SCHEIDBARE WERKWOORDEN

Fout op het bord schrijven en dan het voorstuk naar het eind van de zin verplaatsen...
Eventueel te combineren met inversie door iets voor het onderwerp te zetten.
Zeg er steeds bij dat de voorbeelden eerst fout zijn:

Opbellen.
De cursist opbelt de school???
Neen: De cursist belt de school OP.
Inversie: Wanneer belt de cursist de school op?

De docent schoonmaakt zijn tafel.
De docent           maakt zijn tafel schoon.
Haastig maakt de docent zijn tafel schoon.

De leraar schoonmaakt het bord. Af en toe maakt de leraar het bord schoon.
De cursist binnenkomt.
Na de pauze komt de cursist binnen.
De vrouw meeneemt een woordenboek. Vanavond...
De trein aankomt.  Straks komt...
Wij weggaan om half tien. Om half tien...
De leerling nadenkt over de zin. Waarschijnlijk...
De gewichtheffer neerzet de halter. Eindelijk...
De kok neerzet de warme pan. Snel...
Jij teruggeeft het geld morgen. Morgen...
Mijn tante uitnodigt mij. Gelukkig...
De moeder voorleest. Elke avond...
Wim uitdeelt pepernoten. Elke les...
De man uitslaapt in het weekend. In het...
De oude man weggeeft de fiets. Bij verhuizen...
Wij afwassen samen de borden. Na het eten...
De professor uitstapt de bus. Waar...
Hij dichtdoet het raam. Na zonsondergang...

Geen woordscheiding na mogen, moeten, kunnen, willen:

Het kind mag opblijven in het weekend.
Ik moet eten klaarmaken vanavond.
De vrouw wil haar winterjas aantrekken.
Jullie kunnen het woord opzoeken.
Om 12 uur moet de trein aankomen.
De kunnen de treindeur opendoen als hij stilstaat.
De trein moet stilstaan om te kunnen instappen.
Wij mogen uitstappen bij de Arena.
Ik wil de fiets weggeven aan een goed doel.
Wie moet het voedselvraagstuk oplossen?

Voorbeelden scheidbare werkwoorden
Uitkijken ik keek uit.
Uitlachen. Uitspreken. Uitblazen. Uitgaan.Uitschakelen. Uitdelen. Uitbarsten. Uitwissen.
Opschrijven. Oppassen. Opbellen. Opletten. Opscheppen. Opdrinken. Opfrissen.
Weggooien. Weglopen. Wegnemen. Wegzetten.
Doorgeven. Doorlopen. Doorhebben. Doorgaan. Doorbladeren. Doorkruipen.
Inslapen. Inkijken. Inpakken. Inspuiten. Instoppen. Inslikken.
Voorrijden. Voorzitten. Voorzeggen. Voorlezen.

 

 

Onderdeel van www.KijkAan.nl