TERUG NAAR DE VORIGE PAGINA


 BEGRAFENIS- 
 GEZELLIGHEID 

Amsterdam, 27 juni 2000.

Gisteren gebruikte ik de maaltijd bij mijn ouders. Mijn vader zou de volgende morgen naar de begrafenis gaan van de vader van de vrouw van een broer van mijn moeder.
"Zal ik meegaan?" riep ik enthousiast over tafel.
Mijn vader dook in elkaar en hakkelde zonder mij aan te zien loensend: "Nou... als jij vindt dat je dat moet doen, als jij daar belangstelling voor hebt... dan staat het je vrij..."
"Dat is toch gezellig!" riep mijn moeder, die niet mee zou gaan.
Ik zag dat de aderen van de man volliepen met een element zwaarder dan lood, dan kwik, dan uranium. Hij boog door en torste een zwaarmoedigheid die de kamer vulde als het gas een ballon en die een drukkend schuldbesef trachtte op te roepen omtrent een nog niet nader omschreven hem aangedane schrijnende bejegening. Een bejegening waarvoor genade kon worden verkregen, maar dan moest je dankbaar zijn want hulpeloos.
"Je hebt belangstelling of je hebt géén belangstelling," vervolgde hij. Zijn ogen schoten water en vuur. "Dat is de enige reden om te gaan, andere zijn er niet, klaar uit."
Hij zag er dreigend uit zoals toen hij vroeger zelf waarschuwde dat mogelijk "zijn hand uitschoot".
"Je kan ook voor de gezelligheid gaan," verklaarde ik.
"Het is geen kwestie van gezelligheid."
"Nou zeg ik word er helemaal ongemakkelijk van."
Hij keek bevreemd, waarop ik doorging: "Ik heb niks met de overledene maar ik word wel aangetrokken tot familie-bijeenkomsten."
Schrijlings en ijlings beende hij onverwijld naar de keuken om toetjes te halen.

Mijn moeder wees op haar voorhoofd. Ik wees ook op mijn voorhoofd. "Hij heeft het moeilijk," stelde ze. Ik was niet in de toestand van parate troepen. Mijn luchtafweer stond niet op scherp. Anders was ik assertiever geweest. Nog steeds had ik geen spijt niet te hebben geantwoord: "Bravo, die zit, dat is de enige reden om naar een begrafenis te gaan en hoeveel motieven andere mensen ook mogen hebben, die zijn definitief ongeldig omdat er maar één soort beweegreden: de jouwe."
Dit antwoord kwam pas 's nachts in me op.

Zwijgend lepelden we chocoladevla.
Mijn moeder stelde voor de volgende morgen om half tien samen koffie te drinken. Daarna zou zij naar haar dochter gaan en wij naar de begrafenis.
Mijn vader ontkwam naar de afwas. "Hoe voel je je nu?" vroeg mijn moeder. "Ja ik voel het kind in me dat bang voor hem is. Die intimiderende emotie daar was ik als kleuter heel angstig voor. Het is een nare man."
We spraken luidop hoewel de deuren naar de keuken open stonden. Mijn moeder dacht namelijk dat hij zijn gehoorapparaat niet in had.
Ik keek scheel, hield mijn hoofd scheef en kreunde, zoveel mogelijk met mijn tong uit mijn mond: "Uhhh uhhh als jij denkt, als jij denkt dat je daar belangstelling voor hebt..."
Ik bewoog spastisch. "...dan staat het je vrij... uhhhgg."
Ze onderdrukte haar lachen met de hand voor haar mond.
"Het is wel een vervelende sfeer," zei ik, "vreselijk autoritair".
"Ach, kan jou wat schelen, rij lekker mee en laat je niet dol maken; als je er bent kun je gezellig praten."

Ik gaf er de voorkeur aan generatieruzies te laten rusten in de Zeventiger Jaren maar voelde wel hoe de eenzame verliezer hiervan, deze uitgebluste man, mijn vroegere gebelgdheid weer kon verlevendigen.

De volgende morgen werd er om kwart voor negen op mijn kamerdeur getikt. Ik deed open en mijn moeder trippelde reeds met jas en tas naar een stoel bij het raam en ik ging op de rand van het logeerbed zitten.
"Ik ga maar vast weg," zei ze, "hij doet zo raar." "Mm-mm," begreep ik. "Ik heb koffie klaargezet in een thermoskan. Hij vroeg op zo'n rare toon waar dat voor nodig is. Ik houd het niet meer uit."
"Kom je nu eigenlijk niet te vroeg?"
"Ja, ik ga eerst maar even naar de Albert Cuyp-markt. Ik wens je sterkte. Trek je maar niks van hem aan, en wees streng als hij niet veilig rijdt. Dan moet je het stuur van hem opeisen." Ik slikte en zei ouderlijk: "Nou ik wens je een hele leuke dag." "Jij ook, na afloop van de begrafenis een heel gezellig uurtje met de familie."
Ze kruiste de armen voor haar borst, drukte haar kin erin met gebogen hoofd, vertrok haar gezicht tot een angstige grimas en zei: "Hij is zo zonder enige openheid en volkomen teruggetrokken."
Ze liet haar typerende pose weer los en besloot: "Jij kan er weer uitgaan moet je maar denken, ik moet het dag in dag uit verdragen."

We kusten elkaar en ze liep naar beneden. "Waar ga je heen?" riep mijn vader. "Naar je dochter!" riep ze, "dat had ik je toch verteld? Ben je dat nu alweer vergeten?"
Onder de douche had ik rare nare onbenoembare gevoelens van kind tot puber en van puber tot psycholoog. Ik ordende in mijn hoofd het geschut voor eventualiteiten. Op de tuintafel stond de koffie. Hij zat er naast in een stoel, straalde woede uit en leek platgeslagen als een plant gedroogd in een boek.

Ik vroeg of hij de overledene nog wel had gezien. Hij vertelde dat de man voor hij kraandrijver werd schipbreuk had geleden op de grote vaart. "O dat wist ik niet," antwoordde ik, uitrekenend dat je in 94 jaar ook nog wel meer kon doen dan kraandrijven.

Bij de aula wees mijn vader op de bloeiende lavendel.
Mijn oom en tante, nicht en paar neven vonden het leuk me te zien. Het voelde makkelijk, vertrouwd en voedend; dit was de aalmoes waarvoor ik kwam.
Een kordate vrouwelijke dominee diende een hutspot op van prachtige inconsequente christelijkheid ("we gaan uw vader nu overdragen aan God"), ontwapenende informaliteit ("zijn vrouw, die hem overleefde, mocht de TV niet aan hebben als er voetballen was") en moderne geloofwaardige onschijnheiligheid: "We weten niet wat er achter de dood is en dat maakt ons onzeker."

Een pias met hoge hoed en gestoorde motoriek leidde de ceremonie en voerde een stramme buiging uit naar de kist, waarop zich een gemotoriseerd gordijn voor de baar begon te sluiten.
Nu gingen we naar buiten om de overledene te brengen naar zijn "laatste rustplaats", een formulering die op mij uiterst onkerkelijk overkwam.
De kist met bloemen was thans getild op een zwarte wagen met handvaten en weggewerkte fietswielen. Zes trekpaarden, zelf duidelijk zichtbaar aan het eind van hun leven, in gitzwarte pakken en met merkwaardig hoge hoeden stelden zich op langs de kar en begonnen ermee te rijden.
De stoet hield halt. Hoewel er niemand voor me stond en omdat ik jong en lenig ben lichtte ik mijn hielen van de vloer en trok mijn jas aan de achterzoom met twee handen neer. Echt gefascineerd en met open mond blikte ik naar het tafereel.
Langs de bloembeladen rustplaatsen en door een wild groen uitbottende bomentuin onder tintelend vogelgetsjilp, vervolgden stapvoets de zes heren hun dodenmars, in zo Oost-Indisch zwarte inkt dat ik het onterecht vond om te zeggen dat zwart geen kleur zou zijn. Ik voelde hoe enthousiast ik deze scène zou verfilmen en decoupeerde hem werktuiglijk in een zinvolle sequentie losse shots. Voor de dodenwagen met de zes heren uit liep nog een afzonderlijke functionaris bedekt met het universele hoofddeksel der tucht: de pet. Was het een onderveldmaarschalk? Was hij chauffeur bij de bereden marechaussee?
In sombere bezonkenheid schreed men met de lijkwagen naar de zandberg bij een kuil.

Ik bedacht als experiment dat mijn moeders overschot zich in de kist bevond.
Onmiddellijk voelde ik de deining van een bodemloos verdriet, mijn ogen schoten vol, dus meteen weer stopte ik de fantasie. Men mocht eens gaan menen dat ik om de figuur in de kist begon te huilen. Mijn moeder heeft altijd een hekel gehad aan macabere uitvaartheren. Wat leek het me onaangenaam ooit haar stofkleed met zoveel duister vertoon ten grave te rijden. Terwijl ik niet eens geloofde dat zij er dan nog in woonde! Maar dan toch kans lopen en publique door je tranen heen te moeten waden. Cremeren is volgens mij goedkoper en waar ze het uitstrooien laat me siberisch. As is verbrande turf.
Ik kon alweer helder kijken en genoot (daar het een vreemde betrof) van het dramatische effect; men liet de kist half zakken want helemaal was te realistisch, en gooide de bedieningspook daarna los in het zand.
Ik wierp een steelse blik op mijn vader. Ik zag dat zijn ogen kwetsbaar stonden als van een eerbiedige jongen.

De theologe verzocht iedereen "die dat wilde" het Onze Vader  mee te bidden. Ik hoorde wijlen mijn broer in mijn herinnering opeens zeggen dat "Pa necrofiel" was, waarna het Onze Vader de cadans aannam van zijn stem die dat in een grijs verleden ontelbare malen bij de maaltijd had opgezegd met een boze rimpel tussen zijn ogen.

Na afloop zei ik tegen nicht Trix: "Ze zeggen niet meer aan de grafkuil 'stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren'. Terecht ook maar. Als je geloof gebaseerd is op een hiernamaals is het wel mal om aan het eind te zeggen dat je tot stof wederkeert."
"Maar dat ìs toch ook zo!" riep ze half lachend, half in protest, "je bènt toch stof."
"Nee dat is in strijd met het beleden geloof." "Maar het slaat op dat lichaam!" "Dan moeten ze niet zeggen 'stof zijt gij'. Als je in een hiernamaals gelooft bèn je je lichaam niet maar hèb je je lichaam."
Dit moest ze toegeven.
We spraken verder over opvoeding: ze had toevallig pubers die haar niet provoceerden maar onze ouders vroeger provoceerden juist ons!

Mijn vader drentelde nabij en bleef gedienstig en bedremmeld afwachten tot hij mijn blik inving. "Zullen we weer eens gaan?" klonk de bekende vraag, want hij voelt zich in groepen een onderkoelende ziel en daarom wil hij altijd weg, zeker als het gezellig wordt, een neuroticisme dat ik zelf tussen familie juist mis.
Buiten wees hij me op de bloeiende lavendel, een troost voor al wie afknapt op de mens.

"Hardstikke tof," zei ik, "tot de volgende keer."
Toen ik uitstapte keek hij boos, maar dit is hij zich volgens mijn moeder niet bewust.
Ik keek hem na toen hij kleingezakt in zijn ontsnappingswagen vaardig wegzwenkte over de voorsorteerbanen.
Wim Heins


TERUG NAAR DE VORIGE PAGINA