TERUG NAAR DE VORIGE PAGINA

 

 DAGBOEKAANTEKENINGEN OVER 
 DE CREMATIE VAN COR HEINS, 
 NA DIENS ZELFMOORD. 


Amsterdam, 30 mei 1989.

"De auto komt eraan," zag mijn zus Immy Heins uit het raam.
Toen ik open deed leek het een ouderwetse postbode zonder PTT-embleem op zijn pet. "U bent aan het goede adres," zei ik. De zwarte man trok geroutineerd met twee handen tegelijk de beide achterdeuren open.

Ik wachtte even met instappen tot mijn vader alle sloten op de huisdeur had omgedraaid. Hij ging naast mijn moeder zitten achter de chauffeur. Ik daarachter naast mijn zus. Ik had haar linker hand in mijn linker en met mijn rechter hield ik haar onderarm vast. Het voelde zoals wanneer je geliefden bent. Ik had een lichte kramp in mijn linker hand maar hield haar toch stevig beet. Ze werd weer bezocht door een bries van ontzetting, die haar adem deed beven en het geschilderd portret van haar gezicht liep door. Dan lijkt het net of zij het waarheidsgehalte van wat er gebeurt in zich voelt deinen.
"Blijf bij je gevoel," zei ik tot mezelf, "doe niet stoer en laat je lichaam spreken." Ik zag dat we met ons vieren in een begrafeniswagen zaten. Ergens vond ik het gepast, als zijnde een programmapunt uit het concert des levens, waarvan je weet dat het vroeg of laat ten tonele komt, maar anderzijds begreep ik dat een onvoorziene tegenslag tot een programmawijziging had geleid.
De rouwrijder stuurde het voertuig zwijgend en bijna afwezig. In het spiegeltje zag ik aan zijn scherpe alerte ogen onder de pet dat hij aanwezig was. Het was een achteruitkijkspiegel die in nachtstand kon worden gedraaid met het oog op de felle achterliggers. Het tweede geschemerde beeld dat onder een andere hoek werd weerkaatst, toonde de scherpe neus van de chauffeur dwars door het beeld van de zwarte pet.
De wagen gaf me het gevoel in een zeer luxe doodskist te rijden, ongeveer zoals je in de gevangenis komt niet voor straf maar als bezoeker.

Door de zwarte vitrage zag ik zomers geklede mensen naar ons blikken: ginds kabbelde het leven door zijn bedding.
Ik richtte mijn aandacht op mijn moeder en vader en voelde meer rouw door hen heen dan door mezelf. Mijn moeder zag er van achteren uit als een sterke vrouw omdat ze rechtop zat en als een gespannen veer omdat ik dacht dat haar houding ook ontstond door spierknevels langs haar ruggengraat. En als een vrouw die een langdurige strijd had verloren omdat haar hoofd een lichte knak vertoonde. Als ik er aan dacht dat zij onvoorwaardelijk had gehoopt op herstel van de schizofrene zoon, en natuurlijk dat zij hem zelfs had gebaard, en dat ik het zo zielig voor haar vond als ik haar verdriet zag stromen, dan liepen nu bij mij ook wel tranen over.
Mijn vader zweeg op iets kwetsbaarder wijze dan mijn moeder, en niet in het bezit van duizendvoudig tobbende naar verklaringen vorsende gedachten.
Zij hadden in een auto dikwijls voor me gezeten, maar vandaag voor het eerst zonder dat mijn vader reed. Gereden werd er door de rouwfunctionaris. Hij hield de maximum snelheid aan, een statige gang.

Naarmate ik meer over de situatie ging denken vergat ik gedurende enkele ogenblikken het uitzonderlijke karakter van deze rit en begon me even een werktuiglijke autopassagier te voelen. Ik trachtte me weer te bepalen tot het hier en nu en dacht: "Zo Cor, zie uw moeder, zie uw vader. Kijk toch eens, helemaal ter ere van jou. Is het dramatisch genoeg?"

De uitvaartrijder stuurde het doodse scheepje de hoek om naar een oord van tuinen. Gestopt voor een stille entree sprak hij: "Een ogenblikje alstublieft, dan zal ik u melden." Even later werden we naar een wachtkamer genood. In de hal stond een zwarte dame. Zij sprak een enkel begripvol woord.
De wachtkamer was een dodencel met indirect licht achter een dubbel, maar hoog opgehangen plafond alsof de tocht ten hemel in de architectuur van het gebouw was voorzien. Een gordijn van linnen geperforeerd als een zeef gaf de buitenwereld te zien zoals op een kleurenfoto-trucage: merkwaardig witgroene bomen onder een tegennatuurlijk donkere hemel. Nauwelijks gezeten stond mijn moeder weer op en voelde even aan de verf op het schilderij dat tegenover ons hing. Ongegeneerd en onbevangen als een nieuwsgierig kind. Het was een werk van Albert Grosfield uit 1986 opgezet in bescheiden lichte tinten. Een wittig vlak suggereerde land, een nauwelijks donkerder daaronder leek water. Achter het land een lichtrose veeg deed aan avondhemel denken. Op het scheidsvlak van water en land vond de handeling plaats. Aan de oever stond een langwerpig blond object dat aan een doodskist deed denken. Bijna daaraan rakend lag op het water een veeg, met donkerder weerspiegeling eronder, die herinnerde aan een baar. Dit was het stukje verf waaraan mijn moeder met bijna afwezig gebaar had gevoeld. Enige tijd hield het schilderij mijn aandacht in zijn ban. Ik zag het heus wel: een ziel verliet zijn aardse behuizing en begaf zich op de eeuwige zee. Allemachtig, dacht ik, wat uitstraling heeft dat doek. Wat een discrete tinten met zoveel zeggingskracht. Steels en indringend confronteerde de kunstenaar je met zijn gevoelsinhoud, of was het een projectiescherm?

Ik wendde het hoofd af naar het raam omdat mijn ogen volliepen, bij de gedachte dat Cor die heilige oversteek misschien niet waagde, en zich nog vastbeet in duisternis.
"Ik vind deze kamer een rothok," zei Immy.
"Het is nog te vroeg," zei haar vader.
Op de achtergrond klonk getril uit de elektronica van de kunstverlichting. "Toen hij bij Groenpol werkte was eigenlijk nog de beste tijd," dacht mijn vader hardop, "toen heb ik hem nog eens helemaal een machinetekening uitgelegd."
"Ja maar bij het Rode Kruis voelde hij zich ook prima," reageerde ik, "want hij had een hele goeie relatie met zijn chef die hij jaren later nog zag alleen hij ging er weg om door Frankrijk te kunnen liften. Daarvoor zat hij lang bij de Stookindustrie maar dat werd monotoon en daarna een tijd bij Technecon."
"O ja..." zei mijn vader, wie het in herinnering schoot.

Ik voelde dat mijn moeder zich sloot en ik hoorde mijn zus zuchten. Want de mannen praatten zakelijk. "In zijn laatste getuigschrift stond dat hij in toenemende mate had gewerkt met C.A.D.", zei ik, en keek mijn vader aan, wachtend op herkenning, wetend dat hij de Engelse afkorting van 'Computer Aided Design' wel kende en dat de vrouwen zich bij het uitspreken ervan eens zo ongemakkelijk zouden voelen.
Ik keek weer naar het schilderij en zei: "Dat is een baar die zich losmaakt uit de kist en de oversteek begint zoals de Egyptenaren zich de dood dachten als een oversteek van de Nijl."
"Naar gene zijde," zei mijn moeder, met iets afgunstigs, daar Cor herhaaldelijk zijn levensafwaartse aandacht met die term had geillustreerd.
Het schilderij werd door de vrouwen schouderophalend afgedaan als abstract.

Er werd geklopt en een slanke jongeman in zwarte pandjas stelde zich voor. In zijn handen bevond zich administratie alsook een dikke envelop. "Ik heb hier het horloge. Wilt u het misschien meenemen of liever niet." Ik pakte de envelop al uit zijn handen met de woorden "we kunnen het in beraad houden". "Ik heb het afgeknipt," lichtte hij nog toe, waarna hij weer heenschreed. Ik ging zitten en voelde een grijns. Afgeknipt, afgeknipt. Klare taal meneer.

Even later zaten we weer in de volgauto om het laatste stuk naar het crematorium achter de lijkwagen te rijden. "Is dat hem?" vroeg mijn moeder ongelovig. Ze leunde naar voren om het beter te zien. In de wagen voor ons stond een blonde kist, waarop gele bloemen. "Oh wat een mooi bouquet!" zei ze en draaide zich om naar Immy. "Ik ben heel blij dat je toch nog bloemen hebt besteld hoor!"
De wagens zetten zich in beweging. "Daar lig je dan," dacht ik, "in een peperdure chevrolet. Daar hield je van." De voorste wagen schreed naar rechts. Ik zag op de hoeken van de motorkap de rouwvlaggen en ik dacht: "Met de kruisvlag hoog in top, is het zo dramatisch genoeg?"
Ik herhaalde nog een paar maal in gedachten 'met de kruisvlag hoog in top' en voelde een diepe duistere lading verbonden aan deze woorden waarover ik dolgraag een door merg en been trekkend verhaal zou schrijven waarin donkere bassen zouden klinken zoals de politiekapel die aanblaast tijdens de 4 mei herdenking.
Ik bepaalde mijn gedachten er weer toe dat wij achter de baar reden op de uitvaart van Cor. Ik hoorde Immy naast me snikken alsof ze opnieuw van de werkelijkheid schrok. Na al het wegblijven van Cor, na het ontdekken dat hij drie maanden aan zijn touw had gehangen, en nu de lijkwagen voor ons reed, leek het net of hij steeds maar meer en meer dood aan het worden was.

Voor een nieuw, nog stiller bouwwerk hield de volgwagen halt. De chauffeur ontblootte het hoofd en hield zijn dienstpet in de handen, toen de lijkwagen zich aan het gezicht onttrok. Kalm plaatste hij de pet terug, stapte uit en trok de deuren open. We werden binnengelaten in een royale ledige zaal. De jonge kraai in jacquet informeerde nogmaals omtrent het al of niet dalen van de baar en of er ook muziek werd gewenst bij binnenkomst, licht klassiek, en of er werd gesproken. "Het is een eenvoudige plechtigheid," zei mijn vader. "Dat had ik er al uit begrepen, hoor," antwoordde hij warmbloedig en hield een ogenblik lang zijn glimlach staande.
Toen we zaten begon mijn moeder met een opsomming van merkwaardige achternamen: Kloot, Horlepiep, Dekwaadsteniet, Eierenbeul... Even later bracht mijn vader licht verrast uit: "Bij zijn 1 jaar oudere broertje was ik alleen." Zijn onderkaak beefde, zoals van kou.
Ik wist wel dat hij vandaag moest worden herinnerd aan dat doodgeboren kindje.
"Misschien was dat wel niet zijn broertje, misschien was hij dat zelf," dacht ik, en voelde dat beter niet te kunnen zeggen, want ik stond tamelijk alleen met mijn reÔncarnatiegeloof, zoals ik apart stond met mijn reactie op de dood van Cor, die de indruk wekte dat ik al jaren bezig was met een onthechtingsproces.

Aan de wand van de nieuwbouwzaal hingen discreet brandende zuiver ronde bollen gelegen op schalen en vanuit de weelderige tuin begaf het daglicht zich soeverein naar binnen. Er hingen twee schilderingen in een beeldverhaal: een donkergepenseeld vlak, en een zelfde vlak maar met een open poort. Op de achtergrond suisde apparatuur voor airconditioning. We werden gehaald.

In alle gebouwen op dit uitgestrekte terrein had ik niemand anders ontwaard dan ambtsdragers in rouwgevederte. De familie was met zijn vieren. Toen we de aula betraden stonden binnen aan weerszijden van de ingang lakeien in zwart kostuum. Hun neerslaan van de ogen bij onze nadering trof me als een verfijnde uiting van respect.
"Zullen we samen bij de kist gaan staan?" stelde de uitvaartleider voor. Mijn moeder reikte in een machteloos gebaar naar hetgeen was opgebaard. "Dag lieve Cor," zei ze hardop, en wat mijn vader zei verstond ik niet. "Wat een mooie kist!" zei mijn moeder, als prees zij haar zoon, die hield van kwaliteit. Ik pakte de kist ook beet en voelde hout.
Ik keek meer naar de anderen, en had belangstelling voor mijn gevoelens voor hen. Het was een dag waarop gevoelens als een vogel even de kooi uit mochten vliegen. De anderen stonden verslagen te snikken. Ik keek naar de bloemen op de kist. "Geel," zei ik in gedachten, "de lievelingskleur van je vader." Die legde zijn linker arm om mijn schouder. Ik legde mijn rechter hand in een achterwaartse greep op de zijne en verstarde in dit geforceerde gebaar, terwijl de kist begon te zakken onder koesterend orgelspel.
Terwijl we aan de rand van het mechanische graf neerkeken op de dalende kist overwoog ik dat mijn ouders uitgingen van een voorgoed uitgevaagde Cor. Wat een machteloos geloof. Vroeger toen zij nog in het hiernamaals geloofden en ik nergens meer in en toen de kat Poema stierf zei Cor dat alleen het 'stoffelijk omhulsel' was doodgegaan, geschrokken als hij die nacht zelf was van zenuwpijnen in de borst.
Terwijl de kist neerzonk vond ik het tafereel minder reŽel worden, omdat ik zelf inmiddels uitging van een voortbestaan. "Straks ben je in elk geval volledig van dat lichaam af," dacht ik, met het oog op de crematie.
De neergang stokte. Terwijl de kist stillag sloten zich op vloerniveau twee witte schuifdeuren toe. Het werd tijd om weg te gaan, maar ik had nog wel vijf minuten willen blijven vanwege de muziek. Immy stond mij aan te kijken. In haar grote waterige ogen straalden twee lichten: een volwassen glanzend betreuren, alsmede een verlichte zucht of een lach. Ik begreep niet direct waarom ze me zo bekeek. "Dat is de muziek uit jouw eerste film," zei ze toen, en ik meteen: "Die Moldau!"

Terwijl we achter de anderen aan liepen voelde ik me trots dat ze twintig jaar lang de muziek uit mijn film onthouden had. We liepen hand in hand, in die zin, dat ik met duim-, wijs- en middelvinger van mijn linker hand haar rechter wijsvinger omvatte ter hoogte van de knokkel.
Voor ons uit liepen de ouders. Mijn vader had zijn rechter hand op de linker schouder van mijn moeder gelegd en liep zo half naast, half achter haar gebogen voort. Het viel me op dat wij en zij in deze houdingen vitaal in de maat voorwaarts stapten tot aan de opengehouden autodeuren buiten.
In de Josephus Jittastraat stapte de chauffeur weer in, trok zijn zwarte handschoenen uit en legde zijn zwarte pet naast zich op de bank, een weelde aan zilvergrijze ambassadeurslokken ontblotend.

Terwijl mijn vader binnen de deur sloot keek hij mijn moeder aan met een blik alsof ze nu pas definitief wisten waar ze aan toe waren met dit opvoedingsproject.

WIM HEINS

 

TERUG NAAR DE VORIGE PAGINA