Terug naar Avonturenoverzicht


 HETERDAAD MOLEST ROTTERDAM 
 WINSTGEVENDE GEEFROOF 


 

Op vrijdagavond 26-4-2002 tegen elven 's avonds liep ik met Hanneke van een Chinees restaurant over de stoep van het Kruisplein richting Centraal Station Rotterdam, toen een stuk of vijf silhouetten in zicht kwamen, die tegen de luxe winkelpanden aan dreinden bij een soort snackbar. De gebruikelijke rimpeling van waakzaamheid voer door mij heen want het waren "jongeren", inmiddels een vies woord dat steeds meer escaleert tot "criminelen".


 

Op hun breedte gearriveerd was het voorste lefgozertje zo'n tien meter onze kant opgetrokken en leek iets te willen zeggen maar ging tevens zodanig voor mijn neus staan dat hij de doorgang belemmerde.
Het interesseerde mij meer om hem opzij te duwen met de woorden "ja mag ik er even langs" dan om met hem in dialoog te treden, en ik herinner me ook niet eens of hij wat heeft gezegd.
Het was een niet geheel blank overkomend, in rood gestoken, net meerderjarig ogende slanke probleemjongere, met standaard dwarsgedraaide stoerheidspet. Zijn houding was aanmatigend en ruziezoekend en bij nader inzien heeft hij toen zijn bierblik half naar ons leeggeworpen. Het missen van de vloeistof deed voor mij de noodzaak vervallen tot directe stappen, hoewel dit wel boodschapte dat hij zelf tot nader molest over zou kunnen gaan. Volgens Hanneke ging hij af omdat het missen van de bierworp zijn vrienden hilarisch deed lachen.

Wij liepen duidelijk vermijdend verder waarbij ik de wenk van Hanneke om de pas te versnellen niet beantwoordde omdat ik op een toer zat van niet laten zien dat je je laat intimideren. Mijn inschatting was dat de schlemiel zich weer bij de andere hangjongens zou voegen, omdat het geen serieuze beroving betrof maar een zijdelingse pesterij. En dat hij niet op klaarlichte avond naar de rotonde mee zou lopen, maar dat deed hij wel zoals Hanneke zag toen ze omkeek.

Op dat moment was mijn reactie nog steeds net doen of het je niks kan schelen, ook omdat ik erop gokte dat dit effectief zou zijn, en anderzijds zat daaraan een element van de situatie ronduit ontkennen.

"Kankerlijer, krijg de tering, krijg de tyfus terunglijer!" klonk het steeds kwaaier van achteren.
"Wat kan jij goed ziektes opnoemen," zei ik over mijn schouder, "je lijkt wel een medicus."
"Ik sla je verrot kankerlijer!"
"O ja ga jij mij verrot slaan," spiegelde ik terug.
Het kwam me bekend voor als een ruziezoekende strategie om de ander verantwoordelijk te maken voor de volgende stap en als het ware zo eigen provocaties te rechtvaardigen, dat hij het direct omdraaide: "Jij gaat mij verrot slaan h?"
Ik draaide me om en riep hem geamuseerd kijkend toe: "Nee ik ga jou net verrot slaan hoor."

Mijn antwoorden hadden een lange geschiedenis. Op mijn twaalfde heb ik al eens aan een agressieve jongen gezegd dat hij wel een kleuter leek en gevraagd of hij al tandjes had.
In de drugshulpverlening kwalificeerde ik bedreigingen als "niet origineel genoeg". Mijn houding heeft een afleidend sussend aspect maar komt tevens voort uit een plagerige minachting voor armen van geest.
Deze houding vormt een nieuwe aardlaag bovenop mijn vroegere kindertijd, die beheerst werd door een dusdanige angst dat ik me als een lam ter slachtbank liet voeren. Dit gaat ook terug op conflicten met mijn vader, die zich voor mij als kleuter liet kennen vanuit een orkaan van onbeheerste drift wat een gevoel van totale machteloosheid gaf.
Hieraan verbonden ken ik het totale emotioneel-dominante gelijk, van iemand met abolute overmacht. Daarin geldt slechts de wet van de jungle: er is zelfs geen gevoel van onrecht meer dat protesteert tegen de situatie. Totale onmacht, zelfs om vrij te voelen, tegenover een terroristische "fhrer".

Al deze "lagen" uit mijn voorgeschiedenis bepalen mijn reacties in het hier en nu: een mengeling van voorzichtigheid en zelfbewustheid. Maar tevens een impuls tot het ontkennen van wat er is, zoals ik op mijn vijfde ontkende dat een andere kleuter mij ritmisch op het hoofd sloeg met een schep, omdat ik hem als onneembare overmacht voelde. Waarschijnlijk dezelfde ontkenning als meisjes tijdens incest, die hun ervaring eventueel opbergen in een afgesplitste persoonlijkheid.

Aldus was het incident aangeland tot waar wij de zebra gingen oplopen. Hanneke zei: "Wim de paraplu." Ik was feitelijk onvoldoende wakker en nog half bezig de situatie te ontkennen door niet om te kijken en haar opmerkzaamheid min of meer tegen beter weten in te klassificeren als overbezorgdheid. Ze nam de plu van mij over. Toen Hanneke haar hoofd omdraaide zag ik nog net dat de onverlaat zijn bierblik als een honkbal toewierp. Hanneke riep dat ze haar bril kwijt was. Als ik me niet vergis attackeerde ze de jongen in dit stadium met de paraplu.

Het was duidelijk dat de bril moest worden gezocht en dat we het hier niet bij konden laten. Ik naderde de knaap derhalve en nam tegelijk mijn schoudertas van links in mijn rechterhand en zwaaide die tegen zijn hoofd.
Er zaten niet veel harde voorwerpen in. Ik was niet "streetwise" in die zin dat ik effectief uit ging halen, zoals tegen de hals, of een felle trap in het kruis. Anderzijds nam ik minimaal risiko gezien de achter hem staande groep, maar was zonodig kennelijk wel bereid tot escalatie. Toch zat er een weinig slagvaardig aspect in mijn handelwijze, waardoor ik eventueel opeens zou kunnen vervallen in oude machteloosheidsgevoelens tegenover terreur. Alleen zover kwam het niet omdat mijn tegenstander dezelfde stijl aanhield als ikzelf. We stonden een beetje tegen elkaar aan te duwen, te slaan en te trekken zonder duidelijk doel. Ik gaf hem een trap. Hij raakte mij wat harder rond schouder of hoofd. Ik weet niet meer precies waar maar het voelde serieus bedoeld. Toch kreeg ik fysiek niks, deels omdat ik kennelijk handig ontweek, maar ook omdat hijzelf niet als felle straatvechter optrad. Ik vroeg me tegelijk af wat de andere hangjongeren zouden doen. Het was geen gevecht van Karel en Elegast.

De paar keer in mijn leven dat ik in zulke situaties kom zijn er trouwens altijd anderen die ingrijpen of althans aan mijn kant staan, ook in de drugshulpverlening. Rekende ik daar onbewust op? Ik heb in een droom een paar keer gevochten, maar daarin werd ik zeer hinderlijk geremd om daadwerkelijk toe te steken, te beuken, te moorden. Waarom weet ik dan niet, uit angst voor toorn. Nu ging ik er ook niet toe over om hem b.v. met een snoekduik een schedelbasisfractuur te bezorgen. Zo stonden we dus bezig te zijn met een doelloze schermutseling. Dat noemt men tegenwoordig "zinloos geweld".

Wat ik me herinner is dat ik in deze bewustzijnsversmalling na een halve minuut min of meer de brui er aan gaf of opeens vond dat deze geweldsspiraal niet langer nodig was. Kennelijk omdat het lefgozertje daar aanleiding voor gaf. Zijdelings zag ik dat er nieuwe gezichten om ons heen verschenen die zich ermee bemoeiden. Het waren weerbaar ogende strijdbare jongens die kennelijk een mening hadden over het incident. Sportschooltypes die wel even een ruzie zullen sussen? Onderwijl liep ik nog op de zebra te zoeken naar de bril. Plots werd die voor mijn neus gehouden door een vinder.

"Wat is de aanleiding hiervan?" vroeg n mij. "Helemaal niks!" riep ik. "Helemaal geen enkele aanleiding voor geweest!" Hij wilde weten hoe het ontstaan was. Ze zeiden dat we wegens de bril het beste aangifte konden doen. "Hoe bedoelt u dat?" vroeg ik, "bent u van de politie of zo?" Dit bleek het geval te zijn. "O dat is wel heel apart. Bent u hier dan in burger aan het patrouilleren?" "Soms als het nodig is," luidde het vage antwoord. Er bleken twee personenwagens met vier vijf smerissen in burger ogenblikkelijk naast onze schermutseling aanwezig te zijn geweest. "We dachten dat het een beroving was," verklaarde men zich nader.

Hanneke wendde zich nu half huilend tot de knaap en riep hem toe hoeveel last hij haar bezorgde nu haar bril weg was. Hij was van gedeisd inmiddels afgedropen tot timide, stond erbij en keek ernaar. Ook ik schreeuwde hem toe: "Laat me gewoon doorlopen man! Heb ik je soms wat misdaan? Laat me gewoon met rust eikel ik wil gewoon passeren!"

De dienders checkten meteen bij de andere zware jongetjes of het lulletje inderdaad met een blik naar ons had geworpen. Daar dit werd beaamd kon er een zaak van worden gemaakt, bedoeld om het blik bier voor hem even duur te maken als een nieuwe bril.

Hanneke wou beslist wel aangifte doen. Dus stapten wij in de ene personenwagen terwijl in de andere het boefje met een "getuige" uit zijn straatschennersclubje werd opgebracht.

Daarbij viel het me op dat ik in mijn emotionele afstandelijkheid misschien wel Hanneke aan haar lot over liet. Ik zag haar betraand en aangeslagen. Wat deed ik om haar te troosten? O ja ik deed nog mijn arm om haar heen en mompelde dat zij van mij een nieuwe bril zou krijgen, (maakte niet uit hoe rood ik stond). In de gang van het hoofdbureau omarmde ik haar opnieuw, wat me wel eens tijd leek worden.

En der agenten, met een van wanten wetende innerlijke vrede gekoppeld aan een mooie fysieke kracht, de prettigste types ook bij de luchtmacht, bracht ons de nachtelijke bekertjes koffie die wij uit TV-politieseries al kenden.

Aan de computer tikte met twee vingers een collega ons verhaal in. Ik had liever zelf getypt in verband met de tijd. Toen Hanneke iets ongedwongens zei als waar ging onze film over Wim, zei ik dan ook: "We moeten de trein halen." Niet dat ik het ongezellig vond. Helemaal niet.

De agent overwoog met haar platte bril in zijn handen: "Misschien ben ik er zelf nog wel overheen gereden." Hij verdween ermee om er een foto van de maken.

Hoetoe's en Toetsies, Moslems en Molukkers, Israelieten en Filistijnen, voetbalsupporters, alles hakt er bij elkaar op in en geen haan die er naar kraait. Maar hier dacht een lefgozertje stoer te zijn met lastigvallen en er landt meteen een politiekonvooi bovenop. Hoeveel man was er nu in touw om dit incidentje bureaucratisch te verwerken tegen welke kosten? Er werd meteen schadevergoeding via Justitie aangekondigd, zelfs zonder dat partijen elkaars naam hoorden. En dan al die klachten over gebrek aan politieservice. Dat overkomt natuurlijk alleen maar anderen.

Toen we wegliepen zagen we door een open deur de dader bij een andere computer zitten: een achttienjarige halfbloed met bruine ogen die in Rotterdam bij zijn Maleisische moeder woonde en vader was foetsie. Zijn vriendje zat ernaast, gebogen over zijn liegkansen, want die was bevorderd tot getuige decharge.

"Zo dat avontuur hebben we ook weer beleefd," zei ik buiten, maar Hanneke vond er niks aan. Reiki en liefkozing haalden thuis het nare gevoel gelukkig bij haar weg.

De volgende dag werd gebeld of Hanneke de aangifte soms wou intrekken zodat de dader geen levenslang strafblad hield, maar dat vertikte ze gelukkig. De hangjongen had de schadevergoeding zelfs al op het bureau gebracht. Hij had het geld "van zijn baas geleend".

We werden dus direct erna als slachtoffers in de rol gezet van slachtofferhulp. Het bewijs dat de lul het bierblik gericht had gegooid en niet zomaar uit woede, wat hij uiteraard beweerde, was dun. Daarom wou de politie bemiddelen voor de kosten maar het eventueel niet doorsturen naar de Officier. Nu de aangifte aanbleef moest die dus toch wel gaan bepalen of hij er een zaak van wou maken. Dan zou ook de rechter nog kunnen twijfelen of geweldpleging bewezen was.

Overigens zei de politie er alle waardering voor te hebben dat ze de aangifte aanhield.

Maar je moest je zo dus toch maar verdiepen in het toekomstig zieleheil van het huftertje. Zou hij eenmaal met strafblad een nog ergere desperado worden? Moest je je enerzijds verdiepen in zijn zielepieterige reclasseringskansen en anderzijds ook nog zelf bang blijven voor zijn repressailles?
Bezorgde je een burgerlijk onrecht aan een ontoerekeningsvatbaar slachtoffer van een akelige jeugd als je hem levenslang aan zijn peperdure bierblikje kluisterde?
Eigenlijk waren wij dan de daders en had hij slachtofferbijstand verdiend. Had ikzelf geen straf nodig wegens uitlokking tot jeugdige overmoed van een vaderloos schaap dat wij nu ook nog eens van zijn welvergunde toekomst wilden beroven?

Zelfs nadat hij de schade wou betalen nu hij, na een nacht cel, werd heengezonden om weer iemand anders te beroven voor de kosten van de bril, zelfs nu haalden wij de hand niet over het hart!

In sociaal bewust Nederland moest je eigenlijk door de vingers zien dat tieners experimenteren met grenzen. Hij had er immers nu heel veel spijt van dat het blik bier 325,= kostte?

Samengevat: de berouwvolle randgroepjongen had ingezien hoe fout hij had gehandeld dus we konden de aangifte intrekken zodat dit delict bij zijn volgende misdaad niet mee zou tellen. Nu we dat verdomden verdienden we een straf via een Halt-project.
Anderzijds: het incident legde geen windeieren, daar Hanneke's bril immers dringend toe was aan vervanging door een solide model in fraaiere kleur? Spiritueel lilla. Haar oude design voldeed ook niet meer geheel aan de nieuwste Parijse trends.
En zoets kun je als bourgeois satisfait prachtig financieren via een opvoedkundige maatregel tegen een boetvaardige hangjongen. Jawel, God bestaat.
WIM HEINS

 

Terug naar Avonturenoverzicht