. Wat hij meedeelt wordt op een schrijfblok genoteerd door het meisje achter de staande microfoon. Zij draagt een maxi-jurk tot op de grond van een sneeuwwitje-achtig lichtgeel, met rose en groenige bloemen, en een zwarte overgooier. Middelblond haar tot op haar schouders.

Als de guru een Engelse zin heeft beëindigd, leest zij, maar nu in vloeiend Frans, van haar papier op wat hij zegt.
Het meest opvallend bij dit alles is de reactie van de zaal. Er wordt gejoeld alsof de voorstelling nog helemaal niet is begonnen. "Kikikikiki!" schreeuwt een onverlaat. Tuig fluit weergaloos op de vingers met het zelfde volume en de zelfde ongegeneerdheid als de papegaai in de hal van mijn hotel dat soms ineens doet (echter zonder gebruik van vingers).

"Haaai!" schreeuwt een plebejer, "c'est assez!"
Genoeg? Blijkbaar verveelt het hem nu al. Het komt natuurlijk allemaal omdat het gratis is.
Bedrijvige jongemannen met Maharajji-plaatjes op, beginnen relschoppers de zaal uit te sturen. "Waarom?!" brullen ze, "pourquoi pourquoi??"
Als ze voorbijlopen antwoordt een denker met een soepbruin kaal hoofd en een eerbiedwaardige grijze baard: "Parceque vous criez een peu trop!"
Als ik het handjevol oproerkraaiers eens goed aanzie, omdat ik benieuwd ben hoe ze er uitzien, ontdek ik dat ze zich allemaal vermomd hebben als filosofen. Maar ze gedragen zich als kleuters. Een knaap met een tabakachtige sik onder zijn kin en een min of meer intellectueel brilletje op, blijft als hij voorbijloopt naar de uitgang, op een bizarre manier schreeuwen: "Kikikiki", daarbij blij en verwaand lachend. Griezelig leedvermaak en nonchalance versmelten in hem.

Het zal wel de enige manier zijn waarop hij zich kan uiten omdat hij is opgegroeid in een troosteloze griebus met knorrige huizen die boosheid uitstralen over hun balkons, antennes en stompepotlooduiterlijk; ja waar zelfs op de typisch Parijse binnenplaats een speelverbod voor kinderen hangt: "Il est egalement interdit aux enfents de jouer dans la cour."
Of misschien heeft zijn vader er ook wel alles voor over gehad om hem op een leerzame club te plaatsen en goede boeken te laten lezen, zonder dat ook maar iets hielp.

De volgende, gekneveld in een te krap spijkerjasje, heeft dusdanig gekapte haren dat die geniaal nadrukkelijk zijn onwelwillendheid uitgalmen. Zijn ogen kijken lodderig en stiekem; zijn bovenlip steekt badinerend vooruit. Zijn mond is een boerensloot omgeven door schrikdraad en brandnetels.
In zijn kielzog volgt een onbegrijpelijk mooi vriendinnetje.

De tolk bij de microfoon was eerst met vaste vrouwelijke stem tegen het gejoel in blijven vertalen, alsof ze voor hetere vuren had gestaan. Maar nu is er in de zaal een voetzoeker ontploft. En er wordt allerhande viezigheid het toneel op geworpen.
De massa is nauwelijks van guru Maharaj Ji's eerste zinnen voorzien, of uit veler mond wordt reeds gescandeerd: "Ge-noeg! Ge-noeg! Assez!"
De vertaalster blijft op een steeds kwetsbaarder, bedreigder toon tegen het gejoel inpraten met een steeds huileriger stemmetje.

Ik versta zoïets als: "De vrede die guru Maharaj Ji aan de wereld zal brengen is in onszelf gelegen. Wij hebben alleen de kennis nodig om die naar buiten te brengen. Die kennis geeft guru Maharaj Ji."
"Kikikiki! Assez!" luidt het antwoord.

Het laatste wat ik van guru Maharaj Ji hoor is: "God bless you."
Dan staat hij op en marcheert vastberaden het toneel af. Het meisje in de maxi-jurk beent acuut achter hem aan maar komt direct op een drafje terug om deze laatste woorden ook nog te vertalen.

Achter in de zaal prijkt een groot spandoek: "Guru Maharaj Ji we love you". Dat zijn enkele van zijn miljoenen volgelingen.

Toch is de zaal in meerderheid geïnteresseerd, want nu breekt er een druk gediscussieer los. Bij het naar buiten lopen ontstaan groepjes opgewonden Frans kakelende lui die over meditatie roepen. Een jongen noemt allemaal godsdiensten op waarvan hij graag aanneemt dat zij over "hetzelfde" spreken maar helaas zonder "ervaringen" erbij te geven. Omdat zij namelijk de connaissance missen die guru Maharaj Ji zo prachtig aanbiedt via zijn meditatie van twee duren per dag.


Buiten neemt de TV interviews af. Een dame met bruinglanzend haar en de ijdele beweging en oogopslag van een filmster, koestert zich in het licht van de filmlamp terwijl ze druk betoogt over haar reeds ontvangen goddelijke kennis.
Een jongen blaast rook in de lens van de camera. Die zal wel altijd blijven leven onder de klamme macht van duistere onwetendheid.

Een andere jeugdtiran is er in geslaagd het spandoek "Guru Maharaj Ji we love you" naar buiten te slepen.
Merkwaardigerwijze volgt hier onmiddellijk een vechtpartij op.
Een andere jongen met een waterig gezicht dat kijkt of iemand hem tot het uiterste heeft geprovoceerd, praat wild om zich heen als een hond die nog iemand wil bijten maar niet weet wie.

Er begint wat motregen te vallen en ik loop naar het metrostation, waar nog steeds een bord hangt "Guru Maharaj Ji à Paris", maar dat is nu niet meer geldig - net als sinterklaasetalages op 6 december.

Twee uur per dag mediteren voor de kennis van het licht? Wie gelooft dat? Alweer zo'n sekte die goddelijke bergen belooft.
Nee, zelf zal ik wel de meeste warmte, de grootste veiligheid en de zekerste rust ervaren, als ik terug ben in terra, onder de grond, het veld van eeuwigheid en stilte.
Wim Heins, 1973.

 

Terug naar Avonturenoverzicht